Ochtendhumeur op pootjes

Het is nog schemerig buiten. Misschien net zes uur of zo. Heel langzaam dringt het tot me door.  “MRAAAAUWWW!” 

Met een zucht draai ik me om. Hij stopt zo vanzelf wel, denk ik.  

Zoiets noemen ze dus “wishful thinking”.

“MRAAAAUWWW!”  Nee Fred, ik wil nog even slapen.

“MRAAAAAAAUUUUUWWWWW!!!”

En daar is het hoor: hoppa, ochtendhumeur.  Sjagerijnig storm ik uit bed. Ik smijt wat brokjes in zijn bak, zet hem met bak en al in de ren.  “Zo. Zoek het maar even uit.”  

In mijn hoofd probeer ik te relativeren, maar mijn humeur doet niet mee. Verpest is het. Maar hoe komt dat eigenlijk? Dat je humeur zo bepaald wordt door hoe je wakker wordt?

Cortisol! 

Dat is de grote boosdoener.  Wat moeten we ook met dat goedje.  Maar zoals alles in ons lijf ergens goed voor is, is cortisol óók goed voor je.............Blijkbaar.

Cortisol is een stofje dat je lichaam zelf maakt. Het komt uit twee kleine “hoedjes” bovenop je nieren: de bijnieren.

Het helpt je echt met van alles:  

- je energie regelen  

- je slaap‑waakritme  

- je afweer  

- je stofwisseling  

En als je schrikt, je zorgen maakt of iets spannends moet doen, maakt je lichaam extra cortisol aan. Dat is handig, want dan heb je meteen energie om te reageren.  Eigenlijk is cortisol een soort“help‑me‑even‑door‑de-stress-heen”‑stofje.

’s Ochtends maakt je lichaam sowieso al extra cortisol aan om je wakker te krijgen.  Maar als je dan óók nog eens wordt wakker geschreeuwd door een kat…

dan gebeurt er dus dit:

“MRAAAAUWWW!” 

Ik schrik. PINGGG! cortisol omhoog. Mijn lichaam denkt: “O jee, er is iets! Actie!”  Mijn brein schiet in de ochtendpaniek-modus: “Waar is die kat? Waarom nu? Waarom ik? Waarom zó vroeg?”

En omdat cortisol eigenlijk bedoeld is om me rustig wakker te laten worden — beetje bij beetje — gaat het nu in één klap naar standje actie.  

En dat voelt… nou ja… als ochtendhumeur.

In kattentaal betekent “MRAAUW” gewoon:  “Het is ochtend. Ik leef. Jij leeft. Brokjes graag.” Dat voelt gewoon veel erger dan een wekker.  Een kat heeft geen snooze‑knop.  Kijkt niet op de klok.  Heeft geen respect voor mijn circadiaan ritme. En vindt vooral dat ik zijn personeel ben.

Dus terwijl mijn cortisol roept:  “Help, we moeten nú iets doen!”, roept mijn humeur: “Had dit niet een uurtje later gekund.”

Maar gelukkig zakt cortisol ook weer.  

En zodra Fred me overladen heeft met koppies, tevreden naast me gaat liggen slapen, ik mijn eerste koffie op heb, komt mijn lichaam weer terug in de ruststand en denk ik: “Ach ja… hij is ook wel weer lief.”

Zo begon mijn dag weer precies zoals Fred hem bedoeld had: met drama, brokjes en een lesje biologie.

Katten,.....je moet wel van ze houden. Toch?



Blijf zacht, ook als de ochtend even niet meewerkt.





De dag dat mijn zenuwstelsel ontslag mag nemen

Ik wist het al een tijdje: de buurvrouw gaat haar achtertuin aanpakken. Nieuwe terrassen, plantenbakken, alles strak en netjes. Gisteren ging het groen eruit, vandaag is het terras aan de beurt.

En natuurlijk wist ik óók wel dat daar een trilstamper bij komt kijken. Zo’n apparaat dat klinkt alsof iemand een kudde net beslagen paarden door een metalen container jaagt. Maar toch — ik was binnen drie minuten al overprikkeld.

Mijn eerste reactie: de radio aan.

Mijn tweede reactie, drie seconden later: de radio weer uit.

