Ik zit hier goed

Het is een lome middag. Na een behoorlijk spannende 48 uur konden we ons er vandaag niet toe zetten iets zinnigs te doen. Ach, niets doen is ook iets doen, denk ik dan maar. Ik ben vanmorgen nog wel met Max naar de dierenarts geweest voor zijn tweede kittenvaccinatie. Meteen weer een aanslag op de portemonnee. Maar goed, het is voor een goed doel, laten we maar zeggen.

Het is dus een lome middag. Ik zit buiten in de zon en geniet van de tuin en de beweging van insecten en vogels. Het is stil op straat. Ergens in de verte huilt een baby. Heel even maar. Vermoedelijk heeft iemand het kind opgepakt. Dat is wat ze wilde. Ze is meteen stil. Waarom ik denk dat het een meisje is, weet ik niet. Misschien de manier van huilen. Wie zal het zeggen.

Max is net wakker uit zijn hazenslaapje en Hannah komt na een paar uur slapen eindelijk eens beneden. Fred ligt vredig op zijn stoel te slapen. Die kijkt al niet eens meer op als er een kat of mens in de buurt komt.

Normaal gesproken zou Max door het dolle zijn als hij Hannah ziet. Dan wil hij meteen spelen. Maar nu gaat het anders. Rustig loopt hij achter mij aan richting Hannah en gaat dan voor haar zitten. Neusje tegen neusje. Dan maakt hij een — ik vind dat een heel lief — geluidje en loopt haar voorbij.

Ik zweer het je: ik zag even een wenkbrauw van Hannah omhoog gaan. Ze keek hem na met een blik van: "Wat hebben ze daar in vredesnaam met je gedaan?"

Tegelijkertijd vond ze dat toch fijn. Eerst even rustig wakker worden. Wat drinken, een plasje doen, wat rondkijken en dan zien we wel.

Ik kijk om me heen en voel me ineens heel gelukkig. Wat woon ik hier toch fijn. Met manlief en mijn poezenkinderen. Alle drie hebben we van kitten af aan.

En wat ik destijds van Fred gemist heb — ik zat toen nog volop in mijn burn-out — heb ik heel bewust met Hannah meegemaakt en nu ook met Max: hoe die kittentijd verloopt.

Zo leuk om hun verschillen te zien. Heel fijn om te merken dat Fred iets meer acceptatie toont. Hopelijk blijft dat zo, want tja, ons wervelwindje Max wordt ook nog wat ouder en groter, sterker en vooral brutaler.

Dat vind ik nog wel spannend, want hoewel Fred al een oude man is geworden, is hij megasterk. Eén van de redenen waarom er in de buurt niet met hem gevochten wordt.

Alsof de eerste slachtoffers, uit de tijd dat Fred nog jong en kwiek was, de rest hebben geïnformeerd: "Blijf maar bij die zwart-witte van nummer 12 uit de buurt. Dat is een linkerd."

De tijd zal het leren.

Gelukkig zijn wij zowat 24/7 thuis en kunnen we de boel goed in de gaten houden. Vooralsnog gaat het goed en mag Max zelfs af en toe een hapje van zijn schaaltje pikken. Van ons niet, want dat is natuurlijk geen geschikt kittenvoer. Maar Fred vindt het best.

En zo zit ik hier met een gelukzaligheid waar ik niet eens de juiste woorden voor heb.

Gewoon een tuin, een zonnetje, een slapende oude kater, een opgroeiend kitten en een poes met een hart van goud. Soms blijkt geluk verrassend weinig ruimte in te nemen.

Van mij mag deze middag nog wel even duren.

Ik zit hier goed.


Blijf zacht





 

Ineens zat ik niet meer op die rotonde....

Soms tikken bepaalde situaties ineens oud zeer aan.

We rijden op een rotonde die ik best lastig vind. Het is een vierbaansrotonde en omdat er overal om me heen beweging is, vind ik hem nogal onoverzichtelijk. Manlief heeft deze rotonde al heel vaak gereden en heeft nooit zo'n last van die drukte om hem heen. Dus meestal rijdt hij. Maar nu was het mijn beurt.

Nog voordat ik een keuze moet maken, vraag ik manlief welke van de twee banen ik moet nemen die voor me liggen.

Manlief reageert meteen geïrriteerd.

"Ja die!" roept hij.

"Links of rechts?" vraag ik.

Waarop hij reageert: "Dan zet je hem maar aan de kant. Dan rijd ik wel. Die paniek."

En dáár ging het fout.

"Paniek? Ik heb helemaal geen paniek. Hoe kom je erbij?!"

Blijkbaar gaat mijn stemgeluid omhoog op het moment dat ik vraag welke baan ik moet nemen. Ik ben me daar totaal niet van bewust. Ik had ook totaal geen last van enige paniek of wat dan ook. Ik was gewoon even vergeten welke baan ik moest nemen. Ik rijd dat stuk immers bijna nooit. En als bijrijder let ik op veel dingen, maar meestal niet op hoe manlief rijdt.

