Posts tonen met het label Hartwerk. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Hartwerk. Alle posts tonen

Een brief aan mijn lichaam (en iedereen die denkt dat ik alleen maar ziek ben).


Lief lijf,

Weet je, soms lijkt het alsof anderen denken dat mijn ziek-zijn mijn volledige identiteit is. Alsof ik een wandelende diagnose ben met een hobby. Maar nee hoor, ik ben véél meer dan dat. Ik ben een compleet mens, met dromen, humor, koppigheid en een voorkeur voor koffie die bijna religieus te noemen is.

Natuurlijk heb ik mij wel eens afgevraagd 'Waarom heb ik dit?"of 'Waar heb ik dit toch aan verdient?'Wat wil mijn lichaam mij dan vertellen? Luister ik wel goed? Heb ik zelf schuld aan mijn ziekzijn? Conclusie: Ik dacht het dus niet!

Laatst las ik een quote van Oprah Winfrey: “Health is a choice.” Nou, Oprah, ik heb nieuws voor je: Fout! Gezond eten, sporten, op tijd naar bed — dát zijn keuzes. Maar gezondheid zelf? Niemand wordt wakker en denkt: “Goh, laat ik vandaag eens een chronische aandoening proberen. Gewoon, voor de afwisseling.” Gezond zijn is een privilege. Een zegen zelfs. Iets waarvoor je elke dag best even dankbaar mag zijn, al is het maar in gedachten.

En dan die opmerkingen…  

“Ja, ik ben ook weleens moe.”  

“Je doet ook niet zoveel op een dag, hè?”  

Hoe vaak ik wel niet over mijn grenzen ben gegaan om maar ‘normaal’ te lijken. Om mee te doen. Om niet de zeurpiet van de groep te zijn. En elke keer betaalde ik de prijs: pijn, vermoeidheid, uitputting. En als ik dan eerlijk vertel wat er speelt, krijg ik óf een meewarige blik, óf de subtiele boodschap dat ik me aanstel. Heerlijk, die sociale finesse.

Maar weet je wat? Ik weiger nog langer in die slachtofferrol te kruipen. Ik ben niet minder waard dan iemand die “gezond” is. Mijn waarde zit niet in wat mijn lichaam wel of niet kan. Mijn waarde zit vanbinnen — warm, liefdevol, en hopelijk met een gezonde dosis verstand (al is dat laatste soms afhankelijk van de hoeveelheid slaap).

Beter worden zit voor mij niet in mijn lichamelijke situatie. Natuurlijk schreeuw ik weleens tegen het universum, maar wat levert dat op? Word ik daar beter van? Beter dan wie? Beter dan wat? En ja, ik begrijp heel goed dat anderen met een chronische ziekte soms aan het einde van hun latijn zijn. Vooral door opmerkingen van mensen die ogenschijnlijk kerngezond zijn. Maar hé — wie weet waar zij mee worstelen wat ik niet zie?

Lange tijd dacht ik: Als ik maar hard genoeg mijn best doe, word ik misschien beter en kan ik weer verder zoals vroeger. Maar inmiddels weet ik: dit ís mijn leven. Dit lichaam, inclusief de gebreken, verdient het om geleefd, gekoesterd en bemind te worden. Niet later. Nu.

Lief, lief lijf, 

Wat vraag jij elke dag een kracht van mij. Mijn hart gaat naar je uit. Ik neem mijn petje voor je af — voor mijzelf dus eigenlijk. Wat een strijd lever je, elke dag opnieuw. Ik straf je niet meer. Ik ben niet boos op je. Ik denk aan je, liefdevol. Ik reis met je naar een plek voorbij goed en fout, voorbij gezond en ziek, voorbij perfect en imperfect.

Blijf zacht, ook als het even niet meezit.  




Van farao tot feesttaart.

Hoe wonderlijk is het eigenlijk dat een oeroud ritueel van farao’s, geesten en maanoffers uiteindelijk heeft geleid tot… slingers van de HEMA en een plakje cake met koffie.


Soms vraag ik mij ineens iets af.  

Gisteravond bijvoorbeeld. Manlief en ik hadden zomaar — zoals wel vaker — een gesprekje over van alles en nog wat. Hoe we erop kwamen weet ik niet meer, maar op een gegeven moment hadden we het over verjaardagen. Manlief en ik vieren onze verjaardag eigenlijk niet meer.

