Een winterochtend, een kop koffie en… Tools

Vanmorgen was ik — zoals de laatste tijd wel vaker — vroeg uit bed. Eerst maak ik ontbijt voor de échte bazen in huis: onze kattepoezennelletjes. Pas daarna ben ik aan de beurt. Koffie, een boterham met pindakaas en een banaan. Meer heb ik niet nodig om langzaam wakker te worden.

Ik nestel me in mijn vaste hoekje op de bank, precies zo dat ik de achtertuin kan zien wanneer ik wil. Normaal is daar altijd wel iets te beleven, maar vanmorgen was het opvallend stil. Er lag een vers pak sneeuw — acht centimeter! — en de hele tuin leek de adem in te houden.

Dus pakte ik mijn laptop erbij. Even lekker domme filmpjes scrollen. Een stuk of twintig filmpjes later viel het me ineens op: de helft van die dingen (ik schijn Reels te moeten zeggen 🤦‍♀️) waren reclamefilmpjes waarin mensen hun Tools aanboden. Ik kreeg spontaan jeuk in mijn nek. Tools! We hebben een tool. Ik tool. Jij to(o?)lt. Wij hebben getoold. Het klinkt alsof ik een nieuwe ziekte aan het vervoegen ben.

In een nieuwsbrief van de Taalunie las ik laatst een reactie van een lezer:

“Zelfs de nieuwsbrief bevat onnodige Engelse woorden. Waarom wordt er gesproken over een nieuwe tool? Waarom niet gewoon instrument of werktuig?”  

En nu hij het toch ter sprake bracht: waarom moet het altijd over skills gaan? Wat is er mis met vaardigheden?

Het zijn heel redelijke vragen. Ik worstel er zelf ook mee. Er is niets mis met onvertaalde Nederlandse woorden zoals werktuig, en ook niet met oudere leenwoorden zoals instrument. Die zijn ingeburgerd; niemand krijgt er een ongemakkelijk gevoel van. Maar bij veel nieuwe Engelse leenwoorden — tools, skills, nice, cool, chill — voel ik toch een lichte rilling over mijn rug gaan. Brrrr.

Begrijp me niet verkeerd: ik weet heus dat onze taal vol zit met leenwoorden. Bureau, überhaupt, macho — allemaal geïmporteerd en inmiddels volkomen normaal. Maar lieve mensen… mag het alsjeblieft een beetje minder? We hebben zo’n mooie taal. Laten we die toch zoveel mogelijk onvervalst houden.

Ik ga er in ieder geval mijn stinkende best voor doen.

Blijf zacht

De Kronkels van Mijn Brein

Soms verbaas ik me over mijn eigen psyche. En dat is knap, want ik woon er al jaren mee samen.

Neem nou dit: een kennisje van mij vindt zichzelf veel te dik. Ze deed haar beklag bij mij, en ik dacht: Nou ja zeg, wat een onzin! Want als ik haar zie, denk ik niet “jeetje wat ben jij dik,” maar eerder “jeetje wat heb jij een leuke jas.” Ze ziet er gewoon goed uit. Punt.

Feit is wel: ze is zwaarder dan ik. En dan komt het bizarre... ik vind mezelf wél te dik. Soms kijk ik in de spiegel en denk: “Hee jesses, daar mag wel een halve Margot vanaf.” Niet altijd hoor — meestal ben ik best content met mezelf. Ik ben nu eenmaal wie ik ben. Maar ik ben wel te dik. Vind ik.

En dan komt de mentale wipwap: waarom vind ik haar niet te dik en mezelf wel? Hoe kijken anderen dan naar mij? Waarschijnlijk zoals ik naar haar kijk. Liefdevol, mild, met een focus op de jas. Maar toch blijf ik mezelf te dik vinden. Mijn psyche heeft duidelijk een abonnement op de verwarring.

Dan nog zoiets: als iemand in mijn buurt ziek is, roep ik meteen: “Naar de huisarts! Beter een keer te veel dan te weinig!” Maar zelf loop ik al twee weken rond met een vermoedelijke blaasontsteking. Ik zeg wel elke dag: “Ja, ik moet écht even bellen.” En dan bel ik niet. Niet omdat ik een hekel heb aan de huisarts. Helemaal niet. Maar waarom dan wel? Geen idee. Mijn psyche is op vakantie, denk ik.

Mijn motto is: maak van je hart geen moordkuil. Tenminste, als anderen dat doen. Zelf ben ik meer van de moordkuil-met-tuinhek-en-wachtwoord. Ik hou van mensen die recht voor z’n raap hun mening geven. Heerlijk. Maar als ik zelf iets moet zeggen, komt het niet. Dan sta ik daar, met een hoofd vol woorden en een mond vol stilte. En een uur later denk ik: “Verdikke, dát had ik moeten zeggen.” Maar dan is het moment al lang gevlogen, samen met mijn adremheid.

En dan nog iets geks. Verliefd als ik ben, kan ik me nergens druk om maken wat betreft de gewoontes van mijn schatje. Kastdeuren open? Prima. Lades open? Gezellig. Lampen aan in lege kamers? Romantisch. Ik doe ze wel dicht of uit, zonder morren. Maar als iemand anders dat doet? Dan denk ik: “Doe eens normaal, dat is toch niet zo veel gevraagd?”

