Posts tonen met het label Lijf & leven. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Lijf & leven. Alle posts tonen

Wanneer mijn brein besluit om even op vakantie te gaan

Zo. Vanmorgen had ik mezelf er eens goed voor neergezet. Klaar om een lekker stukje te schrijven. Laptop op schoot, notebook open, koffie binnen handbereik… en toen gebeurde het........

Heel langzaam, bijna dramatisch, trok hij op. Vanuit de diepste krochten van mijn wezen sloop hij naar boven, hersenmist. Of, zoals de hippe mensen het noemen: brain fog.

Met je hoofd “in de mist” zitten

We kennen het allemaal wel: je gedachten lijken stroop, concentreren lukt voor geen meter en woorden vinden voelt alsof je een potje Scrabble speelt maar dan zonder letters. Dat fenomeen heet dus brain fog. Geen officiële diagnose, maar het kan je dag wel behoorlijk saboteren.

In mijn geval verandert het me in een soort stand-by versie van mezelf. Slapen of wezenloos voor me uit staren — dat zijn dan ongeveer de enige twee opties.

Hoe voelt hersenmist eigenlijk?

Hersenmist staat voor mentale wazigheid en verminderde helderheid. Mensen ervaren vaak:

- moeite met concentratie  

- vergeetachtigheid of woorden niet kunnen vinden  

- traag denkvermogen  

- een verward of “afwezig” gevoel  

- snelle overprikkeling, vooral bij multitasken  

Het voelt alsof er een dikke sluier over je gedachten ligt, waardoor alles net wat meer moeite kost. Alsof je brein zegt: “Vandaag even niet, succes ermee.”

Wanneer is het normaal — en wanneer niet?

Een keer hersenmist na een korte nacht, drukke week of stress? Helemaal normaal. Meestal trekt het weg zodra je weer rust pakt.

Maar blijft het langer hangen of belemmert het je dagelijks leven, dan kan er meer aan de hand zijn. Denk aan chronische aandoeningen zoals fibromyalgie, CVS, schildklierproblemen, diabetes of neurologische ziekten zoals MS of dementie.

Bij mij is het de fibromyalgie die af en toe besluit mijn brein in te pakken in een dikke grijze wolk. “Lekker warm,” denkt die mist waarschijnlijk. “Maar denken? Nee hoor, dat doen we vandaag niet.”

Een simpele vraag als “Wat eten we vandaag?” verandert dan in een wiskundig vraagstuk waar zelfs Einstein zijn wenkbrauwen bij zou optrekken.

De enige oplossing: dekentje, dutje, reset

Wat rest mij dan? Juist. Onder een dekentje kruipen en de ogen sluiten. Niet permanent — dat gaat me wat ver — maar gewoon even herstarten.

Manlief legt dan een kussen neer, pakt een deken en zegt:  

“Hier, ga jij je brein maar even resetten.”

En wonder boven wonder: na zo'n energiedutje ben ik weer redelijk opgeknapt. Hersengewijs dan. Genoeg om dit stukje te schrijven én tegelijkertijd met manlief te kletsen. Multitasken! Kijk mij eens gaan.

Soms is hersenmist lastig, verwarrend en vaak ronduit irritant. Maar met een beetje rust, een warm dekentje en een dutje op standje coma-light kom ik een heel eind.

En nu maar hopen dat mijn brein dit stukje morgen nog herkent. Zo niet, dan lees ik het gewoon opnieuw — verrassing gegarandeerd.

Blijf zacht




Wanneer je brein besluit dat bezoek een extreme sport is.

Dat ik overprikkeld raak van op visite gaan of visite krijgen… tja, dat is inmiddels net zo’n vast gegeven als dat katten altijd nét gaan liggen op de plek waar jij wilt zitten. Ik weet het. Mijn omgeving weet het. De buren waarschijnlijk ook. Na zo’n dag moet ik sowieso een etmaal horizontaal om weer een beetje mens te worden.

Maar soms… soms is er zo’n bezoekdag die ’s nachts nog een afterparty organiseert in mijn hoofd. Dan komen alle spoken van vroeger even langs om te vragen hoe het met me gaat. Gevolg: ik word al overprikkeld wakker. Nog vóór de katten beginnen te drammen of manlief iets heel normaals vraagt, staat mijn stressmeter al op rood. Op zulke dagen wil ik het liefst onder een steen kruipen en pas weer tevoorschijn komen als iemand roept dat het veilig is.

Mijn energie staat dan op een pitje dat zo laag is dat zelfs een waxinelichtje jaloers zou worden. De vaat doen? Te veel. Een mini-boodschapje? Te veel. Zitten? Ook al bijna te veel. Ik zou dolgraag naar buiten willen, de zon in, maar zelfs dat voelt alsof ik eerst een vergunning moet aanvragen bij mijn eigen brein.

En toch vraag ik me elke keer weer af: "waarom gebeurt dit?" Wat kan ik doen zodat het niet meer gebeurt? Want eerlijk is eerlijk: soms word ik op de meest onverwachte momenten onderuit gehaald door herinneringen waarvan ik dacht dat ik ze allang had uitgezwaaid.

