Posts tonen met het label Humor. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Humor. Alle posts tonen

Uren werk, nul resultaat… maar hé, de koffie was lekker



Vandaag heb ik mezelf weer eens getrakteerd op een fantastische tijdsbesteding: 

Namelijk urenlang mijn blog verbouwen. Klikken, slepen, twijfelen, opnieuw beginnen, zuchten, zelfs vloeken, nog eens slepen… om er uiteindelijk achter te komen dat hij eigenlijk al best prima was. Voor nu dan. Ooit maak ik er een meesterwerk van. Echt waar.................... Ooit.

Maar eerst wil ik ontdekken of er überhaupt mensen zijn die mijn blogs lezen. (Mocht je dit zien: gefeliciteerd, je bent nu officieel mijn publiek.)

Mijn kleine irritaties heb ik voorlopig even in de kast gezet. Dat was nodig, want mijn relatie met het internet en mijn laptop is .... laten we zeggen .... op zijn minst ingewikkeld. Een soort haat-liefdeverhouding waarbij ik de helft niet begrijp en de andere helft me bang maakt. Eén verkeerde klik en ik ben ervan overtuigd dat mijn laptop verandert in een soort digitale Bermuda-driehoek.

Maar goed: de blog leeft nog. En ik ook. Dus ik noem het een succesdag.

Blijf zacht




Mijn guilty pleasure: De Bondgenoten (ja, ik geef het toe)



Ik ga het maar gewoon bekennen: ik heb een guilty pleasure.  
Elke dag — echt élke dag — kijk ik naar *De Bondgenoten*.  

Voor wie het niet kent (of doet alsof): zestien mensen worden in een luxe loods gegooid, verdeeld in vier teams met kleuren en dieren alsof iemand bij de brainstorm dacht: *“Hoe maken we dit zo kinderfeestje-achtig mogelijk?”*  

We hebben de vossen (rood), de slangen (groen), de gieren (wit) en de haaien (blauw).  

Ze strijden om een goede uitgangspositie, waarna een knock-outsysteem bepaalt wie er na een maand met €100.000 naar huis gaat. Slechts één persoon wint. Eén.  

Dus dat hele “één voor allen” verandert binnen een week in “allen voor mijzelf, bedankt en tot ziens”.

En alsof dat nog niet genoeg drama is, moet er ook elke maand iemand vertrekken uit het slechtst presterende team. Met lege handen. *Dag hoor.*

Maar ik kijk dus niet voor het spel. Echt niet.

Ik kijk ook niet voor de deelnemers.  

Of voor de loods.  

Of voor de challenges.  


Nee, ik kijk voor het psychologische spel.  Want dát is pas entertainment.

In het begin zie je precies wat er gebeurt als je zestien mensen 24/7 bij elkaar opsluit:  

- Mensen die elkaar buiten niet eens een kopje suiker zouden lenen, worden ineens BFF’s.  

- Anderen gunnen elkaar het licht in de ogen niet.  

- En zodra het te gezellig wordt, gooit de regie een knuppel in het hoenderhok.  

  *“Oh, jullie hadden net vrede? Wacht even, hier is een twist.”*


De vaste rollen in de loods


Je kunt er bijna bingo van maken:


- Er is altijd iemand die gepest wordt.  

- En altijd iemand die het opneemt voor de gepeste.  

- Er is een leider.  

- En er zijn volgers die zichzelf liever in een hoekje vouwen dan een mening te uiten.  

- Je hebt de tactische masterminds.  

- En de spontane flapuiten die zonder nadenken iets roepen waardoor de hele groep ontploft.  

- Er zijn fysiek sterke deelnemers, mentaal sterke deelnemers, en mensen die denken dat ze beide zijn maar vooral heel hard overschatten.  

- En dan heb je de verrassingen: de stille muis die ineens een challenge wint alsof ze al jaren in het geheim trainen.

Kortom: het is een psychologisch pretpark.