Mijn psyche knikt dan tevreden: inconsequentie is ook een vorm van liefde.

Blijf zacht


Angst en andere huisdieren die ik nooit besteld heb


Angst. 

Zo’n emotie die je óf uit een brandend gebouw laat sprinten, óf je laat denken dat de kat al drie dagen niet knippert en dus vast iets mankeert. Gelukkig zit ik meestal in categorie één: functionerend mens, tevreden leven, redelijk stabiel. Maar soms… soms komt daar dat rare beest weer opdagen. Die angst die 9,9 van de 10 keer totaal nergens op slaat, maar toch doet alsof hij de hoofdrol speelt in een rampenfilm.

Het is rond 11.00 uur. Manlief ligt nog in bed na een nacht die volgens hem “korter was dan mijn geduld als ik honger heb”. Ik besluit naar het tuincentrum te gaan. Ik geef hem een kus, zeg dat ik even weg ben — want ja, zo’n afscheid hoort erbij, zelfs als je maar twintig minuten weg bent.

Vijf minuten later fiets ik net buiten de stad als ik in de verte een ambulance hoor. Prima. Kan gebeuren. Maar dan zie ik hem. Met sirenes. Met tempo. En natuurlijk — natúúrlijk — scheurt hij richting onze straat.

En daar gaat mijn brein.

“Doe normaal, Margot,” zeg ik streng tegen mezelf. “Je bent nog geen vijf minuten weg. Niemand heeft überhaupt tijd gehad om in paniek 112 te bellen. Er is níets aan de hand.”

Mijn lichaam denkt daar anders over. Mijn maag trekt samen, mijn armen worden zwaar, mijn borstbeen protesteert en de tranen staan klaar alsof ze auditie doen voor een dramafilm.

Potverdikkie.

Rationeel weet ik dat dit nergens op slaat. Emotioneel ben ik inmiddels drie hoofdstukken verder in een thriller die nooit geschreven is. Ik adem diep in, diep uit, en langzaam zakt het weer. “Gewoon doorgaan. Er is niets aan de hand.” En toch ben ik boos op mezelf. Ik wéét waar dit vandaan komt. Ik wéét dat het tijd nodig heeft. Maar jemig… hoe lang nog?

Bij het tuincentrum is alles gelukkig weer normaal. Planten, bloemen, lentegevoel — mijn natuurlijke antidepressiva. Ik koop mest voor het gazon, een bakje met bolletjes en, vooruit, een cadeautje voor mezelf. Ik mocht eigenlijk niets meer kopen, want ik was begin van de maand al losgegaan. Maar ja… sommige dingen roepen gewoon: Neem mij mee, ik ben troost in keramiekvorm.

Na een half uurtje fiets ik terug. In de verte hoor ik weer een ambulance. “Niet luisteren,” zeg ik tegen mezelf. Ik focus op de vogels in de weilanden. Een groep ganzen, een paar zilverreigers — instant mindfulness. Het werkt. De sirene verdwijnt naar de achtergrond alsof iemand de volumeknop heeft gevonden.

In ons stadje zie ik een oudere dame op een bankje zitten. Doodstil. Als een standbeeld. Maar dan zie ik dat haar voeten zo’n vijf centimeter boven de grond bungelen. Ze is gewoon te klein om de grond te raken. Om de een of andere reden vind ik het zó komisch dat ik in de lach schiet. En hop — weg is de angst, weg is het verdriet. Soms is het leven gewoon een sketch.

Thuis krijgt manlief, inmiddels uit bed, een dikke knuffel. De katten een royale aai. En mijn humeur? Helemaal terug. Opperbest zelfs.

Blijf zacht, ook bij ongegronde angst


Waarom Ik Het Nieuws Mijd (en Gelukkiger Ben)


 Ik kijk geen nieuws. Of nou ja… ik doe mijn best het te ontwijken zoals ik ook mango ontwijk: met overtuiging. Hier woont echter een man die wél graag weet wat er in de wereld gebeurt, dus af en toe vang ik toch iets op.

Waarom ik het nieuws mijd is simpel: ik word er beroerd van. Het lijkt soms alsof de wereldredactie een wedstrijd “Wie brengt het meest deprimerende item?” speelt. Beelden van mensen die tussen de brokstukken van hun oude leven staan, blijven dagen in mijn hoofd rondspoken. En na de zoveelste aanslag loop ik rond met een cocktail van verdriet, angst en verontwaardiging waar geen parasolletje tegenop kan. En dan heb ik het nog niet eens over bepaalde "wereldleiders."

Struisvogelgedrag? Nee hoor. Ik noem het emotionele zelfbescherming. Als ik alles zou volgen wat er misgaat op aarde, zou ik alleen nog maar in foetushouding onder een dekentje liggen. Niemand die daar beter van wordt. Dus kies ik bewust voor lichtheid, vrijheid en een beetje geluk. Negatief nieuws past daar simpelweg niet bij.