We maken allemaal pijnlijke dingen mee in het leven. Momenten waarop we onszelf tegenkomen, struikelen, opstaan, en soms weer struikelen. En ja, dat biedt kansen voor groei — maar niemand zegt erbij dat die groei soms voelt als een cursus “emotioneel gewichtheffen voor gevorderden”.

Eleanor Roosevelt zei het mooi:  

“Mensen groeien door ervaring wanneer ze het leven eerlijk en moedig tegemoet treden. Zo wordt karakter gevormd.” 

Prachtig. Maar wat als je rationeel allang klaar bent met het verleden, en het toch voelt alsof er nog onzichtbare koorden aan je trekken?

Ik leer steeds meer dat vergeven — mezelf én anderen — geen luxe is, maar een noodzaak. Want pijnlijke gebeurtenissen die ik blijkbaar nog niet helemaal heb losgelaten, tikken me soms zomaar uit balans. Zodra verdriet uit het verleden aanklopt, vlucht ik vaak mijn hoofd in. Daar ga ik dan: analyseren, herkauwen, waarom-vragen stellen waar geen mens ooit een sluitend antwoord op krijgt.

En dat helpt dus… niet. Het houdt me alleen maar vast in een verhaal dat allang geen nieuw hoofdstuk meer verdient.

Ik weet dat ik het mag loslaten. Dat ik niet meer hoef mee te spelen in een toneelstuk waarvan het doek allang gevallen is. Ik mag vanaf de zijlijn toekijken, zonder schuld, zonder strijd.

En het einde?

Misschien is dit wel de les: soms is groei niet stoer, niet moedig, niet elegant. Soms is groei gewoon erkennen dat je overprikkeld bent, dat je even niets kunt, en dat dat oké is.  

Karakter wordt niet alleen gevormd door dapper het leven tegemoet te treden, maar ook door zacht te zijn voor jezelf wanneer je hoofd even besluit dat het genoeg is geweest.

En morgen… morgen zien we wel weer verder.

Blijf zacht voor jezelf




Een brief aan mijn lichaam (en iedereen die denkt dat ik alleen maar ziek ben).


Lief lijf,

Weet je, soms lijkt het alsof anderen denken dat mijn ziek-zijn mijn volledige identiteit is. Alsof ik een wandelende diagnose ben met een hobby. Maar nee hoor, ik ben véél meer dan dat. Ik ben een compleet mens, met dromen, humor, koppigheid en een voorkeur voor koffie die bijna religieus te noemen is.

Natuurlijk heb ik mij wel eens afgevraagd 'Waarom heb ik dit?"of 'Waar heb ik dit toch aan verdient?'Wat wil mijn lichaam mij dan vertellen? Luister ik wel goed? Heb ik zelf schuld aan mijn ziekzijn? Conclusie: Ik dacht het dus niet!

Laatst las ik een quote van Oprah Winfrey: “Health is a choice.” Nou, Oprah, ik heb nieuws voor je: Fout! Gezond eten, sporten, op tijd naar bed — dát zijn keuzes. Maar gezondheid zelf? Niemand wordt wakker en denkt: “Goh, laat ik vandaag eens een chronische aandoening proberen. Gewoon, voor de afwisseling.” Gezond zijn is een privilege. Een zegen zelfs. Iets waarvoor je elke dag best even dankbaar mag zijn, al is het maar in gedachten.

En dan die opmerkingen…  

“Ja, ik ben ook weleens moe.”  

“Je doet ook niet zoveel op een dag, hè?”  

Hoe vaak ik wel niet over mijn grenzen ben gegaan om maar ‘normaal’ te lijken. Om mee te doen. Om niet de zeurpiet van de groep te zijn. En elke keer betaalde ik de prijs: pijn, vermoeidheid, uitputting. En als ik dan eerlijk vertel wat er speelt, krijg ik óf een meewarige blik, óf de subtiele boodschap dat ik me aanstel. Heerlijk, die sociale finesse.

Maar weet je wat? Ik weiger nog langer in die slachtofferrol te kruipen. Ik ben niet minder waard dan iemand die “gezond” is. Mijn waarde zit niet in wat mijn lichaam wel of niet kan. Mijn waarde zit vanbinnen — warm, liefdevol, en hopelijk met een gezonde dosis verstand (al is dat laatste soms afhankelijk van de hoeveelheid slaap).

Beter worden zit voor mij niet in mijn lichamelijke situatie. Natuurlijk schreeuw ik weleens tegen het universum, maar wat levert dat op? Word ik daar beter van? Beter dan wie? Beter dan wat? En ja, ik begrijp heel goed dat anderen met een chronische ziekte soms aan het einde van hun latijn zijn. Vooral door opmerkingen van mensen die ogenschijnlijk kerngezond zijn. Maar hé — wie weet waar zij mee worstelen wat ik niet zie?

Lange tijd dacht ik: Als ik maar hard genoeg mijn best doe, word ik misschien beter en kan ik weer verder zoals vroeger. Maar inmiddels weet ik: dit ís mijn leven. Dit lichaam, inclusief de gebreken, verdient het om geleefd, gekoesterd en bemind te worden. Niet later. Nu.