Men vond onze verjaardag in het verleden niet belangrijk genoeg en daarom zijn we maar helemaal gestopt met een feestje organiseren. (Dat klinkt zieliger dan het is hoor)  We hebben ons erbij neergelegd.

Maar eigenlijk is het best gek dat wij in Nederland duidelijk verjaardag zeggen, terwijl Duitsers en Engelsen het - vertaald - hebben over een geboortedag.  

En dan plopt er een vraag op die wat mij betreft nader onderzoek verdient:  

Waar komt de term “verjaardag” eigenlijk vandaan?

Heb je je ooit afgevraagd wat je nou precies viert op je verjaardag? Je geboortedag? Dat je weer een jaar dichter bij een rollator bent? Of gewoon een sociaal geaccepteerde reden om taart te eten vóór 12:00?

Het antwoord hangt af van waar je woont — én van duizenden jaren aan tradities.

Het mooie is dat zowel kaarsjes uitblazen als zingen oeroude rituelen zijn die we tegenwoordig heel vanzelfsprekend vinden, maar die ooit diepe symbolische betekenissen hadden. Ze komen uit een mix van magie, religie, psychologie en sociale traditie.

In Nederland vieren we vooral dat de tijd genadeloos verder tikt.  

We zeggen dingen als “je wordt 30” of “je bent weer een jaar ouder”. De nadruk ligt dus op het ouder worden, niet op de geboorte zelf. Gezellig,............. toch?

In Zuid-Europa, Amerika en Azië vieren ze juist je geboorte. Daar is het meer: “Hoera, je bent op deze dag op aarde gedropt!” 

Bij ons is het eerder: “Sterkte, er is weer een jaar voorbij.”

De geschiedenis van verjaardagen is verrassend rijk en veel ouder dan de meeste mensen denken. Het is eigenlijk een verhaal over religie, macht, astrologie, angst voor geesten én… taart.

De eerste verjaardagen waren niet voor gewone mensen

In het Oude Egypte (ca. 3000 v.Chr.) vierde de farao niet zijn geboorte, maar zijn kroning. Men geloofde dat hij op dat moment “geboren werd als god”. Dat was dus de eerste vorm van een verjaardag: een ritueel van status en goddelijkheid.

In het Oude Perzië stonden ze bekend om hun grote verjaardagsfeesten voor koningen en edelen. Volgens Herodotus (Euhhhh… wie?)  kregen de rijken enorme banketten op hun geboortedag.

Verjaardagen zijn dus eigenlijk begonnen als een elitefeest.

In veel oude culturen geloofde men dat op de dag van je geboorte boze geesten extra actief waren. Daarom kwamen mensen samen om je te beschermen: ze maakten lawaai (muziek, klappen, roepen) en brachten offers of gaven geschenken om de geesten gunstig te stemmen.  

Een soort ouderwetse visite, *lang zal ze leven* zingen en cadeautjes geven. Het idee was: hoe meer mensen en lawaai, hoe veiliger je bent.

De Grieken brachten offers aan Artemis, de godin van de maan. Ze maakten ronde taarten (als de maan) en zetten er brandende kaarsen op.  

De rook van net uitgeblazen kaarsen bracht wensen naar de goden en het licht hield kwade geesten weg. Dit lijkt sterk op onze moderne verjaardagstaart.

De Romeinen vierden de eerste echte verjaardagen voor 'gewone' mensen. Ze vierden de verjaardagen van mannen (vrouwen kwamen pas veel later — hebben wij weer) en de stichting van Rome werd als verjaardag van de staat gevierd. Ze gaven cadeaus, hielden feesten en schreven verjaardagen op in kalenders.

Christenen zagen verjaardagen eerst als heidens vanwege astrologie en afgoderij. Pas toen de kerk heiligendagen ging vieren en de geboorte van Jezus een feestdag werd (Kerstmis), begonnen verjaardagen langzaam geaccepteerd te raken. Vanaf de middeleeuwen werd het steeds normaler om iemands verjaar- of geboortedag te vieren.

In de 18e eeuw ontstond in Duitsland het *Kinderfest*: een speciaal verjaardagsfeest voor kinderen, mét taart, kaarsjes uitblazen en een wens doen. Dit is de directe voorloper van de verjaardag zoals wij die nu kennen.

Vanaf de 19e en 20e eeuw kregen mensen meer vrije tijd, meer geld en verspreidden westerse gebruiken zich wereldwijd. Zo werd de verjaardag een universeel ritueel — al blijft de betekenis per cultuur verschillen.