Blijkbaar dacht mijn brein dat herrie + herrie = rust. Wiskundig gezien een interessante poging, praktisch gezien een auditieve nachtmerrie.

Toen het lawaai eindelijk stopte, begon mijn lijf pas echt. Alles doet pijn. Mijn fibro-lijf is op zulke dagen net een dramatische diva die op de grond gaat liggen en gilt: “Ik kan echt niet werken onder deze omstandigheden! Ik wil zon! Wie heeft de warmte uitgezet?! Waar is mijn kleedkamer?!”

Nou ja, ze heeft een punt. Het frisse weer helpt ook niet. Mijn spieren verlangen naar zon en warmte alsof ze apart van mij geboren zijn op een tropisch eiland.

Ik wilde vandaag nog van alles doen — in huis, in de tuin, we zouden even weggaan. Maar mijn zenuwstelsel staat al uren in de aan-stand, mijn energie is gevlucht en mijn hoofd zit vol ideeën die nergens heen kunnen. Alsof er een hele vergadering in mijn hersenen plaatsvindt, maar niemand de notulen bijhoudt.

En dus zit ik hier op de bank. Pijn, moe, prikkelbaar, maar wel met uitzicht op een buurvrouw die straks een prachtig terras heeft.

Mijn dag ligt wonkie, maar haar tegels in elk geval niet.



Blijf zacht

(morgen is er weer een dag)




De ruimte tussen de woorden

Het is weer eens belachelijk vroeg wanneer Fred begint te drammen dat hij eten wil en naar buiten moet. Nog voordat ik beneden ben, schiet het door me heen dat ik iemands verjaardag ben vergeten. Dus na mijn kattenmoedersplicht stuur ik alsnog een berichtje.

Even later komt er een antwoord terug. Kort. “Dank U wel, mevrouw.”  

Wel met een emoji. Dat dan weer wel.

Maar nog voordat ik het scherm neerleg, voel ik iets in mij aanspannen. Een lichte druk in mijn borst, een oude reflex die sneller is dan mijn adem. Mijn hoofd vult het gat al op: Hij is vast geïrriteerd. Ik had gisteren moeten bellen. Misschien had ik anders moeten reageren.

Het gaat zo snel dat ik het zelf bijna niet merk — mijn brein zet een automatische ondertiteling aan onder een tragikomische film die nog niet eens begonnen is. De kamer is stil, maar in mij wordt het druk.

Ik kijk nog eens naar het berichtje en ergens weet ik: dit is niet de werkelijkheid. Dit is mijn snelheid.

Dit is het moment waarop ik mezelf betrap.  

Niet hard, niet verwijtend, maar alsof iemand een hand op mijn schouder legt en zegt: “Wacht even dame. Dit verhaal schrijf je zelf.”

Mijn gedachten rennen nog even door, uit gewoonte, maar het momentum is gebroken. De automatische piloot hapert. Er komt ruimte tussen het berichtje en mijn interpretatie — een dunne, maar voelbare scheur in het verhaal dat ik net nog geloofde.

Ik leg mijn telefoon neer en adem één keer dieper dan normaal. Niet om mezelf te kalmeren, maar om mezelf terug te halen.

Adem in, adem uit.

De stilte klinkt weer als stilte. De woorden “Dank U wel, mevrouw” worden weer gewoon woorden. Geen oordeel, geen lading, geen verborgen boodschap. Alleen een feit.

En in die vertraging voel ik hoe mijn lichaam ontspant, hoe mijn gedachten zachter worden, hoe de werkelijkheid weer terugkomt. Niet spectaculair, niet groots — maar precies genoeg om mezelf te bevrijden uit het verhaal dat ik bijna was gaan geloven.

Wat me steeds weer opvalt, is hoe weinig er nodig is om aannames te maken. Een gezichtsuitdrukking, een zin, een handgebaar — meer is er niet nodig om oude reflexen wakker te maken.

Gelukkig zie ik het vandaag snel. Geen groot inzicht, geen ingewikkelde oefening, maar een paar seconden eerlijk kijken.

