Menselijkheid is geen beroepsfout


Tijdens mijn ochtendscrolsessie kom ik een bericht tegen van een huisarts. Ze begon met: “Sommige mensen vinden dat een dokter dit niet hoort te delen, ik ben benieuwd naar jullie mening.”

Blijkbaar kunnen sommige volgers het niet waarderen wanneer zij iets deelt over haar privéleven. Iemand noemde het zelfs “ongewenste intimiteit”. Ik heb met stijgende verbazing zitten lezen wat er allemaal tegen deze huisarts werd gezegd. Ongewenste intimiteit??? En jouw post over je uitje met vriendinnen — is dat niet?

Het zette me aan het denken. Ik word geboren als mens, volledig geaccepteerd. Ik groei op met mijn eigenaardigheden, deel vrolijk wat ik eet, waar ik dans, welk festival ik bezoek. Helemaal prima.

Dan kies ik een dienstbaar beroep — iets dat bij me past, mensen helpen, beter maken. En ineens, zodra ik afgestudeerd ben, mag ik niet meer de mens zijn die ik altijd al was?

Wat beweegt mensen om te denken dat alleen zij recht hebben op het delen van wat hen bezighoudt? Zodra je een dienstbaar beroep hebt, of erger nog: een bekende Nederlander bent, mag je wel delen maar vooral niet te veel. Anders ben je een aandachtszoeker, of iemand die “ongewenste intimiteit tentoonstelt”. Je hebt ineens een voorbeeldfunctie en moet ophouden met gewoon mens zijn.

Maar wie bepaalt eigenlijk wat normaal en geaccepteerd is?

Als mijn huisarts op de socials wil delen hoe fijn haar festivalweekend was met de meiden — bij wijze van — dan moedig ik dat alleen maar aan. We zijn tenslotte allemaal gewoon mensen. Ongeacht afkomst, status, beroep, weet ik wat.

We vragen mensen om mens te zijn, tot ze zichtbaar worden — dan moet het ineens steriel. Wat een vreemde vorm van hygiëne.

Misschien raakt dit me zo omdat ik zelf zo geloof in de kracht van gewone menselijkheid. In het idee dat we elkaar beter maken door zichtbaar te zijn — niet door onszelf weg te poetsen. En het is eigenlijk best bijzonder: we willen dat dokters ons zien als mens, maar zodra zij zichzelf laten zien, vinden we het ongepast. Dat noem ik gewoon eenrichtingsverkeer.

Precies daar schuurt het voor mij. We willen wel gezien worden, maar niet gespiegeld. Terwijl menselijkheid geen beroepsfout is, maar een kwaliteit.

En in een wereld die al zo vaak hard klinkt, lijkt het me gezond als we elkaar wat menselijkheid blijven gunnen. Ook — en misschien juist — aan de mensen die voor ons zorgen.


Blijf zacht.








Pas op de plaats, maar niet stilstaand

Ik plaatste vanmorgen een blog over geen vriendin zijn of willen zijn. Over hoe een luisterend oor soms het meest waardevolle is wat je kunt geven. Maar nu ik herstellende ben van een longontsteking merk ik dat zelfs mijn luisterend oor op de pauzeknop is gegaan. Niet uit onwil, maar omdat mijn lijf simpelweg even geen ruimte heeft voor de wereld buiten mijzelf.

Het valt me zwaarder dan ik dacht. De antibiotica heeft uitstekend haar werk gedaan: het hoesten is minder, en veel minder intensief. Maar wat die longontsteking verder met mijn lijf heeft gedaan, is meer dan ik had voorzien. Mijn benen voelen als blubber — als ik ze al voel. De trap oplopen lijkt op het beklimmen van de Mount Everest. Niet dat ik dat ooit heb gedaan, of de ambitie voel om dat te doen, maar ik kan me er een voorstelling van maken. Het soort inspanning waarbij je halverwege denkt: dit gaat me nooit lukken, en toch zet je nog één stap.

Na vragen aan ervaringsdeskundigen ben ik erachter gekomen dat dit nog heel lang kan duren. Zelfs wanneer je longen al maanden hersteld zijn, kun je nog last hebben van de naweeën. Dat idee moet ik even laten bezinken. Natuurlijk ken ik vermoeidheid door de fibromyalgie, maar dit is van een totaal ander level. Dit is vermoeidheid die niet alleen in je spieren zit, maar in je botten, je adem, je gedachten. Elke stap, elke beweging moet ik afwegen: kan mijn lijf dit nu aan, of kan ik beter nog even rusten?

En daar zit meteen de worsteling. Ik ben iemand van het positieve — niet te snel bij de pakken neerzitten, altijd kijken wat er wél kan. Maar als je na het ophangen van een wasje al het gevoel hebt dat je de Rotterdamse marathon hebt gelopen, is dat niet makkelijk. Er blijft weinig over voor iets anders. De dag wordt een reeks kleine keuzes: dit wel, dat niet, nu even zitten, straks misschien weer proberen.