Lief, lief lijf, 

Wat vraag jij elke dag een kracht van mij. Mijn hart gaat naar je uit. Ik neem mijn petje voor je af — voor mijzelf dus eigenlijk. Wat een strijd lever je, elke dag opnieuw. Ik straf je niet meer. Ik ben niet boos op je. Ik denk aan je, liefdevol. Ik reis met je naar een plek voorbij goed en fout, voorbij gezond en ziek, voorbij perfect en imperfect.

Blijf zacht, ook als het even niet meezit.  




We eten spruiten vandaag.........

Ik herinner me nog levendig hoe vreselijk ik spruitjes vond als kind.  

(Precies hetzelfde verhaal als met witlof… dat ik nu overigens met liefde naar binnen schuif. Mensen veranderen, hè.)

Alleen al de geur wanneer mijn moeder de deksel van de pan optilde. BÁH! 

En dan die marteling aan tafel: spruitje voor spruitje naar binnen werken, bijna kokhalzend, terwijl mijn moeder zei: “Nog drie. Je kunt het.”  Alsof ik de Mount Everest beklom.

Waarom lusten zoveel kinderen eigenlijk geen spruitjes?

We worden allemaal geboren met ingebouwde smaakvoorkeuren.  Zoet? Heerlijk.  Bitter en zuur? Alarmfase rood!

Heel vroeger — echt héél vroeger — wisten mensen instinctief wat veilig was om te eten. Bittere planten waren vaak giftig, zoete bessen meestal niet. Dat oerinstinct zit nog steeds in ons systeem. Dus wanneer een kind een spruitje proeft, denkt het brein:  “PAS OP! Bitter! Giftig! Wegwezen!”

En dan hebben kinderen ook nog eens veel meer smaakpapillen dan volwassenen. Die zitten bij hen overal in de mond, terwijl wij volwassenen ze vooral nog op de tong hebben.  

Kortom: wat wij ‘een licht bittertje’ noemen, komt bij kinderen binnen als een soort culinair luchtalarm.

Je zou dus kunnen zeggen dat kinderen geboren worden met een uitstekend werkend beschermingsmechanisme.  (En dat wij volwassenen dat mechanisme vrolijk negeren.)

Maar waarom stinken die dingen zo?

Omdat er — hou je vast — S‑methyl‑L‑cysteïne‑sulfoxide in zit.  

Ja, ik weet het. Het klinkt alsof iemand met zijn hoofd op het toetsenbord is gevallen.

Het is een zwavelhoudende verbinding die voorkomt in ui‑achtigen zoals ui, knoflook, prei en bieslook.  Maar óók in spruitjes, broccoli, bloemkool, witte kool, boerenkool en koolrabi.  

Kortom: alles wat kinderen verdenken van kwade bedoelingen.

Ik ben het klassieke voorbeeld.

Als kind vond ik al die groenten automatisch verdacht en waarschijnlijk levensgevaarlijk.  Maar als volwassene?  Ik sla alle alarmsignalen compleet in de wind. Sterker nog: ik eet ze met liefde.  (Meestal zelfs vrijwillig.)

Leuk weetje om mee af te sluiten

Sinds de jaren ’90 zijn spruitenrassen bewust gekruist op minder bittere en minder zwavelige eigenschappen.  Dus als je vroeger spruiten vies vond, is de kans een stuk groter dat je ze nu wél lekker vindt.


En zo niet… dan kun je altijd nog doen alsof.  

Voor de kinderen.  

Of voor de gezelligheid. 


Blijf zacht. 




Kruisdominantie: het leven met een hybride brein.

Waarom mijn brein links schrijft maar rechts denkt.....

Ik heb mijn hele leven al een fascinatie gehad voor handschriften. 

Als kind kon ik uren bladeren in boeken en schriften vol sierlijke krullen en elegante letters. Het ene handschrift nog mooier dan het andere. Mijn eigen handschrift vind ik eerlijk gezegd niet zo bijzonder, maar er is wél iets opvallends aan mij (dat heeft ooit iemand gezegd, dus het telt): ik kan heel makkelijk van handschrift veranderen.

Op school deed ik dat regelmatig — tot grote frustratie van mijn leraren. Op een gegeven moment kreeg ik zelfs te horen dat ik daarmee moest stoppen, omdat ze niet meer zeker wisten of ik mijn opdrachten wel zelf had gemaakt. Complimenten kreeg ik dan weer wél: ik schreef namelijk heel netjes. Dat talent heb ik van mijn ouders; vooral mijn moeder had een prachtig handschrift.

In ons gezin is het trouwens een interessante verdeling: een paar broers en een zus schrijven schitterend, en een paar… laten we zeggen: functioneel. Maar die hebben dan weer andere geweldige talenten. Ik ben de enige die links schrijft, al ben ik niet volledig links. Ik heb wat ze noemen kruisdominantie. Dat betekent dat ik bijvoorbeeld niet met links kan gooien of een bal kan wegschoppen — dat gebeurt allemaal met rechts.