Wat het nóg leuker maakt? - de kijkers

De reacties op social media. Mensen vormen keiharde meningen op basis van drie kwartier televisie per dag.  Drie kwartier.  Terwijl die bewoners 24 uur per dag met elkaar opgescheept zitten.  De regie knipt, plakt, filtert en serveert ons alleen de sappigste momenten.  Maar toch weten sommige kijkers *precies* wie “vals”, “nep”, “manipulatief”, “dom”, “heilig”, “slachtoffer” of “held” is.  Op basis van… ja, drie kwartier juicy tv.

Het blijft me verbazen.

Waarom ik blijf kijken?

Omdat het een soort mini-maatschappij is.  Een menselijk laboratorium.  Een spiegel die laat zien hoe verschillend we zijn — en hoe voorspelbaar soms ook.  

Om even eerlijk te zijn,  

Het is heerlijk om vanaf de bank te analyseren hoe iedereen zich gedraagt, terwijl ik zelf waarschijnlijk na drie dagen in een hoekje zou zitten te huilen met een dekentje en een zak chips.


Blijf zacht, ook voor mij.

Sokrebellie

Er zijn van die dagen waarop je denkt: ik ga even een stukje wandelen. Een frisse neus, een beetje beweging, niks ingewikkelds. Tenminste… dat dacht ik. Totdat ik besloot om laarzen aan te trekken. Niet van die gezellige, wijduitlopende laarzen waar je zo in glijdt. Nee hoor. Ik had natuurlijk die andere aan. Die paardenmeisjeslaarzen, waar je eerst je skinny jeans in moet proppen alsof je een boa constrictor terug in zijn terrarium probeert te duwen.

En dan begint het. Het Grote Hijsen.

Eerst een plekje zoeken om te zitten — want dit soort drama doe je niet staand. Laars uit. Sokken ophijsen. Met veel gedoe, want je skinny jeans even laten zakken zou eigenlijk het handigst zijn, maar ja… dan sta je dus op straat in je onderbroek. En hoewel ik veel kan hebben, is dat toch net een brug te ver.

Je vraagt je misschien af hoe een sok überhaupt kan afzakken als alles eromheen strak staat als een vacuümverpakking. Nou, dat zal ik je vertellen: deze sok had zijn pensioen allang verdiend. Je kon nog net niet de krant door de hiel lezen. En dan die maten tegenwoordig: op het label staat 39–42, maar in werkelijkheid is het meer 37,5 met grootheidswaanzin.

Daar komt bij dat mijn Hollandse kuiten — die ik koester, maar die wel degelijk aanwezig zijn — mij dwingen laarzen te kopen die eigenlijk een maatje te groot zijn. Gevolg: een losse hiel die bij elke stap mijn sok naar beneden trekt alsof hij een eigen ontsnappingsplan heeft. Mijn briljante idee om de sok dan maar over mijn broek te trekken, tussen laars en stof in, bleek vooral theoretisch briljant.

Twintig minuten. Zolang duurde het voordat ik eindelijk kon beginnen aan mijn wandeling. Had ik net zo goed terug naar huis kunnen lopen voor andere sokken. Maar nee, eigenwijs als ik ben, liep ik door. Misschien kruipt hij vanzelf weer omhoog, dacht ik nog hoopvol.

Maar nee.

De sok koos de weg van de minste weerstand: richting tenen. Daar vormde hij een compacte, irritante sokbol die me dwong letterlijk met kromme tenen te lopen. Dus opnieuw: plekje zoeken. Laarzen uit. Sokken uit. Laarzen aan. Sokken in de dichtstbijzijnde vuilnisbak. En toen, met koude voeten in veel te ruime laarzen, ben ik maar terug naar huis gesjokt.

Die wandeling? Die kon me ondertussen gestolen worden.

Blijf zacht, ook als het even niet lukt


Theezakjeswijsheid en bloeiende inzichten"

 Hoe een simpele vraag over bloemen leidde tot een ode aan Moeder Natuur.