Toch merk ik dat er, ergens onder die blubberbenen en die vermoeide adem, een soort koppige hoop zit. Een stemmetje dat zegt: je hoeft niet alles, maar je kunt altijd iets. En dat iets is vandaag misschien alleen een kop thee zetten, of een paar zinnen schrijven, of simpelweg erkennen dat mijn lijf om rust vraagt. Dat is geen opgeven. Dat is luisteren — dit keer niet naar een ander, maar naar mezelf.

Dus ja, ik moet opnieuw pas op de plaats maken. Niet omdat ik wil, maar omdat mijn lijf het nodig heeft. En toch ga ik niet bij de pakken neerzitten. Ik beweeg mee, ik vertraag, ik kies zorgvuldig. En ik vertrouw erop dat elke kleine stap, hoe wankel ook, uiteindelijk weer leidt naar een dag waarop mijn luisterend oor niet meer op de pauzeknop staat, maar zachtjes zegt: ik ben er weer.



Blijf zacht, vooral voor jezelf.





Geen vriendin, wel een luisterend mens


Ik heb blijkbaar een soort magneet aan mijn aura hangen. Niet eentje die geld aantrekt, of andersoortige rijkdom — nee, ik lijk een magneet te zijn voor vrouwen die hun diepste geheimen willen delen.  

Ik vraag er niet om.  Ik vis er niet naar.  Ik ben geen wandelende biechtstoel, geen therapeut, geen vertrouwenspersoon met een uurtarief. Ze fluisteren, zuchten, vertrouwen me dingen toe die nog nooit aan iemand anders verteld hebben… en dan, ergens in dat gesprek, gebeurt het: 

“Jij bent echt mijn vriendin.” 

BAM! Daar voel ik mij meteen intern struikelen.

Blijkbaar straal ik iets uit dat veilig voelt. Dat is mooi, maar soms ook erg ingewikkeld.

Alleen dat zinnetje al:

“Jij bent echt mijn vriendin.”

Ik voel iets in mij verschuiven. Niet boosheid, niet afkeer, maar een soort interne kramp. Alsof iemand een jas over mijn schouders legt die niet van mij is. Een jas die warm bedoeld is, maar die mij meteen te strak zit.

Ik heb geen vriendinnen. Ik wil geen vriendinnen. Ik ben geen vriendin.

Niet omdat ik mensen niet mag, niet omdat ik kil ben, maar omdat dat woord voor mij een hele rugzak aan verwachtingen met zich meedraagt. Een vriendin is iemand die belt, die bijblijft, die meeleeft, die beschikbaar is, die wederkerigheid biedt. Een vriendin is een rol, een afspraak, een soort sociaal contract.

En ik ben goed in luisteren, maar heeeeeeeel slecht in contracten.

Ik kan prima naast iemand zitten terwijl ze hun hart luchten. Ik kan geheimen bewaren alsof ikzelf de kluis ben. Ik kan mild kijken naar iemands worstelingen, zonder oordeel, zonder haast. Maar zodra het label “vriendin” valt, lijkt het alsof er ineens een abonnement wordt afgesloten waar ik nooit om heb gevraagd.

Ik ben geen vriendin in de klassieke zin.

Ik ben iemand die luistert wanneer het nodig is, die aandacht geeft zonder verplichting, die warmte biedt zonder dat daar een sociale rol aan vastzit. Dat is voor mij de vorm die klopt. Wie mij iets toevertrouwt, krijgt precies dat — zonder label, zonder contract, zonder verwachtingen.

Gewoon omdat ik een luisterend oor heb.

Dat is voor mij precies genoeg.



Blijf zacht




Hoesten, hijgen en een diagnose die we niet zagen aankomen

In plaats van dat we ons langzaam beter gingen voelen — zoals je bij een doorsnee verkoudheid toch mag verwachten — gingen we met de dag verder kopje‑onder. Ik hoestte zó heftig dat ik er soms van moest overgeven, en zodra ik ging liggen kreeg ik het benauwd. Dat triggerde dan weer nieuwe hoestbuien. Een soort cirkel van ellende, maar dan zonder de glamour.

Op een gegeven moment begon ik er zelfs van te hyperventileren en kreeg ik een kleine paniekaanval. Godzijdank voor manlief, die me al pratend weer terug loodste naar een normaal ademritme. Hijzelf voelt zich vooral gewoon beroerd en doodmoe. De zakdoekjesfabriek draait dankzij ons inmiddels waarschijnlijk een extra ploegendienst.

Na een nacht zittend op de bank, een nieuwe hoestbui van olympisch niveau en een stem die besloot er spontaan vandoor te gaan, vonden we het welletjes. Huisarts gebeld. Misschien kon die iets voorschrijven tegen hardnekkige verkoudheden.

Maar de huisarts wilde ons eerst even zien. En dat was maar goed ook.

Blijken we dus potjandosie — allebei nog wel — longontsteking te hebben. Schijnt dat je niet altijd pijn in je longen hoeft te voelen bij een longontsteking. Wisten wij veel.




Blijf zacht en adem rustig door