Het is bijna olympisch hoe snel mijn hoofd verhalen maakt, en hoe zacht ze oplossen zodra ik ze durf te zien voor wat ze zijn: echo’s van vroeger, automatische bewegingen die me willen beschermen maar me soms juist van mezelf weghalen.

In die kleine vertraging neem ik mezelf weer bij de hand en denk: de werkelijkheid is vaak eenvoudiger dan mijn gedachten, en tegelijk rijker dan mijn aannames.

Misschien is dat wel de grootste rust die ik mezelf kan geven: de ruimte om niet meteen in te vullen, maar te blijven bij wat er werkelijk is.

Soms is dat alles wat nodig is.


Blijf zacht.





Hokjes

Het biologische mechanisme

Categoriseren is een oerfunctie. Je brein wil vooral weten: veilig of gevaarlijk, bekend of onbekend. Hokjes zijn dus eigenlijk primitief overlevingsgereedschap.  

Alleen… dat gereedschap is zo subtiel als een voorhamer. Het werkt snel, maar niet bepaald verfijnd.


Voor iedereen die niet in één vakje past — dus voor ons allemaal.

Ik las vanmorgen iets over homoseksualiteit en “wat dat met je doet”.  Alleen al die vraag. Wat moet het anders met je doen dan: mens zijn?  Maar goed — ik betrap mezelf er ook op. Ik ben net zo’n hokjesfabriek als ieder ander.

Eerlijk gezegd: je kunt het je brein niet eens kwalijk nemen. Het is geen neutrale databank, het is een overlevingsmachine. Zonder dat mechanisme zou je binnen een uur huilend onder een tafel liggen omdat je niet weet wat je met al die prikkels moet.

Dus wat doet je brein? 

Alles wat ook maar een beetje op elkaar lijkt, wordt in één bakje gegooid. Lekker efficiënt. Als je alles in nuance zou opslaan, zou je nog steeds staan te twijfelen of die leeuw misschien  gevaarlijk is, terwijl hij al aan je linkerbeen is begonnen.

Efficiënt, ja. Maar efficiëntie is niet altijd rechtvaardig.

Volgens mij begint het allemaal met taal. Alles heeft een label gekregen: man/vrouw, jong/oud, normaal/anders, wij/zij. Het maakt de wereld overzichtelijk, en overzicht voelt veilig.

Maar taal is ook een soort sociale liniaal. En sommige mensen gebruiken die liniaal alsof ze de klas moeten controleren.  

Liever de hamer dan de spijker — dat idee.

Waarom het soms zo benauwend voelt

Hokjes geven veiligheid, maar ze zijn meestal te klein. Je mag maar één ding zijn: gevoelig óf sterk, rationeel óf intuïtief, introvert óf extravert.  

Alsof je een soort menselijk keuzemenu bent. Je brein vergeet dan even dat je in tientallen hokjes tegelijk past — en soms in geen één.  En ik denk dat hoe meer je anderen in hokjes stopt, hoe minder rust je zelf hebt. Het is paniekmanagement in nette verpakking.

Groepsvorming werkt hetzelfde: wij horen bij elkaar, jij valt erbuiten.  

Taal dwingt ons in categorieën. Normen en waarden maken gedrag voorspelbaar, maar laten weinig ruimte voor nuance. En nuance is nou net waar de meeste mensen wonen.

Zijn hokjes dan helemaal niet handig?

Jawel. Voor systemen zijn hokjes fantastisch. Administratie, statistiek, beleid — allemaal dol op vakjes. Maar voor mensen zijn ze te klein geworden. We passen niet meer in één categorie, hoe graag sommige mensen dat ook zouden willen. En daar begint volgens mij de frictie.

Veiligheid voor alles

Hoe onzekerder iemand zich voelt, hoe meer hokjes hij nodig heeft om de wereld een beetje overzichtelijk te houden. Alsof je met labels kunt voorkomen dat het leven onverwachte bochten maakt. Maar hoe sneller en efficiënter alles moet, hoe meer we elkaar in vakjes duwen die eigenlijk allang te klein zijn. En voor je het weet zit je zelf ook weer te puzzelen waar je in hemelsnaam thuishoort — terwijl je dat natuurlijk allang wist.

En zo blijft er minder ruimte over voor het rommelige middengebied waar echte mensen leven.



Blijf zacht