Je kent ze wel. Die theezakjes met een labeltje eraan. Niet zomaar een labeltje met een merk of smaak, nee — eentje met een vraag. Soms luchtig, soms verrassend diep. Geen Kant of Nietzsche hoor, maar toch: af en toe zit er eentje tussen die je even laat stilstaan. 

Zoals vandaag.

"Wat is jouw lievelingsbloem?"

Klinkt simpel, toch? Maar ik zat daar met mijn dampende kopje thee en dacht: tja… wat ís eigenlijk mijn lievelingsbloem? Geen idee. Ik vind er zoveel mooi. De één vanwege z’n kleur, de ander om z’n geur, en weer een ander omdat-ie eruitziet als een kunstwerkje van Moeder Natuur zelf. En laten we eerlijk zijn: ze heeft haar best gedaan. Echt hoor, petje af.

Natuurlijk zijn er ook bloemen die ik wat minder waardeer. Kunstmatig gekleurde exemplaren bijvoorbeeld — sorry, maar dat voelt alsof je een Rembrandt met neonverf overschildert. Zo heeft Moeder Natuur dat niet bedoeld. En wat zij bedenkt, is meestal spot-on. Neem nou bloemen die precies de juiste insecten aantrekken. Sommige beestjes zijn zó goed aangepast dat je ze bijna niet van de bloem kunt onderscheiden. 

Staaltje camouflage level: expert.

Bloemen zijn dus niet alleen mooi, ze zijn ook onmisbaar. Ze bieden voedsel aan bijen, vlinders en andere bestuivers. Zonder bloemen geen nectar, zonder nectar geen insecten, en zonder insecten… geen vogels. Het domino-effect van de natuur. En wist je dat wilde bloemen ook de bodem gezond houden? Ze zijn basically de huisartsen van het ecosysteem.

Maar goed, terug naar die vraag. Wat is mijn lievelingsbloem? Vandaag zijn dat de Camellia sinensis en kamille. Waarom? Omdat ze samen verantwoordelijk zijn voor het heerlijke kopje thee dat ik nu zit te drinken. 

Ja ja, ik drink ook wel eens thee. En blijkbaar filosofeer ik er ook van.

Blijf zacht en geniet van je thee en van bloemen.

Dagelijkse gymnastiek voor de Neus. (én de Keel.)

Best een beetje een smerig onderwerp, 

maar hé…het leven is ook niet alleen maar lavendel en latte macchiato hè.

Al jaren heb ik elke dag wel een keer een stevige nies- en snotterbui. Zo’n tien minuten pure neusgymnastiek. Daarna is al mijn luie snot weer keurig geëvacueerd en kan ik de rest van de dag weer functioneren als een beschaafd mens. (En dit is dus zonder verkoudheid. Dit is gewoon… mijn standaardinstelling.)

Maar sinds een paar maanden heeft mijn lichaam besloten dat het nóg gezelliger kan. Er komt nu ook slijm bij kijken. En laat ik nou net iemand zijn die totaal niet kan ophoesten. Ik hoest er altijd een beetje langs, alsof mijn longen zeggen: “Succes ermee, wij doen niet mee.”

Maar dat slijm moet eruit, want het irriteert me tot in mijn ziel.

Dus ja… oprochelen. (Sorry, smerig ik weet het.)

En geloof me: dat gaat gepaard met geluiden waar de honden brood van lusten. Echt, ik zou mezelf willen muten. Met tegenzin mik ik zo’n dikke fluim richting de wc-pot, want ik probeer nog een béétje beschaving te bewaren.

Alleen… ik kan dus helemaal niet mikken.

Mijn ogen zien precies waar het moet landen. Mijn hersenen roepen enthousiast: “Daar! Precies daar!” Mijn mond vormt de perfecte spuugstand. Ik rochel, ik mik, ik spuug…

FLATS!