Natuurlijk zou ik het liefst iedereen gelukkig, gezond en vredig zien. En ja, als ik in mijn eentje de hele natuur kon redden, had ik dat allang gedaan — waarschijnlijk in een charmante cape. Maar dat kan ik niet. Wat ik wél kan, is vrede zoeken in mezelf. Door eerlijk te zijn. Door mezelf aardig te vinden (werkt verrassend goed). Door bij mezelf te blijven, zodat ik ook in mijn omgeving rust kan brengen.

Wrok en haat? Geen tijd voor. Dankbaarheid? Daar heb ik wél een abonnement op. Ik ben dankbaar voor wie ik ben, voor de mensen om me heen — geliefd of minder geliefd, ze zijn allemaal uitstekende leermeesters — voor mijn verleden dat me wijzer maakte, en voor mijn toekomst die vast weer vol verrassingen zit.

Maar het meest dankbaar ben ik voor het nu. Hier leef ik, met de mensen die ik graag zie. En elke dag schrijf ik mijn eigen nieuwsbulletin: één met positiviteit, mildheid en vooral heel veel liefde.

Blijf zacht


Jeugdtrauma

 


Moet ik het gesprek aangaan?

NEE. Ik denk het niet.

Het helen van traumatische jeugdherinneringen is helaas geen duo‑project.

Het is geen knutselmiddagje met lijm, glitter en een kop thee. Dit is solowerk — soms pijnlijk, soms verhelderend, maar vooral: van mij.

Wat het extra ingewikkeld maakt: mijn herinneringen lijken totaal niet op die van mijn broers en zussen. Zij hebben onze opvoeding anders ervaren dan ik.

Fijn voor hen, denk ik dan. Iets minder praktisch voor mij.

Onze ouders deden wat ze konden — ook als dat voor mij voelde als “net niet genoeg”. Als ze hadden geweten wat ik nodig had, hadden ze het vast gegeven. 

(Hoop ik. Denk ik. En laten we dat voor de sfeer gewoon even aannemen.)

Een gesprek kan alleen werken als er aan beide kanten een royale schep zelfreflectie aanwezig is.

En laten we eerlijk zijn: de kans dat iemand zich aangevallen voelt en direct in de standjes verdediging, boosheid of schuldgevoel schiet, is aanzienlijk.

Met als bonus dat ik me opnieuw niet gezien of gehoord voel.

Daar wint niemand de hoofdprijs mee.

Dus ja, ik moet mezelf afvragen: Wat levert het me eigenlijk op?  

Ben ik op zoek naar erkenning?

Naar iemand die zegt: “Je hebt gelijk, dat was niet handig”?

En als ik dan óók nog mijn eigen aandeel moet erkennen… tja. Dat aandeel is eerlijk gezegd nog even zoek.

Hoe neem je verantwoordelijkheid voor iets waarvan je niet eens weet waar het ligt?

Ergens op zolder? Onder de bank? In een doos met kerstspullen?

Uiteindelijk weet ik heus wel: mijn ouders zijn net zo goed producten van hún opvoeding, hún omstandigheden, hún generatie.

Dus ik zie, ik voel, ik heel — en ik laat het zijn.

Blijf zacht voor jezelf


Confessions van een Niet-Poetser

 

Een poetser ben ik nooit geweest. Zal ik ook nooit worden. En eerlijk? Ik slaap daar geen seconde minder om. Begrijp me goed: het is hier thuis geen biologische oorlogszone. Je hoeft niet met laarzen en een helm naar binnen. Maar spik-en-span? Tja… laten we zeggen dat het huis en ik een functionele relatie hebben.

Eén keer in de zoveel tijd krijg ik zo’n vlaag van verantwoordelijkheid, pak ik mijn doekjes en middeltjes, en ga ik los. Dan blinkt alles weer nét genoeg om te kunnen zeggen: “Zo. Klaar. Prima zo.” Want het huis is er voor ons — niet andersom.

Vandaag was zo’n dag. Terwijl ik in de keuken de tegels stond af te nemen (met de energie van iemand die liever iets anders doet), dacht ik ineens terug aan een stel dat ik ooit kende. Mensen die zó schoonmaakfanatiek waren dat je bijna je eigen adem inhield als je bij ze op visite ging.

Je durfde amper “ja” te zeggen tegen een stukje taart, bang dat er een kruimel zou ontsnappen en de vrouw des huizes ter plekke zou bezwijken. Elk jaar werd de hele woonkamer opnieuw gewit, geschilderd én behangen. En eens in de twee jaar kwam er een nieuw bankstel binnen. Niet omdat het oude versleten was — nee, gewoon omdat het kon.

Het huis zag eruit alsof er nog nooit iemand had geleefd. Alles stond er alsof het onderdeel was van een showroom waar je vooral níet aan mocht komen. En oh wee als je een vaasje of beeldje een millimeter verkeerd terugzette.

Ik geef toe: ik deed dat expres. Elke keer. Gewoon een klein tikje. Een subtiel verschuivinkje. Een minieme sabotage. En elke keer hoopte ik dat het de volgende keer nog zo zou staan. Spoiler: natuurlijk niet.