Dus wanneer je voortaan je verjaardag of je geboortedag viert, denk dan eens aan…  

...hoe je eigenlijk deelneemt aan een eeuwenoude mix van magie, mythologie, cultuur, taart, en een vleugje existentiële paniek — en dat allemaal omdat iemand ooit besloot dat jij geboren moest worden.

Misschien moeten manlief en ik het maar weer gewoon gaan vieren. Met z'n tweetjes. Lekker knus. Voor de traditie.

***********

En als je denkt dat je klaar bent met nadenken over verjaardagen, geef ik je op de valreep nog even een kleine taalkundige wereldreis:

Engels & Duits: Die zeggen gewoon: geboortedag.  Nuchter, duidelijk, geen poespas. Alsof ze willen zeggen: “Je bent er ooit uitgekomen, dat vieren we. Punt.”

Frans & Portugees:  Anniversaire en aniversário:  Klinkt meteen alsof je een glas champagne hoort knallen.  Zij herdenken je bestaan alsof je een kleine nationale feestdag bent.

Spaans & Italiaans: Cumpleaños en compleanno:  Je “volmaakt” weer een jaar.  Alsof je een soort menselijke jaargang wijn bent die elk jaar net iets beter moet worden.

Scandinavië: Födelsedag, fødselsdag, syntymäpäivä: Allemaal varianten op: “Je bent geboren. Gefeliciteerd. Neem een koekje.”  Praktisch volk.

Centraal- en Oost‑Europa: Urodziny, narozeniny, születésnap:  Geboortedag, maar dan met meer medeklinkers dan je mond aankan.  Warm, maar stevig.

Turks, Arabisch, Hindi, Japans, Koreaans, Swahili, Indonesisch:  Allemaal varianten op: dag van geboorte.  Heel eerlijk, heel direct.  Alsof ze zeggen: “We vieren dat je er bent. Dat is genoeg.”

En wij, Nederlanders?  

Wij vieren dat je “verjaart”. Alsof je een kaas bent. 

Blijf zacht.


“Liefde heeft geen kalender nodig”

Valentijnsdag is weer begonnen hoor: de dag waarop heel Nederland collectief in een roze wolk wordt geduwd door de commercie. Rozen, chocolade, hartjesballonnen… als je niet meedoet, ben je blijkbaar een soort liefdesbarbaar. Nou, ik dus. En ik leg je graag uit waarom.

Valentijnsdag: de jaarlijkse commerciële liefdesinfuusdag

Het is weer Valentijnsdag. 

En eerlijk? Ik heb er dus he-le-maal niets mee. Het voelt als zo’n feest dat ooit ergens in Amerika is ontsnapt, op een vliegtuig is gesprongen en hier is geland met een koffer vol rozen, chocolade en hysterisch veel roze confetti. En wij? Wij hebben het massaal omarmd alsof het een nationale verplichting is. Koop je geen bos rozen waar je een hypotheek voor nodig hebt, of een ballon in de vorm van een hart zo groot als je auto, dan hoor je er blijkbaar niet meer bij. Wat mij betreft: commerciële pseudoromantische onzin.

In de jaren ’90 ging Amerika er nog eens extra hard tegenaan. Alles moest groter, zoeter, duurder en vooral… nóg meer. En natuurlijk deden wij Nederlanders vrolijk mee. Tegenwoordig zijn winkels al weken van tevoren omgetoverd tot een soort roze suikerspinhel: overal ‘love’, glitter en kitsch. Je zou bijna denken dat 14 februari een nationale feestdag is waar we ons maanden op moeten voorbereiden.

En dan die artikelen die beweren dat Valentijnsdag zó leuk en zó liefdevol is. Ja hoor, liefdevol voor de portemonnee van ondernemers misschien. En alsof dat nog niet genoeg is, krijg je als single ook nog even te horen dat je vandaag heeeeel zielig bent. Wie heeft dat eigenlijk ooit bedacht?

Want laten we eerlijk zijn: liefde is toch niet “Ik hou van jou, want kijk, ik heb een doos pralines gekocht bij de duurste plaatselijke chocolaterie”? Mijn man en ik laten elkaar elke dag merken dat we van elkaar houden. Met een knuffel, een zoen, een subtiele aanraking of gewoon door te zeggen: “Ik hou van jou” of “Blijf jij maar lekker zitten, schat, ik pak dit wel even.” Dat is liefde. Niet een verplicht nummer op 14 februari.