Dertig centimeter naast de pot. Tegen de muur.

Getverderriejakkes!

En dan sta je daar, als volwassen vrouw, met een wc-papiertje en een lichte existentiële crisis.

Maar nu komt het: 

Blijkbaar kunnen wij vrouwen hier dus helemaal niks aan doen. Het schijnt namelijk een hersen-dingetje te zijn. Iets zit daar net even anders dan bij mannen. (Wie had dat gedacht.)

Is me dat even een troost.

Blijf zacht


De laptop en ik: een ingewikkelde relatie

 

De laptop.

Hij hoeft heus geen kunstjes te doen. Geen salto’s, geen hologrammen, geen ingewikkelde menu’s die alleen door NASA‑ingenieurs begrepen worden. Nee hoor, hij moet gewoon doen wat ík wil. Punt. Zodra het te technisch wordt, verandert mijn brein spontaan in een soort mistige polder waar elk knopje verdwijnt in de nevel. En dan ben ik dus bang dat ik het hele apparaat laat crashen. (Is dat woord inmiddels eigenlijk al officieel Nederlands? Of lenen we het nog steeds illegaal uit de IT‑bibliotheek?)

Manlief.

Een schat. Echt waar. Hij staat altijd klaar om alles voor me op te lossen — ook als ik daar helemaal niet om gevraagd heb. Hij vindt het gewoon gezellig als ik het goed heb. Hihi.

Terug naar de laptop

Iemand heeft dat ding ooit voor me ingesteld, maar op zo’n manier dat hij automatisch aangaat zodra ik hem openklap. Alsof hij een overenthousiaste labrador is die roept: “IK BEN ER WEER! WAT GAAN WE DOEN?!”  

Ik vind dat dus onhandig. Iedereen kan zomaar overal bij, en ik kan niet eens rustig een artikel lezen zonder dat het scherm na drie minuten in een soort digitale winterslaap valt. Tenzij ik de muis blijf bewegen alsof ik een zenuwtrek heb.

Ik probeerde het aan te passen, maar na drie klikken was ik alweer de draad kwijt. “Laat maar,” mompel ik dan tegen mezelf, terwijl ik het apparaat dichtklap alsof ik een lastige peuter in de hoek zet.

Natuurlijk vraagt manlief wat er scheelt. Zijn interne radertjes beginnen meteen te zoemen. Maar ik was lichtelijk geïrriteerd, dus ik wuifde hem weg. “Nee, laat maar… ik kom er wel een keer achter. Anders ga ik wel naar het Seniorenweb of zo.”

Hij liet het los — dacht ik.

Het mailtje.

Even later vind ik een mail in mijn inbox met als onderwerp:

“Een hulpje, jij hulpbehoevende.”  

Ik heb hardop gelachen. Hij had tóch even voor me gegoogeld en stuurde een link naar een site vol oplossingen.

Ik heb gekeken. En nee hoor, ik snap er nog steeds geen reet van.

Maar ik heb hem bedankt, en we hebben samen smakelijk gelachen om zijn mailtitel.

En de laptop? Die kijkt me nu vanaf de tafel aan met die blik van: “Zullen we het nog eens proberen?”  

Misschien. Morgen. Of overmorgen. Of nooit.

Blijf zacht

De Dag Dat Ik Ontdekte Dat Ik Een Pannenkoekenheks Ben

Mijn ochtend begon zoals ochtenden bij mij wel vaker beginnen: met lezen, leren en een kop koffie die ik drie keer opnieuw moest opwarmen omdat ik steeds afdwaal. Terwijl ik zo wat zat te dwalen over het internet, struikelde ik over een heerlijke tekst met de titel “Waarom bakken heksen pannenkoeken?”  

En eerlijk: vanaf dat moment was ik verkocht.