Op een dag zaten we op een feestje — geen idee meer waarvoor — en zag ik tot mijn verbazing de heer des huizes met zijn handen over de keukentegels wrijven. Niet romantisch hoor. Nee, hij checkte of ze nog vetvrij waren.

En ik dacht:

“Wat doe je als ze níet schoon zijn? Ga je ze dan nu, midden in je eigen feestje, staan boenen? Of krijgt je vrouw straks op haar kop als wij weg zijn?”

En precies op dat moment, terwijl ik mijn eigen tegels stond af te nemen, moest ik lachen.

Weet je wat?

Ik stop ermee.

Het is mooi geweest.

De tegels zijn schoon genoeg.

En ik ook.

Blijf zacht voor je tegels

Adrenaline is geen levensstijl (blijkbaar)



Er zijn van die dingen die je al lang weet, maar waar je liever niet te veel bij stilstaat. Voor mij was dat fibromyalgie. De klachten begonnen toen ik zestien was, de diagnose kwam op mijn zesentwintigste. Inmiddels ben ik zestig, en als ik terugkijk zie ik vooral één ding: ik heb jarenlang keihard genegeerd wat mijn lijf me probeerde te vertellen.

Ik leefde op adrenaline. Letterlijk. Ik was de koningin van “doorgaan”, “komt goed” en “even doorbijten”. Mensen zagen nooit hoeveel pijn ik had of hoe uitgeput ik was. En als ik er echt doorheen zat, dan trapte mijn lijf gewoon nog wat extra adrenaline in. Handig, tot het niet meer handig was.

In 2006 overleed mijn toenmalige partner plotseling. Vanaf dat moment ging ik nóg harder rennen. Van stay‑at‑home pleegmoeder naar fulltime werken, vaak meer dan veertig uur per week. Mijn contract zei 32 uur, maar mijn adrenaline zei: “Kom maar, ik doe er nog een schepje bovenop.”

En toen kwam manlief. Hij trok bij ons in, nam taken over en gaf me rust. En precies op dat moment dacht mijn lijf: “Mooi. Dan gooien we nu de stekker eruit.”  

Het resultaat? Een complete shutdown. Een burn‑out waarvan de huisarts zei dat hij die al veel eerder had verwacht. Ik niet, natuurlijk. Ik was toch degene die altijd lachte, praatte en doorging?

Ik werkte toen als taxichauffeuse. De dag voor ik uitviel bracht ik acht kinderen naar school. Ik herinner me alleen het ophalen; de rest is weg. De volgende ochtend begon mijn lijf te trillen alsof ik op een ijsplaat stond. Rijden lukte niet meer. Thuis stortte ik in.

Daarna kwam de mallemolen: ziekmelden, huisarts, ongeloof, geen antidepressiva willen, contract niet verlengd. Mijn dagen bestonden uit slapen, douchen, eten en huilen. Manlief zorgde voor me alsof ik een uitgeputte huisplant was die vooral niet te veel zonlicht moest krijgen.

Heel langzaam kwam ik weer een beetje boven water. De pijn bleef, maar ik leerde ermee omgaan. Na talloze gesprekken en keuringen werd ik afgekeurd. Iedereen vond dat logisch, behalve ik. Het voelde alsof alle vooruitgang onder me vandaan werd getrapt.

Gelukkig bleef manlief me laten zien dat ik ook zonder baan waardevol was. Ik pakte mijn hobby’s weer op, vond plezier in thuis zijn en ontdekte dat rust geen vijand is maar een bondgenoot.

Mijn vertrouwen in mensen had wel een flinke deuk opgelopen. Vriendinnen die geen vriendinnen bleken, pleegkinderen die weg moesten, mensen die me lieten vallen. “Wat ben je veranderd,” zeiden ze. Ja — ik kwam eindelijk voor mezelf op. Dat was even wennen.

Controle houden was altijd mijn manier geweest om grip te krijgen op een leven dat vaak oncontroleerbaar was. Toen de burn‑out toesloeg, verloor ik die controle volledig. Ik moest leren vertrouwen op anderen. Hulp vragen bleek geen zwakte, maar een noodzakelijke les.

Loslaten blijft lastig. Maar ik heb geleerd dat accepteren wie ik ben — inclusief mijn behoefte aan controle — minstens zo belangrijk is als proberen die controle op te geven. En eerlijk? Dat inzicht heeft me meer rust gegeven dan al die jaren adrenaline ooit heeft gedaan.

Blijf zacht




We hebben het er niet graag over he?

 


POEP.

De kleur, geur en consistentie van je poep zegt veel over je gezondheid en wat je gegeten hebt. Tenminste dat is wat de mdl arts (maag-darm-leverarts) mij vertelde. Maar met pds — mijn gezellige prikkelbare darm — is het soms moeilijk achterhalen waar die kleur, geur en consistentie precies vandaan komt. 

Nu zat ik vanmorgen rustig op het toilet mijn ding te doen, toen mij een nogal onaangename geur tegemoet kwam.

Best logisch want, poep bestaat namelijk uit afvalstoffen en het is niet de bedoeling dat we ooit in de verleiding komen er een hapje van te nemen. 

Dit keer echter was de geur van de Rafflesia ( google maar eens als je durft) er als een roosje bij. 