Mijn oma van moeders kant spande echter de kroon: zij kon perfect simultaan spiegelschrijven. Vooral haar handtekening was indrukwekkend. Legde je de gewone en de spiegelversie op elkaar, dan waren ze bijna identiek. Ze was linkshandig geboren, maar dat mocht vroeger niet, dus moest ze leren schrijven met rechts. Haar brein loste dat op door rechts normaal te schrijven en links in spiegelbeeld — maar wel in exact hetzelfde handschrift. Een vroege, volledig handmatige vorm van beeldbewerking.

En dan nu weer terug naar mij

Veel mensen denken dat ik ook “links denk” — nee, we hebben het hier niet over politiek. 

Er wordt vaak gedacht dat rechtshandigen mij dingen niet goed kunnen voordoen, maar dat is voor mij geen enkel probleem. Mijn brein schakelt razendsnel om. Doe je mij met je rechterhand voor hoe ik moet haken, dan vertaalt mijn hoofd dat automatisch naar links.

Mijn laptopmuis bedien ik met links, maar hij staat gewoon ingesteld op rechts. Bijna alles is gemaakt voor rechtshandigen, dus ik heb me — net als mijn oma — daarop aangepast. Anders zou ik nu waarschijnlijk nog steeds proberen een schaar te begrijpen.

Ik gebruik dus mijn motoriek → links, en mijn cognitieve mapping → rechts. Dat is kruisdominantie, maar dan op taakniveau. Mijn hersenen hebben geleerd:

- linkerknop = primaire actie  

- rechterknop = secundaire actie  

Ik ben dus een rechtsdenker geworden. 

Of misschien was ik het al — wie zal het zeggen.

Veel mensen hebben een dominante hersenhelft voor bepaalde taken. In mijn geval betekent het niet dat ik letterlijk “met rechts denk”, maar dat mijn taakstrategie rechtsdominant is, terwijl mijn motorische uitvoering linksdominant is. Dat is een vorm van functionele kruisdominantie.

Mijn systeem werkt eigenlijk prima: mijn hersenen hebben een soort hybride besturingssysteem gebouwd dat voor mij efficiënt is. Linkerhand = beweging. Rechterhand = knoplogica. Het gaat zo: ik gebruik een rechtshandige schaar met links: volgens de standaard niet ideaal, maar mijn brein maakt er gewoon zijn eigen handleiding bij.

Is dat dan altijd handig?

Je zou denken van wel, maar nee. Soms kost het extra energie om nieuwe motorische taken onder de knie te krijgen. En bij dingen die heel sterk op rechtshandigen gericht zijn, kan ik me behoorlijk onhandig voelen. Alsof ik ineens twee linkerhanden heb — ironisch genoeg.

Maar over het algemeen is het geen beperking. Het is eerder een unieke manier van omgaan met de wereld. Een soort ingebouwde creatieve workaround. 

Iedereen heeft zo zijn eigen manier van bewegen, denken en doen. Dit is de mijne. Anders, maar functioneel. En soms zelfs best handig. Ik zou het in ieder geval niet anders willen.

Blijf zacht


Fibromyalgie en ik: een ingewikkelde relatie.

Over een lichaam dat zijn eigen regels maakt en mij vergeet te informeren 

 Wat je niet ziet, maar wat er wél is

Fibromyalgie en ik: een ingewikkelde relatie. Niet omdat het geen deel van mijn leven is, maar omdat ik er zelf meestal niet bepaald een polonaise van ga lopen. Misschien vind ik het te confronterend, misschien ben ik er gewoon een beetje klaar mee — wie zal het zeggen.

Maar goed, vanmorgen vroeg struikelde ik over een blog van iemand die al op haar 17de de diagnose kreeg. Zeventien! Ik kreeg ’m ruim tien jaar later pas, terwijl mijn klachten al rond mijn 16de begonnen. Mijn enkels, polsen, heupen, schouders en vooral mijn knieën waren toen al in volledige dramamodus. Ik hoefde mijn knieën maar aan te kijken en ze deden pijn. Stootte ik ze ergens tegenaan, dan zaten ze meteen vol vocht. Alsof ze een eigen kuuroord runden.

De omstandigheden thuis waren destijds niet bepaald ideaal om aandacht te besteden aan mijn klachten. En omdat fibromyalgie toen nog klonk als iets dat je verzon om onder de gymles uit te komen, werd ik vooral niet serieus genomen. “Het zit tussen je oren,” was de diagnose van dienst. Mijn huisarts probeerde me op mijn 20ste zelfs antidepressiva aan te smeren. Eh… nee bedankt.

Ik heb van alles geprobeerd: acupunctuur, fysiosport, alternatieve dingen waarvan ik nu niet eens meer weet hoe ze heetten. Niets hielp. Het enige dat wél verschil maakte, was leren omgaan met mijn tijd en mijn lijf. Niet sexy, wel effectief.

Vijf jaar geleden dacht ik even dat ik dé oplossing had gevonden: meer bewegen! Dus ik schreef me in bij de fysiosport. In het begin ging het prima, maar na een tijdje merkte ik dat mijn herstel en mijn trainingen elkaar begonnen te overlappen. Oftewel: ik herstelde gewoon niet. Aanpassen hielp niet. Minder vaak gaan hielp niet. Uiteindelijk was ik alleen nog maar bezig met trainen, herstellen, niet herstellen en weer opnieuw beginnen. Ik was er helemaal klaar mee. Dus ik stopte.

