Fred ons hartekind en Hannah ons prinsesje

Niet omdat ik niet wil

Manlief sleept me wel eens mee.

Niet letterlijk hoor… dat zou een beetje gek zijn. Maar er zijn dagen dat ik het moeilijk vind om iets te ondernemen. Laat mij maar lekker thuis. Daar is het warm, overzichtelijk en vooral: voorspelbaar.

Wat veel mensen niet weten, is dat ik een ingebouwde vertrekvertraging heb.

Waar anderen gewoon opstaan, jas pakken en gaan, moet mijn systeem eerst een interne vergadering beleggen. En geloof me: dat is geen klein comité.

Eerst komt de afdeling Energiebeheer bijeen: "Kunnen we dit wel aan? Hoe ver is het lopen? Is er een stoel? Is er schaduw? Is er koffie?"

Daarna schuift Pijnmanagement aan: "Wat als ik toch ineens meer pijn krijg? Wat als we te lang moeten staan? Wat als er onverwacht een hoge trap opduikt?"

Dan komt Prikkelverwerking binnen met een map vol waarschuwingen: "Drukte! Geluid! Mensen! Onvoorspelbare situaties!"

En tot slot verschijnt Comfort & Gezelligheid, die steevast zegt: "Maar thuis is het ook leuk. Waarom zouden we überhaupt weggaan?"

Tegen de tijd dat al die afdelingen hun zegje hebben gedaan, staat manlief al bij de voordeur.

"Nou, ga je mee?"

En dan moet ik dus tegen mijn eigen interne bureaucratie in besluiten dat ik tóch ga.

Geen wonder dat ik soms mopperend mijn schoenen aantrek. Ik ben net een klein ministerie dat wordt overruled door één glunderende minister-president.

En eerlijk gezegd zit daar best een logica achter.

Veel mensen denken dat het uitje zelf het moeilijkste is. Het lopen, de drukte of de vermoeidheid achteraf. Maar voor mij zit de grootste hobbel meestal vóór de voordeur. Mijn brein en mijn lijf leven namelijk niet helemaal in dezelfde tijdzone. Voor mijn brein is "even ergens heen gaan" een vrij neutrale gedachte.

Voor mijn lijf is het een investering.

En dat maakt elke beslissing een klein rekensommetje. Niet omdat ik bang ben voor de wereld, maar omdat ik vooraf moet inschatten wat iets gaat kosten terwijl ik dat pas achteraf echt weet.

Gek genoeg kost het moment van opstaan, schoenen aantrekken, jas pakken en daadwerkelijk vertrekken vaak meer energie dan het uitje zelf.

Thuis weet ik precies waar ik aan toe ben.

Ik weet hoe warm het is. Waar ik kan zitten. Hoeveel prikkels er zijn. Wanneer ik even rust kan nemen.

Buiten is dat allemaal variabel. Misschien valt het mee. Misschien niet. Misschien is er koffie. Misschien ook niet.

En onzekerheid kost energie, nog voordat er iets gebeurd is.

Daar komt nog iets bij. Ik ben iemand die graag meedoet, maar niet graag moet.

Als manlief zegt: "Kom, we gaan even weg," dan ontstaat er iets vanzelf. Maar als ik zelf moet plannen, afwegen, organiseren en vooruitdenken, verandert een simpel uitje al snel in een mentale puzzel. En puzzelen kost energie die ik eigenlijk liever ergens anders aan besteed.

Uiteindelijk komt het er op neer dat ik het leven graag een beetje zacht en overzichtelijk houd.

Niet te veel prikkels. Niet te veel gedoe. Niet te veel onverwachte dingen.

Dat is geen tekortkoming.

Dat is gewoon hoe ik in elkaar zit.

Gelukkig heeft manlief daar geen boodschap aan.

Hij heeft zoveel overredingskracht dat ik me uiteindelijk toch laat meenemen. Terwijl ik nog half mopperend mijn schoenen aantrek, zie ik hem al glunderen. Alsof hij precies weet dat ik straks weer moet toegeven dat het eigenlijk best leuk was.

Nu wil het geval dat we aan een nieuw bed toe zijn.

Een ombouw die al zo'n veertig jaar oud is en een matras dat minstens vijftien jaar dienst heeft gedaan. Het heeft ons jarenlang trouw gediend, maar ik vermoed dat het inmiddels zelf ook aan vervanging toe is.

Dus gingen we voorbereidend onderzoek doen. Bij een groot warenhuis van een bekend Zweeds merk.