Er is blijkbaar een soort chemische oorlogsvoering bezig in mijn darmstelsel waar zelfs de honden geen poep van lusten. Bovendien plakte mijn drol behoorlijk aan pot én achterwerk.

Stront aan de knikker dus.

Bij mij betekent dat meestal: te veel lactose, gluten, eiwitten of vet. En dat terwijl ik net weer eens mijn dieet probeerde op te pakken. Maar ja, manlief had gisteren zo’n goddelijke maaltijd gemaakt… helaas ook een bommetje vol met alles wat mijn darmen haat.

Het is ook nooit goed.

KAK!

Blijf zacht,..maar niet te.






Lekker!

 En dan ineens heeft manlief zin om mij te verassen met cannelloni gevuld met spinazie en gebakken aubergine. Ohhhhhh bofbips die ik ben!





Chagrijn in de aanbieding

 

Werken in een supermarkt valt in Nederland bijna altijd onder de dienstverlenende beroepen, vooral binnen de detailhandel. Het draait om klantcontact, service verlenen en het ondersteunen van het verkoopproces. Kortom: precies dat waar dienstverlenend werk om bekendstaat.

En laat ik nou net in een supermarkt komen waar ze dat concept enigszins zijn vergeten. De medewerkers hier in de buurt mogen wat mij betreft wel eens een cursus klantvriendelijkheid volgen. Tjongejonge… zo’n concentratie chagrijn op één plek, dat is bijna knap. Het begint al bij binnenkomst. De winkel is nog bijna leeg, personeel staat te vakkenvullen, en ik roep vrolijk “goedemorgen!” — een paar keer zelfs. Een vriendelijk “goedemorgen” terug? Ho maar. Je zou bijna denken dat ik ze vraag om mijn huur te betalen.

Nu moet ik eerlijk zeggen: ze zijn niet allemaal zo. Maar er lopen er een paar rond — mét een leidinggevende functie nota bene — waarvan je denkt: als dit het voorbeeld is, dan snap ik waarom de rest ook niet staat te stralen. Goed voorbeeld doet goed volgen, maar ja… wie ben ik.

Ik heb vroeger zelf in de detailhandel gewerkt, en daar was het heel normaal: je zei goedemorgen, goedemiddag, fijne dag, en als iemand iets vroeg, gaf je gewoon vriendelijk antwoord. Dat jij misschien je dag niet hebt, hoeft de klant niet te merken. Mág de klant niet merken. Die komt voor boodschappen, niet voor jouw donderwolk.

Je kunt denken: maak je niet zo druk. Maar ik merk dat ik daar gevoelig voor ben. Ik weet heus dat het niet altijd makkelijk is hoor, dat winkelmasker opzetten. Maar als je dat écht niet kunt, moet je misschien ander werk zoeken. Ik blijf in ieder geval vriendelijk. En hoe chagrijniger jij doet, hoe overdreven vriendelijker ik word. Pure passief-agressieve zelfzorg.

Blijf zacht

Filosofie in de morgen

 

Om 05.30 uur rol ik met het enthousiasme van een natte dweil uit bed. Fred staat alweer te blèren alsof hij de directeur van de firma BuitenluchtBV is en ik zijn onderbetaalde hulpje. Het is grijs, het is koud, en mijn humeur doet gezellig mee. Wat een gedoe allemaal.

Midden in mijn chagrijn plopt ineens een citaat op dat ik ooit las: 

“Zolang je nog geïrriteerd kunt raken, kun je er zeker van zijn dat iets je gaat irriteren.” 

Nou, bedankt hoor, universum, precies wat ik nodig had: filosofie vóór zonsopkomst.

Maar goed…ik denk toch wat is die irritatie eigenlijk? Waar gaat dit over? Wat probeer ik weg te stoppen? Dat ik me gekwetst voel? Dat ik me klein en onzichtbaar voel als iemand me negeert of kleiner maakt? Wie voelt dat eigenlijk? Wie verzint al die dramatische gedachten en Oscarwaardige innerlijke monologen? En dan hoor ik haar weer: dat kleine, gekwetste meisje dat roept, “Laat me met rust!” Alsof ze in een slechte soap speelt. Maar zodra ik een stap achteruit doe — uit haar mini-drama, uit dat benauwde gevoel — gebeurt er iets.

Heel even, héél even, is er gewoon… nu.

En Fred. Die nog steeds naar buiten wil.

Blijf zacht óók als je geirriteerd bent

Het was me het nachtje wel weer..

Het was weer zo’n nacht waarvan je denkt: ach gezellig, mijn brein heeft een feestje georganiseerd en ik was niet uitgenodigd. Ik werd ongeveer twintig keer wakker, steeds na een powernap van drie minuten met een droom die nergens op sloeg.

Eerst zag ik Manlief serieus in gesprek met Captain Kirk én Spock (ben ik dan nu écht oud?). Daarna zat ik ergens te eten en kreeg ik een stuk karton tussen mijn tanden dat zich daar permanent leek te willen vestigen. En zo ging het de hele nacht door: droom, zweet, Vitruviushouding aannemen om af te koelen, omdraaien, opnieuw beginnen. Ik was basically een menselijke draaimolen.