Nu beweeg ik als het kan, en niet als het niet kan. Simpel. En eerlijk gezegd: ik heb er vrede mee. Zodra het weer warmer wordt, doet mijn lijf het meestal beter en word ik vanzelf actiever. Ik vertrouw daar inmiddels op.

In die blog van vanmorgen las ik ook dat zij soms twijfelt aan de diagnose. Dat herken ik zó. Die beroemde triggerpoints? Ik heb ze niet allemaal. En zeker niet elke dag. Soms lijkt het alsof ze verhuizen. Dan doet plek A ineens niks meer, maar plek B besluit spontaan auditie te doen voor een rol in een drama-serie. Maar nooit allemaal tegelijk. Dus ja, ook ik twijfel wel eens.

Maar om nou tegen iedereen te zeggen dat ik lijd aan de ziekte van Ze-weten-het-niet…

Blijf zacht voor je lijf


Note:

Wil je haar blog bekijken kijk dan eens op Gelukkig de 13de




Moe zijn is ook gewoon een fulltime baan

Mijn hoofd wil marathons lopen, maar mijn lijf heeft zich aangemeld voor een langdurige zitcursus. Over loslaten, stofnesten en ziteelt — ja, dat lees je goed.

Ik ben heus niet altijd die positiviteitsgoeroe die iedereen denkt dat ik ben. Echt niet. Ik word ook gewoon gallisch van die vage buikpijn die al dagenlang besluit mijn huisgenoot te zijn. En die vermoeidheid… daar word ik dus óók moe van. Het is niet eens mijn hoofd dat moe is — was het maar zo’n feest. Dan kon ik gewoon de luiken dichtgooien en de boel de boel laten. Maar nee hoor, het is mijn lichaam dat weer eens in staking is. Zonder onderhandelingen, zonder duidelijke waarschuwing. Of nou ja, misschien wel maar ik koos er weer eens voor dat te negeren.

Elke keer als ik denk: nu ga ik eens flink de boel aan kant maken, zegt mijn lijf in alle talen: “Succes ermee, maar zonder mij.” Ik ben gewoon moe van het moe zijn. Zoveel plannen, zoveel ideeën, en nul uitvoering omdat mijn lijf de rem erop houdt. Om te huilen, bijna.

Maar dát gaan we dus niet doen!

Ik weiger mijn humeur te laten afhangen van een lichaam dat zich gedraagt als een peuter die zijn schoenen niet aan wil. Ja, het stof ligt hier inmiddels flink grijs te wezen. En ja, een sopje hier en daar zou geen overbodige luxe zijn. En natuurlijk kan ik manlief vragen om wat dingen te doen — wat hij overigens met liefde en best goed doet. Maar hij doet het wel… op zijn mans. En veel vrouwen weten precies wat ik daarmee bedoel.

Daar ligt voor mij dus nog een levenslesje: loslaten.

Let it be. Laat het gaan.

Laat gaan dat het niet NU wordt gedaan. Laat gaan dat het anders wordt gedaan dan jij zou doen. Laat gaan dat jij nu even niet kan — straks wel weer. Laat gaan.

En ondertussen denkt iedereen waarschijnlijk dat ik gewoon een dikke kont heb. Nou, dat is dus voor de helft pure ziteelt.

Dus ja, het is even behelpen. Mijn lijf doet zijn eigen ding, mijn hoofd wil van alles, en het huis… tja, dat ligt geduldig te verstoffen. Maar ik laat het los. Straks kan ik weer meer, straks komt de energie terug. En tot die tijd? Dan kweek ik gewoon nog wat extra ziteelt. Je moet toch íets.


Blijf zacht, ook als het allemaal even niet lukt


Tussen glimlach en kruimel (Deel 2)

 Ik en Mijn 206 Botten (We Doen Ons Best)

Blijf zacht in je lijf dat soms weigert


Soms ben ik verdrietig om alles wat ik niet (meer) kan. Niet elke dag hoor — meestal red ik me prima. Maar soms… ja, soms. Dan zit ik te klooien met een pot pindakaas alsof ik auditie doe voor een slapstickfilm. Deksels die vroeger gewoon plop deden, zitten nu vast alsof ze met industriële lijm zijn dichtgelast. Zonder hulpmiddel krijg ik ze niet meer open. En dan voel ik me even zo’n soort tragikomische superheld: De Vrouw Die Een Pot Niet Open Kreeg.

En dan zijn er die dagen — soms weken — dat ik geen potlood of penseel aanraak. Niet omdat ik geen zin heb, maar omdat mijn lijf besluit dat creativiteit vandaag even niet aan de orde is. Mijn handen willen wel, maar de rest van mijn lichaam is dan druk bezig met een soort permanente, onvrijwillige ademhalingscursus. Hyperventileren zonder dat ik het doorheb. En van dat gepuf krijg ik dan weer hoofdpijn. Het is een soort kettingreactie, maar dan zonder de glamour.