We willen een boxspring. Tenminste... ik wil een boxspring. Manlief vindt alles best zolang hij er maar niet uitrolt.

Het werd achteraf een hele onderneming die helaas niet leidde tot een bezoek aan desbetreffende winkel.

In de eerste plaats waren er overal wegen afgesloten wegens werkzaamheden, waardoor we allerlei creatieve omwegen moesten nemen om er überhaupt te komen.

En toen we uiteindelijk de parkeerplaats opdraaiden, bleek het er zó druk dat we onze auto niet eens kwijt konden.

Onverrichter zake zijn we weer naar huis gereden.

Maar niet nadat we eerst een uitgebreide sightseeing-tour hadden gemaakt. Het grappige is dat juist in de auto soms de mooiste gesprekken ontstaan. Die gesprekken die nergens over gaan en toch overal over gaan. Dus helemaal nutteloos was het niet.

Sterker nog: misschien was dát wel het leukste deel van de middag.

We hebben besloten om ons onderzoek op een doordeweekse dag voort te zetten, in de hoop dat half Nederland dan iets anders te doen heeft. Eerlijk gezegd vind ik dat een uitstekend plan.

Misschien moet ik gewoon accepteren dat ik af en toe een klein zetje nodig heb.

Niet omdat ik niet wil.

Niet omdat ik bang ben.

Maar omdat mijn energie soms eerst overtuigd moet worden.

En omdat de weg ernaartoe verrassend vaak leuker blijkt te zijn dan de bestemming.

Manlief wist dat natuurlijk allang.

Zoals gewoonlijk.



Blijf zacht.

Want soms begint een avontuur gewoon met mopperend je schoenen aantrekken.






Thuus

 


Ik heb het altijd al leuk gevonden: dialecten. Van plat Amsterdams tot plat Haags en alles wat daartussenin zit. Want een echte Hagenees of Amsterdammer kan, zelfs als hij zijn uiterste best doet om Algemeen Beschaafd Nederlands te spreken, meestal niet helemaal verbergen waar hij vandaan komt.

Nederland is wat dat betreft een bijzonder land. Sommige taalkundigen kijken niet alleen naar traditionele dialecten, maar ook naar regiolecten en stadsvarianten. Dan kom je uit op zo'n 700 verschillende dialecten en taalvarianten. Op een relatief klein stukje aarde. Dat vind ik toch knap.

Manlief komt oorspronkelijk uit Rheden, een dorp in Gelderland. Daar zeggen ze bijvoorbeeld verstoppelen in plaats van verstoppen. En waar de rest van Nederland het heeft over een oranje of groene trui, kan daar rustig gesproken worden over een oranjere of groenere trui. Ook wordt er mieken gezegd waar anderen maken zeggen.

Laatst hoorde ik op televisie iemand het woord verstoppelen gebruiken. Meteen dacht ik: die moet uit de buurt van Rheden komen. En jawel hoor, na enig speurwerk bleek de beste man afkomstig uit Lathum. Dat ligt precies tegenover Rheden, met alleen de IJssel ertussen. Soms blijkt een enkel woord een betere gps dan welke navigatie-app ook.

Manlief bracht bovendien een groot deel van zijn jeugd door in Arnhem en heeft daar ook nog een klein accentje van meegekregen.

Hier in Doesburg hoor ik regelmatig uitdrukkingen als: "Moar uhhh..." of "Moj es goed luust'ren." Zodra je ze hoort, weet je meteen waar je bent.

Zelf kom ik oorspronkelijk uit Zutphen. Daar hebben ze volgens mij het alleenrecht op de klank . Zo wordt daar ineens daör, jaar wordt jaör, naar wordt naör, waarheid wordt waörheid en sparen verandert in spaören. Verder is het aopen en aopenen in plaats van open en openen. En een broek? Dat is gewoon een brook.

Mijn vader kwam uit Den Haag. Hoewel hij keurig ABN was opgevoed, sprak hij ook een aardig woordje Haags. En waar je mee omgaat, word je mee besmet, zeggen ze wel eens. Dus je kunt je voorstellen dat hier in huis af en toe een wonderlijke mengelmoes van dialecten, accenten, Engelse uitdrukkingen en Duitse woordgrapjes door elkaar klinkt.

En ja hoor, voor alle zekerheid: wij spreken allebei ook uitstekend Nederlands.