Wil je écht iets romantisch?

Dump je kinderen twee dagen bij opa en oma en ga samen een weekend weg. Heb je daar een speciale dag voor nodig? Natuurlijk niet. Plan het gewoon eens in de zoveel tijd. Of nog beter: spontaan. Dat is pas romantiek.

Natuurlijk moet iedereen zelf weten of en waarom ze Valentijnsdag vieren. Maar hoe oprecht is een liefdesverklaring die moet plaatsvinden op een datum die door een paus, Gelasius I, zo’n 1530 jaar geleden is bedacht en door de commercie handig wordt uitgebuit? Waarom niet op een dag die wél betekenis heeft? Zoals in ons geval 17 juni — onze trouwdag. Daarom vieren mijn man en ik geen Valentijnsdag omdat het moet, maar op elke andere willekeurige dag van het jaar.

Gewoon omdat we het menen. En omdat liefde geen kalender nodig heeft.

Blijf zacht voor elkaar

“Stel… je hele leven staat in het teken van discipline, ambitie en succes.”

 



“Stel… je hele leven staat in het teken van discipline, ambitie en succes.”

Je hebt een verloofde.

Hij heeft zijn vermogen opgebouwd met boksen en influencen.

Maar hij is meer dan alleen een bokser en influencer. Hij heeft zijn fortuin ook vergroot door slimme zakelijke keuzes. Hij richtte verschillende succesvolle bedrijven op. Deze ondernemingen brachten niet alleen nieuwe kansen, maar ook aanzienlijke inkomsten. Daarmee heeft hij zijn vermogen flink vergroot en zijn financiële toekomst veiliggesteld.

“Maar dit verhaal gaat niet alleen over hem — het gaat vooral over jou.”

Je wordt inmiddels niet alleen genoemd om je prestaties in de sport, maar ook om je financiële keuzes. Met een geschat vermogen tussen de €2,5 en €3,5 miljoen (sommige bronnen spreken zelfs van €5 miljoen) heb je je succes goed weten te verzilveren. Een groot deel van je inkomsten komt uit Instagram-samenwerkingen, maar een aanzienlijk deel heb je ook verdiend met je talent in de sport.

Je kon niet verder groeien bij de ploeg waarbij je was aangesloten, en koos daarom je eigen weg. Om te komen waar je wilde zijn, arriveerde je met een privévliegtuig. Daar vonden mensen wat van. Je wilde je volledig focussen op je aankomende sportprestaties en koos er daarom voor om nog even liever niet te praten met Jan en alleman. Ook daar vond men wat van.

Maar jij trok je er niets van aan en deed je eigen ding. Je stond je vrouw. En hoe! Goud! Een dikke neus naar iedereen.

Stel... jij bent nu die vrouw...  

Zou jij dit alles opgeven of anders doen omdat men er iets van vindt? 

Of zou jij, net als deze jonge vrouw, lekker genieten van wat het leven en je hard verdiende rijkdom je te bieden heeft.

Soms is het lef hebben om jezelf te blijven het grootste goud dat je kunt winnen.


Blijf zacht

Denk Vooruit? Denk Even Na (Zelfredzaam, het nieuwe toverwoord)

De overheid vindt dat we ons moeten voorbereiden op 72 uur totale chaos. Wij vinden vooral dat de overheid eens moet voorbereiden dat wij geen kelder, geen duizend euro en geen zin hebben in een privé-survivalshow. Dit is ons verslag van wat er gebeurt als gewone mensen proberen wijs te worden uit een campagne die meer weg heeft van een rampenfilm dan van beleid.

Wij zijn normaal niet zo van de politieke statements, maar soms duwt de overheid ons zó hard richting de meningenbak dat we er met z’n tweeën pardoes in vallen. En dit keer is het raak.

De regering denkt namelijk dat ze klaar zijn met een beetje angstzaaierij en een paar foldertjes bij de supermarkt. Denk Vooruit, heet de campagne. Wij denken vooral: Denk Even Na.


De Apocalyps volgens de Overheid

We hebben allemaal die enge tv-spot gezien. Mama in de supermarkt, licht valt uit, thuis alleen kaarslicht… Het lijkt op een kruising tussen een rampenfilm en een reclame voor waxinelichtjes. De boodschap:

“Succes ermee, burgers. Red jezelf maar 72 uur lang. Met je eigen spullen. En je eigen geld. En je eigen kelder.”

Dus wij dachten: laten we eens optellen wat we volgens de overheid allemaal in huis moeten hebben.