Er zijn ook dagen dat ik zo moe ben dat ik nauwelijks van de bank af kom. Mensen die mij kennen, zien mij als die altijd vrolijke, goedlachse vrouw die het leven niet al te serieus neemt. Maar de drie mensen die mij écht kennen — en dat zijn er inderdaad maar drie — weten dat er achter die lach soms pijn en verdriet schuilgaat.

Maar ik laat het niet mijn leven bepalen. Iedereen heeft wel iets dat niet zo lekker loopt. Maar als ik de hele dag “ach en wee” ga roepen, dan wordt mijn leven vanzelf één groot klaaglied. En wat blijft er dan nog over…? Precies. Niets waar je blij van wordt.

Dus ik kies — bewust — voor vrolijkheid, liefde, licht en geluk. Want ja, mijn lijf doet soms dingen die ik niet wil. Maar het doet óók nog heel veel dingen wél.

Ik heb, net als jij waarschijnlijk, 206 botten. Die houden me overeind, beschermen mijn 19 organen (negentien! Ik vind dat veel) en zorgen ervoor dat ik kan bewegen. In die botten zit beenmerg dat bloedcellen maakt. En dat bloed — zo’n vijf liter — vervoert zuurstof, voeding en afvalstoffen alsof het een hyperactieve postbode is die nooit koffie pauze neemt.

En dan mijn brein. Mijn interne supercomputer. Geen enkele mainframe kan daar tegenop. Zonder dat ding… nou ja, dan wordt het lastig.

En spieren! Het hart natuurlijk als belangrijkste. Als die ermee stopt, klopt er letterlijk niets meer. En dat alles wordt bij elkaar gehouden door mijn huid — het grootste orgaan dat ik bezit. Dat is toch eigenlijk een wonder.

Dus ja, soms ben ik verdrietig of boos om wat niet meer lukt. Dat mag. Ik mag vloeken, huilen, schreeuwen en stampvoeten als een peuter die zijn koekje niet krijgt. Maar ik blijf er niet in hangen.

Dan zeg ik tegen mezelf:
Hup. Haar los. Kroontje recht. En doorrrrr.

Blijf zacht 

Tussen glimlach en kruimel (deel 1)

 Over het leven achter de glimlach en de kruimels


Van vergelijken word ik dus écht een beetje ongelukkig. Ik heb ontdekt dat vergelijken ongeveer net zo gezond is als ontbijtkoek eten vóór het sporten: je denkt dat het kan, maar je eindigt vooral met spijt… en maagzuur. Online lijkt iedereen een leven te hebben dat rechtstreeks uit een reclamefolder komt. Stralende gezichten, perfecte vakanties, kinderen die nooit schreeuwen en partners die altijd lachen.

En ik? Ik zit soms gewoon op de bank in mijn pyjama, met een kruimel in mijn decolleté en een kat op mijn toetsenbord.

Maar goed — achter die vrolijke plaatjes gaat vaak een heel ander verhaal schuil.

Neem nou mijzelf. Ik kan lachen alsof ik auditie doe voor een tandpastareclame, maar ondertussen worstel ik al jaren met pijn, vermoeidheid en overprikkeling. Ik lach… maar soms huil ik ook. Niet dramatisch in de regen, hoor. Gewoon in de badkamer, zoals normale mensen.

Of neem die man die trots zijn nieuwste bouwproject post. Mooie foto, stoere pose. Wat je niet ziet: dat hij diezelfde ochtend te horen kreeg dat zijn werk “niet goed genoeg” was. U kunt wel gaan, meneer. Maar hé, eerst nog even een foto voor de socials.

Of dat kind dat tussen de vrolijke TikTok‑filmpjes door met zijn handen op zijn oren in de kast zit. Papa en mama schreeuwen weer tegen elkaar. Maar online? Online is alles “superleuk!!!”.

En dan kijk ik naar mijn eigen leven. Mijn rommelige, soms pijnlijke, soms zo prachtige leven. En ik denk: dit is het. Dit is wat ik heb. En hiermee moet ik het beste zien te doen.

Ik mag verdriet hebben. Ik mag schreeuwen, stampen, vloeken als het moet. En ja, ik mag heus wel eens vergelijken — ik ben ook maar een mens. Maar ik probeer mezelf eraan te herinneren dat er meer maskers in omloop zijn dan er mensen op deze aardkloot rondlopen.

En dat helpt. Soms een beetje. Soms veel.

En soms helemaal niet. Maar dan heb ik in elk geval nog een kat die op mijn toetsenbord gaat liggen alsof hij de Oppermentor van mijn leven is.

Blijf zacht

Adrenaline is geen levensstijl (blijkbaar)



Er zijn van die dingen die je al lang weet, maar waar je liever niet te veel bij stilstaat. Voor mij was dat fibromyalgie. De klachten begonnen toen ik zestien was, de diagnose kwam op mijn zesentwintigste. Inmiddels ben ik zestig, en als ik terugkijk zie ik vooral één ding: ik heb jarenlang keihard genegeerd wat mijn lijf me probeerde te vertellen.