Er volgde een geïrriteerde discussie en daarna stilte van mijn kant.

Er kwam een oud gevoel naar boven waarvan ik dacht dat ik het allang begraven had. Het gevoel van altijd op mijn tenen te moeten lopen omdat ik nooit iets goed deed of zei. Beter zwijgen dan discussiëren en klappen krijgen. Beter twee keer zo goed je best doen dan weer een afwijzing krijgen.

Er kroop langzaam een klomp vanuit mijn buik omhoog tot onder mijn borstbeen en die bleef daar vervelend aanwezig hangen. Het duurde nog zeker een uur of twee voordat dat gevoel een beetje begon te zakken, ondanks het feit dat ik eigenlijk meteen doorhad dat hier oud zeer werd aangetikt.

En dat vind ik altijd zo bijzonder aan oud zeer.

Je denkt dat het weg is. Dat je het verwerkt hebt, een plek hebt gegeven, misschien zelfs hebt vergeven. Totdat er iets kleins gebeurt. Een opmerking. Een blik. Een bepaalde toon.

En ineens zit je niet meer alleen op die rotonde.

Dan zit je ook weer even in een heel andere tijd. Een tijd waarin fouten maken niet veilig voelde. Waarin kritiek niet gewoon kritiek was. Waarin je voortdurend probeerde te voorkomen dat iemand boos werd.

Rationeel weet ik natuurlijk dat manlief totaal niet is als degene van toen. Ik wist ook dat hij waarschijnlijk vooral geïrriteerd reageerde omdat hij dacht dat ik in paniek raakte, terwijl ik dat helemaal niet was.

Maar gevoelens hebben soms weinig belangstelling voor logica.

Die klomp onder mijn borstbeen trok zich niets aan van mijn verstand. Die reageerde niet op wat er vandaag gebeurde. Die reageerde op iets van heel lang geleden.

Misschien is dat wel het verraderlijke van oude pijn. Ze verdwijnt niet altijd helemaal. Ze ligt ergens stilletjes opgeslagen, totdat iets onverwachts dezelfde snaar raakt.

Niet omdat je terug bent bij af. Niet omdat je niets geleerd hebt.

Maar omdat sommige ervaringen zo diep in je systeem zijn gaan zitten dat je lichaam ze soms eerder herkent dan jijzelf.

Het verschil met vroeger is misschien niet dat dat gevoel nooit meer opkomt. Het verschil is dat ik tegenwoordig herken wat er gebeurt.

Ik weet nu dat die klomp niet betekent dat ik weer dat meisje van toen ben.

Alleen dat dat meisje soms nog even van zich laat horen.


Blijf zacht.





Hoe dan?

 

Je hebt dilemma’s en je hebt dilemma’s.

Als je het me vorige week zomaar even tussen neus en lippen door had gevraagd, had ik volmondig gezegd dat ik tegen ben;

De doodstraf

Ik ben van mening dat je er in sommige gevallen wel erg makkelijk vanaf komt wanneer je ter dood wordt veroordeeld. Dat kun je raar vinden, maar iemand de rest van zijn of haar leven opsluiten zonder bezoek of wat dan voor gezelligs, lijkt me een veel ergere straf.

Maar daar zit dan weer een dikke maar aan.

Want wat als de dader mijn dochter, broer, zus, moeder of echtgenoot heeft vermoord? Dan moet ik toch wel in alle eerlijkheid bekennen dat ik een enkeltje onderwereld voor de dader niet zo erg zou vinden. De manier waarop telt natuurlijk ook mee.

Er zijn mensen die zulke gruwelijke daden hebben verricht dat je je bijna niet kunt voorstellen dat er mensen zijn die vinden dat deze personen op onze aardkloot mogen blijven rondlopen. Ik snap dat.

Maar ik ben ook van mening dat wanneer je iemand dan ter dood veroordeelt, je dat ook direct moet uitvoeren en niet — zoals in sommige gevallen — tientallen jaren moet wachten.

Kanttekening: men moet wel honderd procent zeker weten dat de dader ook daadwerkelijk schuldig is. Te vaak zie je nog mensen in gevangenissen en op death row die, naar alle waarschijnlijkheid, onschuldig zijn.

Zie je hier het dilemma ontstaan?

En dan ben je arts.

Je hebt een eed afgelegd waarin je belooft dat de gezondheid en het welzijn van je patiënt vooropstaan en dat je iedereen gelijk behandelt, ongeacht afkomst, geslacht of wat iemand heeft gedaan.

Er is een ter dood veroordeelde die een executie heeft overleefd.

Voorop staat dat deze persoon op vreselijke wijze een ander mens van het leven heeft beroofd. Een bewezen feit.

Tijdens de executie zijn twee doses toegediend. Dader leeft nog. Dan moet je als arts, zodra iemand nog leeft en medische hulp nodig heeft, alles doen om die persoon te behandelen en in leven te houden.