Water: Een mens heeft gemiddeld 35 liter water per dag nodig. Met ons tweeën is dat 210 liter voor drie dagen. Dat zijn 21 jerrycans van tien liter. Die moeten we dus NU vullen en ergens kwijt kunnen. Wij hebben niet eens plek voor 21 lege jerrycans, laat staan gevulde.

Koken: Een primusbrander. Of campinggas. Of allebei. Plus lucifers. En een klassieke blikopener, want zonder dat ding sta je machteloos tegenover je eigen voorraad bruine bonen.

Voedsel: Blikgroenten. Rijst. Dingen die diertjes aantrekken als je ze niet regelmatig controleert. Kortom: we worden ineens fulltime voorraadbeheerder.

Licht en geluid: Honderd kaarsen, zaklampen, batterijen, een opwindradio. We zijn praktisch een middeleeuwse scoutinggroep geworden.

Zelfverdediging: Stevige messen, schroevendraaiers, een honkbalknuppel. Niet per se tegen plunderaars hoor, maar je weet maar nooit wat die vervelende, hongerige buren in crisistijd bedenken.

En dan hebben we het nog niet eens over de rugzakken en tentjes voor als we moeten vluchten. Want dat kan natuurlijk ook nog.

De Rekening:

Alleen al die jerrycans kosten snel zo'n tweehonderd euro. Tel daar de rest bij op en je zit zo aan een kleine duizend euro. Voor drie dagen overleven. Drie!

Je zal maar alleenstaande bijstandsmoeder van twee zijn — die heeft wel andere dingen aan haar hoofd dan een mini-bunker inrichten.

Maar Den Haag denkt dat het genoeg is om ons bang te maken en een folderrek neer te zetten bij de gemeente. Want burgers horen zelfredzaam te zijn. Dat is het nieuwe toverwoord.

De Inventarisatie van de Paniek

Wij begonnen heel braaf met een lijstje. Gewoon op papier, want dat voelt toch serieuzer dan een notitie in je telefoon.

Water: 210 liter - Voedsel: houdbaar, stapelbaar, liefst zonder diertjes - Kooktoestel: iets dat niet ontploft - Licht: kaarsen, zaklampen, batterijen - Radio: eentje die je moet opwinden alsof je een ouderwetse wekker bedient - Zelfverdediging: messen, schroevendraaiers, honkbalknuppel - Medicijnen: verband, paracetamol en alles wat je normaal pas koopt als je het nodig hebt

We keken naar dat lijstje. Het lijstje keek terug. En wij dachten: Waar moeten we dit in vredesnaam laten?

Onze woning is geen bunker. Het is geen opslagloods. Het is geen survivalwinkel.

We hebben een kast waar nu al te veel in staat. Een keukenlade die weigert nog één luciferdoosje te accepteren.

Een zolder die vooral fungeert als museum van dingen die we ooit nog eens dachten te gebruiken.

En een kelderkast die al uitpuilt van spullen die er eigenlijk niet eens in mogen staan.

En dan zouden we daar ineens een mini-oorlogsrantsoen moeten opslaan?


De Mentale Voorbereiding

We kwamen tot de conclusie dat de overheid vooral één ding van ons vraagt:

dat we onszelf een schuldgevoel aanpraten omdat we niet klaar zijn voor de apocalyps.

Want als het ooit misgaat, dan kunnen ze zeggen:

“Ja, maar we hebben het toch gezegd? Foldertje, website, spotje. Had je maar 210 liter water moeten hebben.”

Wij zien het al voor ons:

Wij staan daar dan, met onze drie flessen spa rood en een half pak rijst, terwijl de rest van de straat met jerrycans zwaait alsof ze auditie doen voor een survivalshow.

Wat is noodzaak — en wat is overheidsfantasie?

We besloten onderscheid te maken.

Dingen die we wél begrijpen

Water, Eten, Medicijnen, Zaklamp, Kaarsen 

Dingen waarvan we denken: oké, misschien

Een opwindradio, Een kooktoestel dat niet ontploft

Dingen waarvan we denken: dit is overheidsfantasie

Honderd kaarsen — alsof we een abdij runnen, Stevige messen en schroevendraaiers voor ‘noodsituaties’, Een honkbalknuppel — want tja, die buurman hè, Rugzakken en tentjes voor als we moeten vluchten — waarheen precies? De Hoge Veluwe?