Blijkbaar is de pannenkoek namelijk veel meer dan een snelle avondmaaltijd voor dagen waarop je geen zin hebt in gedoe. Nee, vroeger was het een ritueel van hoop. Rond begin februari waren de voorraadkasten leeg, de wintervoorraad graan bijna op, en de nieuwe oogst nog een verre droom.

En wat deden onze voorouders dan?

Iets wat ik persoonlijk alleen zou doen als ik écht wanhopig was: ze pakten het allerlaatste restje meel en maakten er pannenkoeken van.

Waarom?

Omdat die pannenkoek rond en goudgeel is — net als de zon.

Door dat laatste beetje graan te offeren en de zon symbolisch op hun bord te leggen, lieten ze aan de aarde weten: “Wij vertrouwen erop dat de lente terugkomt. Kom maar door met die warmte.”

En eerlijk, dat voel ik.

Als ik in januari of februari in mijn keuken sta te kloppen alsof ik auditie doe voor een bakprogramma, denk ik voortaan even aan dat oeroude ritueel. Want dan ben ik niet zomaar beslag aan het maken.

Nee, dan ben ik de zon aan het uitnodigen in mijn huis.

Ik zeg eigenlijk: “Kom maar hoor, overvloed. Ik geloof in je, zelfs nu mijn voorraadpotten vooral echo’s bevatten.”

Dus mocht iemand mij in de toekomst ooit “HEKS!!” naroepen, dan glimlach ik vriendelijk en zeg ik:

“Dank je wel voor het compliment.”

Want hé — als pannenkoeken bakken betekent dat ik een heks ben, dan ben ik er eentje met trots. 

En met stroop.

Blijf zacht, straks schijnt de zon weer

Confessions van een Niet-Poetser

 

Een poetser ben ik nooit geweest. Zal ik ook nooit worden. En eerlijk? Ik slaap daar geen seconde minder om. Begrijp me goed: het is hier thuis geen biologische oorlogszone. Je hoeft niet met laarzen en een helm naar binnen. Maar spik-en-span? Tja… laten we zeggen dat het huis en ik een functionele relatie hebben.

Eén keer in de zoveel tijd krijg ik zo’n vlaag van verantwoordelijkheid, pak ik mijn doekjes en middeltjes, en ga ik los. Dan blinkt alles weer nét genoeg om te kunnen zeggen: “Zo. Klaar. Prima zo.” Want het huis is er voor ons — niet andersom.

Vandaag was zo’n dag. Terwijl ik in de keuken de tegels stond af te nemen (met de energie van iemand die liever iets anders doet), dacht ik ineens terug aan een stel dat ik ooit kende. Mensen die zó schoonmaakfanatiek waren dat je bijna je eigen adem inhield als je bij ze op visite ging.

Je durfde amper “ja” te zeggen tegen een stukje taart, bang dat er een kruimel zou ontsnappen en de vrouw des huizes ter plekke zou bezwijken. Elk jaar werd de hele woonkamer opnieuw gewit, geschilderd én behangen. En eens in de twee jaar kwam er een nieuw bankstel binnen. Niet omdat het oude versleten was — nee, gewoon omdat het kon.

Het huis zag eruit alsof er nog nooit iemand had geleefd. Alles stond er alsof het onderdeel was van een showroom waar je vooral níet aan mocht komen. En oh wee als je een vaasje of beeldje een millimeter verkeerd terugzette.

Ik geef toe: ik deed dat expres. Elke keer. Gewoon een klein tikje. Een subtiel verschuivinkje. Een minieme sabotage. En elke keer hoopte ik dat het de volgende keer nog zo zou staan. Spoiler: natuurlijk niet.

Op een dag zaten we op een feestje — geen idee meer waarvoor — en zag ik tot mijn verbazing de heer des huizes met zijn handen over de keukentegels wrijven. Niet romantisch hoor. Nee, hij checkte of ze nog vetvrij waren.

En ik dacht:

“Wat doe je als ze níet schoon zijn? Ga je ze dan nu, midden in je eigen feestje, staan boenen? Of krijgt je vrouw straks op haar kop als wij weg zijn?”