Dat voelt heel krom.

Want stel dat de dader dit overleeft. Dan kan een rechtbank vervolgens alsnog beslissen om de doodstraf uit te voeren.

Dus als arts kom je toch in gewetensbezwaren terecht?

Je doet er alles aan om iemand in leven te houden, terwijl het uiteindelijk de bedoeling is dat diezelfde persoon wordt gedood.

Hoe dan?

Blij dat ik geen arts ben.



Blijf zacht.





Wie woont hier eigenlijk?

Moet een interieur eigenlijk wel op zijn bewoner lijken?

Laat je interieur zien wie je bent, of wie je thuis wilt kunnen zijn?

Een interieur vertelt vaak iets over de bewoner, maar nooit het hele verhaal. Mensen richten hun woning in op basis van smaak, budget, levensfase, praktische behoeften en culturele achtergrond.

De afgelopen tijd kijk ik regelmatig mee in een groep waar mensen foto's van hun interieur delen. Wat me opvalt, is niet zozeer de smaakverschillen, maar de enorme verscheidenheid in hoe mensen hun huis eruit laten zien.

Sommige woonkamers lijken rechtstreeks uit een woonmagazine te komen. Alles klopt. De kleuren zijn perfect op elkaar afgestemd, de accessoires staan precies goed en nergens lijkt iets uit de toon te vallen. Ik bewonder dat vaak oprecht. Er zit aandacht, gevoel voor compositie en oog voor detail in.

Toch merk ik dat die interieurs me niet altijd het meest bijblijven.

Veel langer denk ik na over de huizen waarin iets van de bewoner zichtbaar wordt. Een boekenkast vol gelezen boeken. Een verzameling waar duidelijk een verhaal achter zit. Een schilderij dat misschien niet perfect bij de bank past, maar wel iets betekent voor degene die er woont. Een hoekje dat niet gestyled oogt, maar gebruikt wordt. Dingen die mensen bewust tonen om iets over zichzelf uit te drukken, of sporen van het dagelijks leven, zoals een veelgebruikte werkplek of sportspullen bij de deur.

Tegelijkertijd zijn eerste indrukken op basis van een interieur regelmatig onjuist. Iemand met een strak designinterieur kan bijvoorbeeld heel spontaan zijn, terwijl een rommelig huis niet betekent dat iemand ongeorganiseerd is. Een woning laat vooral zien hoe iemand wil wonen, niet noodzakelijk wie iemand volledig is.

Iemand kan zelf rustig zijn en in huis alle registers opentrekken: kleur, patronen, objecten, kunst en texturen. Een soort visueel orkest om zich heen. Terwijl iemand die in het dagelijks leven heel extravert is, misschien juist thuiskomt in een bijna lege, serene ruimte.

Een heel rustig, minimalistisch interieur hoeft dus helemaal niet te betekenen dat iemand zelf rustig of minimalistisch is. En een kakofonie van kleuren, patronen, objecten, kunst en texturen hoeft niet te betekenen dat iemand chaotisch of uitbundig is.

Bij een heel uitbundig interieur zei de bewoonster juist: "Ik ben een introverte extravert."

Ik vind dat fascinerend om te zien. Een interieur is een van de weinige plekken waar mensen dagelijks honderden kleine keuzes maken die samen een heel eigen resultaat opleveren. Het kan veel vertellen over voorkeuren, gewoonten en wat iemand belangrijk vindt, maar het is natuurlijk geen persoonlijkheidstest.

Wat ik zo inspirerend vind aan die verscheidenheid, is dat je eigenlijk een kijkje krijgt in allerlei verschillende manieren van leven. Niet alleen in wat mensen mooi vinden, maar ook in hoe ze hun huis gebruiken, waar ze waarde aan hechten, hoeveel risico ze durven te nemen met hun inrichting en welke sfeer hen thuis laat voelen.

Ik kijk zelden naar de vraag of ik iets mooi of lelijk vind. Het observeren van die verschillen, alsof ik naar een galerie van levensstijlen kijk, dát vind ik een aantrekkelijke manier om naar interieurs te kijken: minder als "mooi of lelijk", meer als een vorm van menselijke expressie.

Natuurlijk besef ik dat mensen eerst opruimen voordat ze foto's maken. Dat doe ik immers zelf ook. Maar zelfs in een opgeruimde kamer zie je vaak nog iets van de persoon die er woont.

Of juist niet.

En dat vind ik misschien wel het interessantste verschil.

Niet tussen mooi en lelijk. Niet tussen modern en klassiek. Maar tussen een interieur dat vooral laat zien hoe een ruimte eruitziet en een interieur dat iets prijsgeeft over de mens die er woont.

De mooiste huizen zijn voor mij niet per se de perfectste. Het zijn de huizen die nieuwsgierig maken. Huizen waarbij je denkt: wie woont hier eigenlijk?

Want uiteindelijk is een interieur veel meer dan een verzameling meubels. 

Het is het decor van een leven.



Blijf zacht.