Je zou denken dat ik ’s ochtends compleet gesloopt zou zijn, maar gek genoeg valt dat mee. Blijkbaar telt al die versnipperde slaap toch op. Al zou ik best eens willen weten hoe het voelt om één lange, volwassen, degelijke nacht te hebben.

Rond een uur of vier werd ik weer wakker, maar dit keer hoorde ik buiten twee merels een soort zangwedstrijd houden. Ik dacht nog: hebben die vogels geen winterjas? Maar eerlijk: ik kan daar zó van genieten. Terwijl ik lag te luisteren naar hun duet, dommelde ik weer weg en sliep tot half negen — zonder rare dromen, zonder karton, zonder Star Trek-cameo’s.

Misschien moet ik voortaan maar met een vogelgeluiden-cd naar bed. Wie weet wat voor nachtrust ik dan krijg. Misschien word ik dan zelfs maar tien keer wakker.

Blijf zacht,...slapen.

H D H D

Ik heb vandaag een echte HDHD-dag. Hele Dag Heel Druk. Tenminste… in mijn hoofd. Daar rent een heel team onzichtbare projectmanagers rond te schreeuwen dat ik nog dit moet, dat wil, en óók nog even zus-en-zo kan doen. Ondertussen loop ik zelf rond als een kip zonder kop die eigenlijk… helemaal niks doet. 

Behalve druk zijn met druk zijn.

Oké, eerlijk is eerlijk: we hebben wél boodschappen gedaan. In drie verschillende winkels nog wel. Drie! Dat is voor mij ongeveer hetzelfde als een marathon, maar dan zonder medaille of applaus. Pfffff. Maar goed, wir haben es geschaft.

Mijn hoofd is inmiddels zo vol dat het bijna met een megafoon staat te tetteren. Concentreren op een gesprek met manlief? Vergeet het maar. Hij praat, ik knik, maar in mijn hoofd staat iemand confetti te strooien terwijl een ander roept: “Wat moesten we ook alweer doen?!”

En mocht je denken dat ik dit stukje er even soepel uit ram — ha! Nee hoor. Je wil niet weten hoe vaak ik zinnen heb herschreven. En hoe lang ik daarover heb gedaan. Mijn delete-knop is inmiddels emotioneel uitgeput.

Maar goed. Eerst een stevig bakkie jus de Brasil. Daarna zie ik wel wat mijn brein besluit. Misschien rust. Misschien chaos. Misschien een spontane behoefte om de sokkenla te reorganiseren. Je weet het nooit met dat ding.

Blijf zacht

Echt luisteren

Luisteren is volgens mij de heilige graal van verbinding. Niet zo’n halfbakken “ja hoor, ik luister” terwijl mijn brein ondertussen de boodschappenlijst afwerkt, maar écht luisteren. Het soort luisteren waarbij de ander zich gezien voelt, alsof je even een menselijke wifi‑verbinding vormt.

Vooral bij manlief is dat essentieel. Als ik hem niet onderbreek (wat al een prestatie op zich is), ontdek ik soms dat er achter zijn woorden hele werelden van gevoelens en behoeften schuilgaan. En ja, dat werkt ook andersom — al zit er bij mij soms een iets luidere ondertiteling onder.

Wanneer ik benoem wat ik hoor of zie, krijgt het gesprek ineens diepgang. Dan zitten we samen in het hier en nu, alsof we een mindful koppel uit een glossy magazine zijn. Door bij mezelf te blijven én hem in zijn waarde te laten, ontstaat er rust. Vertrouwen. Harmonie............meestal.

Want eerlijk: we onderbreken elkaar nogal graag. Alsof onze gedachten limited edition zijn en meteen gedeeld moeten worden voordat ze verlopen. Soms vraag ik me af: vinden we ons eigen verhaal op dat moment gewoon nét iets belangrijker? Of zijn we bang dat we anders niet meetellen in het Grote Gesprek des Levens?

Mijn brein werkt soms sneller dan het gesprek, waardoor ik de neiging heb mijn gedachten er direct uit te gooien. Alsof ze anders oplossen in de atmosfeer en ik ze nooit meer terugvind.

En toen las ik vanmorgen dit juweeltje:

“Onderbreken kan een teken van intelligentie zijn! Mensen die vaak onderbreken zijn vaak creatiever en slimmer. Hun brein loopt simpelweg voor op het gesprek.”

Aha. Kijk. Dat is informatie waar ik wat mee kan.

Dus vanaf nu, als ik manlief weer eens in de rede val, zeg ik gewoon heel liefdevol:

“Sorry schat… mijn intelligentie ging even met me aan de haal.”

Blijf zacht voor elkaar


Spikkeltjes

Het was augustus 2016 toen onze huisarts, met een gezicht alsof ze zojuist had ontdekt dat de wereld verging, ineens op onze bank zat. Een week eerder had ik het bevolkingsonderzoek borstkanker gehad, en nu vertelde ze dat er “iets” in mijn borsten gezien was. Spikkeltjes. Ze had zelfs al een afspraak gemaakt bij de Mammapoli. Iedereen gespannen. Behalve ik. Ik voelde het meteen: dit was niks. Geen borstkanker. Punt.