Toch staan dialecten onder druk. De echte traditionele dialecten — het oude Zutphens, Twents, Zeeuws of Brabants van een eeuw geleden — verdwijnen langzaam. Jongeren nemen minder lokale woorden, klanken en grammaticale vormen over van hun ouders en grootouders. Dat proces is al tientallen jaren gaande.

Maar dialecten verdwijnen niet helemaal. Vaak veranderen ze in wat taalkundigen een regiolect noemen: een tussenvorm tussen dialect en standaardtaal. Mensen spreken minder puur dialect dan hun overgrootouders, maar nog steeds herkenbaar Achterhoeks, Brabants of Gronings.

Dat vind ik eigenlijk best jammer. Niet omdat iedereen verplicht dialect zou moeten spreken, maar omdat er met elk verdwenen woord ook iets van een streek verloren gaat. Een stukje geschiedenis. Een manier van kijken naar de wereld.

Natuurlijk verandert taal altijd. Dat is van alle tijden. Het oude Zutphens klinkt anders dan het Nederlands dat jongeren nu spreken. En misschien is dat helemaal niet erg. Maar ik hoop wel dat er altijd iets blijft hangen. Een hier, een verstoppelen daar, een moar uhhh op de markt in Doesburg.

Want dialect is meer dan een andere manier van praten. Het is een geografische vingerafdruk. Je hoort waar iemand vandaan komt, wie zijn buren waren en soms zelfs waar zijn grootouders woonden.

En ik vind het eigenlijk wel gezellig dat hier thuis af en toe Haags, Gelders, Zutphens, Engels en Duits door elkaar buitelen. Dat klinkt misschien niet als perfect Nederlands.

Maar wel als thuus.


Blief zach



Dieren spreken al. Wij luisteren niet.

Ik kwam een interresant stuk tegen over Koko en All Ball.

Koko was een westelijke laaglandgorilla, geboren in 1971 in de dierentuin van San Francisco. Vanaf haar eerste levensjaar werd ze begeleid door een psychologe, die haar ASL (gebarentaal) leerde.  

Koko ontwikkelde een vocabulaire van meer dan 1000 gebaren en begreep ruim 2000 gesproken woorden. Ze gebruikte taal om gevoelens te uiten, vragen te stellen, grapjes te maken en zelfs namen te geven aan haar tekeningen. 

In 1984, vroeg ze voor haar verjaardag een kitten. Ze had al jaren een fascinatie voor katten — telkens wanneer ze een foto van een kat zag, signeerde ze enthousiast “cat”.  

Uit een nestje koos ze een klein grijs, staartloos kitten. Toen men vroeg hoe ze het wilde noemen, signeerde ze “All Ball” — omdat het katje voor haar leek op een zacht, pluizig bolletje.

De relatie tussen Koko en All Ball werd wereldberoemd omdat ze - volgens wetenschappers - zo duidelijk liet zien dat een gorilla tederheid, zorgzaamheid en empathie kan tonen. 

Ik krijg daar dan meteen een mega groot vraagteken van boven mijn hoofd. 

Want ik vraag mij af waarom vinden wij het zo belangrijk dat dieren op een menselijke manier met ons communiceren? Hebben we zo'n moeite om hun waarde te zien zolang die niet lijkt op de onze? Komt empathie voor ons pas echt op gang wanneer we onszelf herkennen — zelfs als dat betekent dat we een gorilla gebaren aanleren die nooit uit haar eigen natuur zijn voortgekomen?

Het is een ongemakkelijke gedachte, maar een belangrijke.

Want in onze neiging tot antropomorfisme zit iets dubbelzinnigs: we willen dieren begrijpen, maar vaak alleen binnen de grenzen van onze eigen taal, onze eigen emoties, onze eigen logica.

Alsof hun eigen manier van communiceren niet genoeg is.

Alsof “anders” automatisch “minder” betekent.

We doen vaak alsof dieren pas “echt” communiceren wanneer ze iets menselijks doen: een gebaar, een woord, een blik die wij kunnen lezen. Maar wie ooit een kat heeft zien praten met haar staart, of twee merels heeft zien onderhandelen over territorium zonder één noot te zingen, weet dat dieren een taal spreken die wij nauwelijks begrijpen — niet omdat die taal simpel is, maar omdat wij er zelden moeite voor doen.

Dieren communiceren met ritme, geur, afstand, stilte, trillingen, lichaamshouding, microbewegingen.  

Een gorilla kan met één verschuiving van haar schouders meer zeggen dan wij in drie zinnen.  