Ik leefde op adrenaline. Letterlijk. Ik was de koningin van “doorgaan”, “komt goed” en “even doorbijten”. Mensen zagen nooit hoeveel pijn ik had of hoe uitgeput ik was. En als ik er echt doorheen zat, dan trapte mijn lijf gewoon nog wat extra adrenaline in. Handig, tot het niet meer handig was.

In 2006 overleed mijn toenmalige partner plotseling. Vanaf dat moment ging ik nóg harder rennen. Van stay‑at‑home pleegmoeder naar fulltime werken, vaak meer dan veertig uur per week. Mijn contract zei 32 uur, maar mijn adrenaline zei: “Kom maar, ik doe er nog een schepje bovenop.”

En toen kwam manlief. Hij trok bij ons in, nam taken over en gaf me rust. En precies op dat moment dacht mijn lijf: “Mooi. Dan gooien we nu de stekker eruit.”  

Het resultaat? Een complete shutdown. Een burn‑out waarvan de huisarts zei dat hij die al veel eerder had verwacht. Ik niet, natuurlijk. Ik was toch degene die altijd lachte, praatte en doorging?

Ik werkte toen als taxichauffeuse. De dag voor ik uitviel bracht ik acht kinderen naar school. Ik herinner me alleen het ophalen; de rest is weg. De volgende ochtend begon mijn lijf te trillen alsof ik op een ijsplaat stond. Rijden lukte niet meer. Thuis stortte ik in.

Daarna kwam de mallemolen: ziekmelden, huisarts, ongeloof, geen antidepressiva willen, contract niet verlengd. Mijn dagen bestonden uit slapen, douchen, eten en huilen. Manlief zorgde voor me alsof ik een uitgeputte huisplant was die vooral niet te veel zonlicht moest krijgen.

Heel langzaam kwam ik weer een beetje boven water. De pijn bleef, maar ik leerde ermee omgaan. Na talloze gesprekken en keuringen werd ik afgekeurd. Iedereen vond dat logisch, behalve ik. Het voelde alsof alle vooruitgang onder me vandaan werd getrapt.

Gelukkig bleef manlief me laten zien dat ik ook zonder baan waardevol was. Ik pakte mijn hobby’s weer op, vond plezier in thuis zijn en ontdekte dat rust geen vijand is maar een bondgenoot.

Mijn vertrouwen in mensen had wel een flinke deuk opgelopen. Vriendinnen die geen vriendinnen bleken, pleegkinderen die weg moesten, mensen die me lieten vallen. “Wat ben je veranderd,” zeiden ze. Ja — ik kwam eindelijk voor mezelf op. Dat was even wennen.

Controle houden was altijd mijn manier geweest om grip te krijgen op een leven dat vaak oncontroleerbaar was. Toen de burn‑out toesloeg, verloor ik die controle volledig. Ik moest leren vertrouwen op anderen. Hulp vragen bleek geen zwakte, maar een noodzakelijke les.

Loslaten blijft lastig. Maar ik heb geleerd dat accepteren wie ik ben — inclusief mijn behoefte aan controle — minstens zo belangrijk is als proberen die controle op te geven. En eerlijk? Dat inzicht heeft me meer rust gegeven dan al die jaren adrenaline ooit heeft gedaan.

Blijf zacht




We hebben het er niet graag over he?

 


POEP.

De kleur, geur en consistentie van je poep zegt veel over je gezondheid en wat je gegeten hebt. Tenminste dat is wat de mdl arts (maag-darm-leverarts) mij vertelde. Maar met pds — mijn gezellige prikkelbare darm — is het soms moeilijk achterhalen waar die kleur, geur en consistentie precies vandaan komt. 

Nu zat ik vanmorgen rustig op het toilet mijn ding te doen, toen mij een nogal onaangename geur tegemoet kwam.

Best logisch want, poep bestaat namelijk uit afvalstoffen en het is niet de bedoeling dat we ooit in de verleiding komen er een hapje van te nemen. 

Dit keer echter was de geur van de Rafflesia ( google maar eens als je durft) er als een roosje bij. 

Er is blijkbaar een soort chemische oorlogsvoering bezig in mijn darmstelsel waar zelfs de honden geen poep van lusten. Bovendien plakte mijn drol behoorlijk aan pot én achterwerk.

Stront aan de knikker dus.

Bij mij betekent dat meestal: te veel lactose, gluten, eiwitten of vet. En dat terwijl ik net weer eens mijn dieet probeerde op te pakken. Maar ja, manlief had gisteren zo’n goddelijke maaltijd gemaakt… helaas ook een bommetje vol met alles wat mijn darmen haat.

Het is ook nooit goed.

KAK!

Blijf zacht,..maar niet te.






Het was me het nachtje wel weer..

Het was weer zo’n nacht waarvan je denkt: ach gezellig, mijn brein heeft een feestje georganiseerd en ik was niet uitgenodigd. Ik werd ongeveer twintig keer wakker, steeds na een powernap van drie minuten met een droom die nergens op sloeg.