Dus ik naar de Mammapoli, waar ik zó vriendelijk werd ontvangen dat ik bijna vergat waarvoor ik kwam. Nieuwe foto’s moesten er komen. Veel foto’s. Mijn borsten werden vanuit elke denkbare hoek vastgelegd — National Geographic zou er jaloers op zijn. En ja hoor, daar gingen ze weer: fijn geplet tussen twee ijskoude platen. Elke keer denk ik: wie heeft dit apparaat ontworpen en waarom haat die persoon vrouwen.

Maar goed, het was voor een goed doel. Al vraag ik me nog steeds af hoe gezond het is om borsten zo plat te drukken dat je ze bijna als pannenkoek kunt serveren.

Na grondig onderzoek kwam de conclusie: kalkjes. Jawel. “Mevrouw, u heeft kalkjes.” Alsof ik een slecht ontkalkte waterkoker was. Ze wilden het wel goed in de gaten houden, dus mocht ik drie jaar lang elk half jaar terug om opnieuw geplet te worden. En ja hoor: het bleven kalkjes.

Nu ligt er weer een nieuwe afspraak op de mat. Niet van de Mammapoli, maar van het officiële bevolkingsonderzoek. En ik vraag me serieus af waarom ik mezelf dit blijf aandoen. Natuurlijk weet ik dat het verstandig is. Beter vroeg dan te laat — ik ken genoeg verhalen die anders afliepen.

Maar toch. Ik snap nog steeds niet dat wij vrouwen dit allemaal maar slikken. Er bestaat een pijnloze methode. Maar ja… dat zal wel weer te duur zijn. Want laten we eerlijk zijn: money in the pocket is blijkbaar belangrijker dan comfortabele borsten.

Blijf zacht, ook voor je borsten.

Bankhangen

Heb je wel eens gegoogeld op iets als “ik heb een nergens-zin-in-dag” of “waarom heb je soms ineens zo’n dag”? Je weet wel, zo’n dag waarop je moreel kompas alleen nog wijst naar koffie en een boterham. Niet somber, niet depri, gewoon… uit. De batterij is leeg, maar het lampje knippert nog net.

Maar zodra je online zoekt, word je meteen het diepe in geslingerd met dingen als “Ben ik in een burn-out?” of “Wat als je depressief bent?” Rustig aan, Google, ik wilde alleen weten waarom ik vandaag functioneer op het niveau van een luie kat in de zon.

Want eerlijk: wat is er mis met een dagje bankhangen? Ik zit hier al uren. Beetje scrollen, muziekje aan, verwarming op standje knus, af en toe een praatje met manlief. Klinkt voor mij als een prima dagbesteding. Iedereen heeft toch wel eens zo’n dag waarop je innerlijke motivatie op vakantie is zonder door te geven waarheen?

Ik vroeg me gewoon af waarom je soms zo’n dag hebt. Misschien probeert mijn lichaam iets te zeggen. Misschien heb ik te veel gedaan. (Lijkt me sterk.) Misschien heb ik te weinig groente gegeten. (Ook mogelijk, maar laten we dat onderwerp parkeren.)

Voor nu geniet ik vooral van het glorieuze nietsdoen. Het bevalt me uitstekend.

Blijf zacht zitten.

Even aarden

 

Ik lijk wel niet goed wijs. Eén warmere dag, één verdwaalde zonnestraal, en hoppa: mijn brein verandert in een plaatjes‑waterval. 

We hadden ons voorgenomen dat dit jaar zou draaien om reiniging, verfijning en vernieuwing. 

Nou… missie geslaagd, want de plannen stromen inmiddels zo hard dat het meer op een kolkende rivier lijkt dan op een rustig beekje. 

Ik wil het hele huis een deep clean geven. Niet alleen met sop, schuim en stofdoek, maar ook energetisch. 

Moet alleen nog even bedenken wat handiger is: eerst de energie of eerst de stofnesten. (Waarschijnlijk maakt het universum zich er niet druk om, maar ik wel.) 

Daarna willen we een muur en de raamkozijnen van de huiskamer schilderen. En zodra die muur droog is, komen er fotolijstschapjes. 

De lijsten en foto's liggen al klaar.

Dan ga ik eindelijk weer kamerplanten aanschaffen. Want eerlijk: de planten die we nu hebben… die leven nog net, maar meer uit beleefdheid dan overtuiging. 

Toen ik nog op de flat woonde had ik minimaal 60 à 70 weelderige planten. Hier staan er 11 die elkaar fluisterend moed inspreken. Ze doen hun best, maar daar is alles mee gezegd. Ander huis, andere regels. Alleen heb ik die dus nog steeds niet door.

Ook de kozijnen en deuren van de keuken roepen al een tijdje om aandacht. En verf. Vooral verf. 

En dan… de tuin. 

Het liefst beginnen we nog vóór het voorjaar, want waarom wachten tot het logisch is. 

De kattenren krijgt een aanbouw, inclusief kattenbakkenkamer, extra dakplaat en een heus kattenhuis. 