Een paard voelt een spanning in je ademhaling nog voordat je zelf doorhebt dat je nerveus bent.  

Een hond leest je stemming in je looptempo.  

Een vogel hoort aan de luchttrilling of er gevaar nadert.

Dat is geen gebrek aan taal. Dat is een overvloed aan taal — alleen niet de onze. Wij willen woorden.  Wij willen gebaren die op de onze lijken. Wij willen bevestiging dat het dier “ons begrijpt”.

Maar hoe vaak proberen wij het omgekeerde?  

Hoe vaak proberen wij hun grammatica te leren?  

Hun logica?  

Hun manier van betekenis geven?

We verwachten dat een gorilla onze gebaren leert, maar wij leren nooit de hare. We vinden het ontroerend wanneer een hond “schuldgevoel” lijkt te tonen, maar we kennen de subtiele signalen van stress nauwelijks.  We interpreteren een kat als “afstandelijk”, terwijl haar hele lichaamstaal juist hyperprecies is — alleen niet menselijk. Het is alsof we een boek in een onbekende taal openslaan, de eerste bladzijde niet begrijpen, en dan concluderen dat het boek leeg is.

Ik denk dat het probleem niet is dat dieren onze taal niet spreken. Maar het probleem is dat wij hun taal nooit hebben willen/kunnen leren.

Dat is misschien wel de echte reden dat we zo graag antropomorfiseren: niet omdat dieren menselijk zijn, maar omdat wij moeite hebben om te verdragen dat ze het niet zijn — en dat ze toch volwaardige, complexe, communicatieve wezens zijn.

Antropomorfisme is geen bewijs van onze liefde voor dieren, maar van onze moeite om te verdragen dat de wereld groter is dan onze eigen taal.

En dat er wezens op deze aardkloot bestaan die ons niet na hoeven te doen om waardevol te zijn.



Blijf zacht. De wereld is al hard genoeg zonder onze projecties. 





Hij is er weer

 


  Hij vroeg het al een tijdje geleden.  

“Ma, waarom schrijf je nooit eens over mij?”  

Ik lachte. En dacht: wat moet ik in vredesnaam over jou schrijven?

Onze schoonzoon. Degene die altijd met flauwe grapjes komt, die de boel oprekt, relativeert, soms tot lichte irritatie toe. En hij dacht waarschijnlijk: als je niet weet wat je moet schrijven, dan zorg ik wel voor materiaal.  

Nou. Dat hebben we geweten.

Al maanden voelde hij zich niet lekker. De ene dag iets beter, de andere dag weer beroerd, maar nooit echt goed. Het ging langzaam van kwaad tot erger. Meerdere keren werd hij onverrichter zake naar huis gestuurd door de arts. Meerdere keren lag hij in het ziekenhuis. Ontelbare onderzoeken. En steeds hetzelfde antwoord: niets gevonden.  

Maar dat hij ziek was, stond buiten kijf. Dat kon een klein kind nog zien.

Tot het ineens echt misging. Het ziekenhuis besloot dat hij niet meer naar huis zou gaan voordat ze wisten wat hem mankeerde. En toen kwam er een antwoord. Een antwoord dat niemand wilde horen. De schrik sloeg in als onweer dat te dicht bij huis inslaat.

We waren bezorgd — natuurlijk waren we dat — maar er was nog iets anders dat me elke keer in mijn achterhoofd prikte: schoonzoon was schoonzoon niet meer. 

Zijn flauwe grapjes, waar ik me soms best aan kon ergeren — al liet ik dat nooit merken — waren verdwenen. En ik miste ze. Ik miste hém. De man die mijn dochter aan het lachen maakt, die de kleinkinderen optilt alsof ze veren zijn, die altijd net iets te hard in mijn arm knijpt.

En ondertussen maakten we ons zorgen om mijn dochter, om de kleinkinderen, om alles wat er om hen heen hing. Ik kon fysiek niet bijspringen, en dat knaagde behoorlijk. En natuurlijk was er die grote vraag: wordt hij beter?

Vandaag belden we.  

Beeldbellen — wat een uitvinding.

En daar was hij.  

Bleek, vermoeid, nog een lange weg te gaan met een operatie in het verschiet, meerdere onderzoeken en een herstel dat hoort bij iets wat — helaas — een blijvertje is. Maar hij maakte een grapje. Een flauwe. En we hebben er hartelijk om gelachen, want…


…we voelden het meteen.  

Heel even.  

Heel duidelijk.  

Schoonzoon is er weer.



Blijf zacht.