Eerst zag ik Manlief serieus in gesprek met Captain Kirk én Spock (ben ik dan nu écht oud?). Daarna zat ik ergens te eten en kreeg ik een stuk karton tussen mijn tanden dat zich daar permanent leek te willen vestigen. En zo ging het de hele nacht door: droom, zweet, Vitruviushouding aannemen om af te koelen, omdraaien, opnieuw beginnen. Ik was basically een menselijke draaimolen.

Je zou denken dat ik ’s ochtends compleet gesloopt zou zijn, maar gek genoeg valt dat mee. Blijkbaar telt al die versnipperde slaap toch op. Al zou ik best eens willen weten hoe het voelt om één lange, volwassen, degelijke nacht te hebben.

Rond een uur of vier werd ik weer wakker, maar dit keer hoorde ik buiten twee merels een soort zangwedstrijd houden. Ik dacht nog: hebben die vogels geen winterjas? Maar eerlijk: ik kan daar zó van genieten. Terwijl ik lag te luisteren naar hun duet, dommelde ik weer weg en sliep tot half negen — zonder rare dromen, zonder karton, zonder Star Trek-cameo’s.

Misschien moet ik voortaan maar met een vogelgeluiden-cd naar bed. Wie weet wat voor nachtrust ik dan krijg. Misschien word ik dan zelfs maar tien keer wakker.

Blijf zacht,...slapen.

H D H D

Ik heb vandaag een echte HDHD-dag. Hele Dag Heel Druk. Tenminste… in mijn hoofd. Daar rent een heel team onzichtbare projectmanagers rond te schreeuwen dat ik nog dit moet, dat wil, en óók nog even zus-en-zo kan doen. Ondertussen loop ik zelf rond als een kip zonder kop die eigenlijk… helemaal niks doet. 

Behalve druk zijn met druk zijn.

Oké, eerlijk is eerlijk: we hebben wél boodschappen gedaan. In drie verschillende winkels nog wel. Drie! Dat is voor mij ongeveer hetzelfde als een marathon, maar dan zonder medaille of applaus. Pfffff. Maar goed, wir haben es geschaft.

Mijn hoofd is inmiddels zo vol dat het bijna met een megafoon staat te tetteren. Concentreren op een gesprek met manlief? Vergeet het maar. Hij praat, ik knik, maar in mijn hoofd staat iemand confetti te strooien terwijl een ander roept: “Wat moesten we ook alweer doen?!”

En mocht je denken dat ik dit stukje er even soepel uit ram — ha! Nee hoor. Je wil niet weten hoe vaak ik zinnen heb herschreven. En hoe lang ik daarover heb gedaan. Mijn delete-knop is inmiddels emotioneel uitgeput.

Maar goed. Eerst een stevig bakkie jus de Brasil. Daarna zie ik wel wat mijn brein besluit. Misschien rust. Misschien chaos. Misschien een spontane behoefte om de sokkenla te reorganiseren. Je weet het nooit met dat ding.

Blijf zacht

Spikkeltjes

Het was augustus 2016 toen onze huisarts, met een gezicht alsof ze zojuist had ontdekt dat de wereld verging, ineens op onze bank zat. Een week eerder had ik het bevolkingsonderzoek borstkanker gehad, en nu vertelde ze dat er “iets” in mijn borsten gezien was. Spikkeltjes. Ze had zelfs al een afspraak gemaakt bij de Mammapoli. Iedereen gespannen. Behalve ik. Ik voelde het meteen: dit was niks. Geen borstkanker. Punt.

Dus ik naar de Mammapoli, waar ik zó vriendelijk werd ontvangen dat ik bijna vergat waarvoor ik kwam. Nieuwe foto’s moesten er komen. Veel foto’s. Mijn borsten werden vanuit elke denkbare hoek vastgelegd — National Geographic zou er jaloers op zijn. En ja hoor, daar gingen ze weer: fijn geplet tussen twee ijskoude platen. Elke keer denk ik: wie heeft dit apparaat ontworpen en waarom haat die persoon vrouwen.

Maar goed, het was voor een goed doel. Al vraag ik me nog steeds af hoe gezond het is om borsten zo plat te drukken dat je ze bijna als pannenkoek kunt serveren.

Na grondig onderzoek kwam de conclusie: kalkjes. Jawel. “Mevrouw, u heeft kalkjes.” Alsof ik een slecht ontkalkte waterkoker was. Ze wilden het wel goed in de gaten houden, dus mocht ik drie jaar lang elk half jaar terug om opnieuw geplet te worden. En ja hoor: het bleven kalkjes.

Nu ligt er weer een nieuwe afspraak op de mat. Niet van de Mammapoli, maar van het officiële bevolkingsonderzoek. En ik vraag me serieus af waarom ik mezelf dit blijf aandoen. Natuurlijk weet ik dat het verstandig is. Beter vroeg dan te laat — ik ken genoeg verhalen die anders afliepen.

Maar toch. Ik snap nog steeds niet dat wij vrouwen dit allemaal maar slikken. Er bestaat een pijnloze methode. Maar ja… dat zal wel weer te duur zijn. Want laten we eerlijk zijn: money in the pocket is blijkbaar belangrijker dan comfortabele borsten.

Blijf zacht, ook voor je borsten.