Verder komt er een wadi‑achtige waterloop, dus er moet worden gespit, verplant, geplant, gesjouwd met stenen. 

Het hek van de voortuin stort bijna in pure wanhoop uiteen, dus dat moet opgeknapt worden. 

En natuurlijk komen daar ook nieuwe planten, want waarom niet nóg meer groen om in leven te houden. 

En nu sta ik dan, met mijn blote voeten in het dauwnatte gras. Ik haal drie keer diep adem en luister naar wat er uit mijn onderbuik opborrelt—ook al is dat soms meer buikgerommel dan wijsheid. 

De echte uitdaging? Me niet laten meesleuren in grootse plannen. 

Beter klein. Mini‑aanpassingen brengen me verder dan grootse visioenen. 

Ik ga stap voor stap, vertrek van waar ik nu sta (in dat natte gras dus) en zorg dat het een beetje comfortabel blijft. 

Sterker nog: het mag leuk zijn. 

Ik kies kleine stappen die haalbaar zijn, dingen die ik morgen al kan doen. 

En over een jaar kijk ik terug en denk ik: kijk mij nou, met mijn blote voeten en mijn stille revolutie.

Blijf zacht staan

Lachen wij samen om grappen die niemand anders lijkt te begrijpen?

 


Jazeker!

Het voelt soms alsof we een eigen geheime taal hebben — eentje die alleen werkt als we dicht bij elkaar zitten, misschien met een kop koffie, misschien met een blik die al genoeg zegt. 

Onze humor is niet zomaar een grapje; het is de vonk die telkens opnieuw oplaait.

Voor ons staat humor symbool voor de kwaliteit van onze relatie. 

Wij willen lachen met elkaar, omdat dat nu eenmaal is hoe wij liefhebben: speels, warm en een tikje ondeugend. 

Samen lachen maakt ons gelukkiger én succesvoller als duo. 

Onze gedeelde gevoel voor humor is net een soort liefdesvitamine — eentje die je niet kunt kopen, maar die we zelf blijven aanmaken zolang we elkaar blijven plagen, kietelen met woorden en plezier blijven zoeken.

Je zou denken bij humor in relaties aan stellen die elkaar non-stop voor de gek houden, maar voor ons is het veel belangrijker dat we elkaars humor écht leuk vinden. 

Dat we samen plezier creëren, alsof we een klein universum aan het bouwen zijn waar alleen wij de regels bepalen.

Wanneer wij samen kunnen lachen, bevestigen we onze band. Het is nooit kwetsend — het is een zachte aanraking in de vorm van een lach. Het pad van onze relatie, eentje die stevig staat én licht aanvoelt.

Samen lachen betekent voor ons: wij zitten op dezelfde golflengte, wij begrijpen elkaar, en ja — wij vinden elkaar gewoon heel erg leuk. Het uitwisselen van grappen en gegiechel is misschien wel onze liefdestaal. Een uitnodiging die fluistert: “Ik kies jou. Kies jij mij ook?”

Lachen is ons teken van positieve relatiegevoelens zoals vreugde, blijheid met elkaar en een optimisme dat ons telkens weer naar elkaar toe trekt.

Blijf zacht voor elkaar

Koken......'t is dat het moet

 

Het is niet dat ik het mij niet leuk lijkt om een lekker gerecht uit een kookboek te maken, maar zodra ik links op de pagina een kolom zie met minstens veertig ingrediënten, klap ik dat boek sneller dicht dan een kat omhoog springt die een komkommer ziet. Waarom moet het altijd zo ingewikkeld zijn? De bereidingswijze beslaat vier pagina’s, en driekwart van de ingrediënten heb ik echt nog nooooooit in mijn keukenkastje gezien.

Hoe vaak ik het me ook voorneem: maaltijden vooruit plannen doe ik dus bijna nooit. Ik besluit meestal pas een half uur voor het avondeten wat we eigenlijk willen eten. Dat betekent dat we — voor ons gevoel — altijd weinig tijd hebben om te koken, willen we tenminste nog een beetje op tijd eten (hongerrrrr!). Dus kiezen we meestal voor eenvoudige gerechten. Heel eenvoudig. Soms zelfs té eenvoudig.

In sommige keukens zie je hele stapels kookboeken liggen. Soms is er zelfs een speciale standaard voor, alsof het een soort heilige schrift is. Heel leuk om te zien! Bij ons zijn kookboeken echter zeldzamer dan eenhoorns. Als we er al eentje krijgen, staat ’ie jarenlang te verstoffen in de kast, totdat het boek uiteindelijk een enkeltje kringloopwinkel krijgt. Wat moet ik er eigenlijk mee? We nemen ons altijd voor om er “een keertje iets uit te maken”, maar dat keertje komt dus nooit.

En dan die kruidenpotjes. Heel leuk hoor, al die vrolijke etiketten en geurtjes, maar ik durf er niet mee te experimenteren. Ik weet namelijk vaak echt niet welke kruiden je met elkaar kunt combineren en in welke hoeveelheden. Voor je het weet heb ik een gerecht gemaakt dat smaakt alsof ik er per ongeluk een parfumtester in heb gemikt.

Blijf zacht,....zelfs als je overkookt.