En precies op dat moment, terwijl ik mijn eigen tegels stond af te nemen, moest ik lachen.

Weet je wat?

Ik stop ermee.

Het is mooi geweest.

De tegels zijn schoon genoeg.

En ik ook.

Blijf zacht voor je tegels



We hebben het er niet graag over he?

 


POEP.

De kleur, geur en consistentie van je poep zegt veel over je gezondheid en wat je gegeten hebt. Tenminste dat is wat de mdl arts (maag-darm-leverarts) mij vertelde. Maar met pds — mijn gezellige prikkelbare darm — is het soms moeilijk achterhalen waar die kleur, geur en consistentie precies vandaan komt. 

Nu zat ik vanmorgen rustig op het toilet mijn ding te doen, toen mij een nogal onaangename geur tegemoet kwam.

Best logisch want, poep bestaat namelijk uit afvalstoffen en het is niet de bedoeling dat we ooit in de verleiding komen er een hapje van te nemen. 

Dit keer echter was de geur van de Rafflesia ( google maar eens als je durft) er als een roosje bij. 

Er is blijkbaar een soort chemische oorlogsvoering bezig in mijn darmstelsel waar zelfs de honden geen poep van lusten. Bovendien plakte mijn drol behoorlijk aan pot én achterwerk.

Stront aan de knikker dus.

Bij mij betekent dat meestal: te veel lactose, gluten, eiwitten of vet. En dat terwijl ik net weer eens mijn dieet probeerde op te pakken. Maar ja, manlief had gisteren zo’n goddelijke maaltijd gemaakt… helaas ook een bommetje vol met alles wat mijn darmen haat.

Het is ook nooit goed.

KAK!

Blijf zacht,..maar niet te.






Chagrijn in de aanbieding

 

Werken in een supermarkt valt in Nederland bijna altijd onder de dienstverlenende beroepen, vooral binnen de detailhandel. Het draait om klantcontact, service verlenen en het ondersteunen van het verkoopproces. Kortom: precies dat waar dienstverlenend werk om bekendstaat.

En laat ik nou net in een supermarkt komen waar ze dat concept enigszins zijn vergeten. De medewerkers hier in de buurt mogen wat mij betreft wel eens een cursus klantvriendelijkheid volgen. Tjongejonge… zo’n concentratie chagrijn op één plek, dat is bijna knap. Het begint al bij binnenkomst. De winkel is nog bijna leeg, personeel staat te vakkenvullen, en ik roep vrolijk “goedemorgen!” — een paar keer zelfs. Een vriendelijk “goedemorgen” terug? Ho maar. Je zou bijna denken dat ik ze vraag om mijn huur te betalen.

Nu moet ik eerlijk zeggen: ze zijn niet allemaal zo. Maar er lopen er een paar rond — mét een leidinggevende functie nota bene — waarvan je denkt: als dit het voorbeeld is, dan snap ik waarom de rest ook niet staat te stralen. Goed voorbeeld doet goed volgen, maar ja… wie ben ik.

Ik heb vroeger zelf in de detailhandel gewerkt, en daar was het heel normaal: je zei goedemorgen, goedemiddag, fijne dag, en als iemand iets vroeg, gaf je gewoon vriendelijk antwoord. Dat jij misschien je dag niet hebt, hoeft de klant niet te merken. Mág de klant niet merken. Die komt voor boodschappen, niet voor jouw donderwolk.

Je kunt denken: maak je niet zo druk. Maar ik merk dat ik daar gevoelig voor ben. Ik weet heus dat het niet altijd makkelijk is hoor, dat winkelmasker opzetten. Maar als je dat écht niet kunt, moet je misschien ander werk zoeken. Ik blijf in ieder geval vriendelijk. En hoe chagrijniger jij doet, hoe overdreven vriendelijker ik word. Pure passief-agressieve zelfzorg.

Blijf zacht