Op dit punt realiseerden wij ons: dit is geen noodpakket meer, dit is een lifestyle. Een hobby. Een fulltime project.

De Grote Vraag

Moeten burgers zich voorbereiden op een ramp, of moet de overheid zorgen dat een ramp niet meteen een persoonlijke survivalshow wordt?

Want als je burgers vraagt om voor duizend euro aan spullen in te slaan, dan is dat geen zelfredzaamheid meer. Dat is afschuiven.

Waarom zaait de overheid wel paniek, maar biedt ze geen oplossingen?

De overheid heeft duidelijk geïnvesteerd in urgentie:

spotje, folders, website én waarschuwingen

Maar zodra je denkt: “Oké, wat nu?”, blijft het stil.

Het voelt alsof iemand roept:

“PAS OP, ER KOMT EEN GOLF!”  en vervolgens wegloopt zonder te zeggen of je moet duiken, rennen of een surfplank pakken.

Zelfredzaamheid is prachtig, maar alleen als: mensen weten wat ze moeten doen, mensen het kunnen betalen,  mensen er ruimte voor hebben en de overheid meedoet.

Zelfredzaamheid zonder ondersteuning is geen beleid.

Dat is afschuiven met een strik erom.

Wat een serieuze overheid zou doen

betaalbare noodpakketten, centrale distributiepunten, een moderne Bescherming Burgerbevolking en duidelijke, realistische richtlijnen.

Maar dat gebeurt niet. In plaats daarvan krijgen we een boodschappenlijst van duizend euro en de boodschap: “Succes ermee.”

Onze Conclusie

Wij zijn niet tegen voorbereiding.

Wij zijn niet tegen nadenken over risico’s.

Wij zijn niet tegen verantwoordelijkheid nemen.

Maar wij zijn wél tegen een overheid die paniek zaait zonder oplossingen te bieden.

Die burgers opzadelt met dure lijstjes en vervolgens doet alsof dat beleid is.

Die verwacht dat iedereen een halve prepper wordt, terwijl ze zelf geen enkele infrastructuur op orde heeft.

Voorbereiding is goed.

Paniekzaaien is zinloos.

En een overheid die verantwoordelijkheid afschuift, creëert geen veiligheid maar schijnveiligheid.

Tot die tijd blijven wij gewoon wie we zijn: twee nuchtere Nederlanders met gezond verstand, een kritische blik en precies nul jerrycans — en eerlijk gezegd voelt dat voorlopig als de meest realistische vorm van zelfredzaamheid.

Blijf zacht, ook als je het niet met ons eens bent.

Luister maar goed

 

Hoewel het gemis er altijd al is geweest, wordt het met de jaren wel erger. Ik wilde hem nog zo graag van alles vertellen… mijn vader… zijn mening horen, met hem discussiëren. Manlief aan hem voorstellen, hem vertellen hoe goed het met me gaat.

Vannacht kwam hij langs in een droom. Hij stond in zijn kamer, voorovergebogen over de grote tafel die in het midden stond. De kamer stond blauw van de rook, maar ik vond het niet erg. Het hoorde bij hem. Er lag een groot vel papier op tafel. Met een liniaal en een zwarte fineliner was hij zorgvuldig een streep aan het zetten, twee eerder gemaakte vakken met elkaar verbindend. Hij vertelde enthousiast over het allerkleinste knaagdiertje ter wereld, ergens — God mag weten waar. En dat hij ontdekt had dat het waarschijnlijk helemaal geen familie was van de allergrootste ter wereld. Hij wist het nog niet zeker… maar leuk was het wel. Met grote zorg schreef hij de naam van het diertje in één van de vakjes. In het Latijn, uiteraard. Tussen haakjes de Nederlandse naam eronder. Afgemaakt met zorgvuldig geplaatste golfjes eronder. Dat stond netjes. Ik wilde hem wat zeggen. Ik deed mijn mond open, maar hij hoorde me niet en ging verder.

Over een nieuw ontdekte stam ergens in een ondoordringbaar oerwoud. Hoe ze ontdekt waren en hoe ze leefden.

Weer wilde ik wat zeggen. Ik deed mijn mond open, maar hij hoorde me niet.

Hij ging verder over een schilderij dat ontdekt was bij een boer in Rusland. Dat dat schilderij miljoenen waard was. Hij had er een plaatje van gevonden. Hoe langer je ernaar keek, hoe meer je ontdekte. Hij vond het eigenlijk wel mooi.

Ik wilde hem er wat over zeggen, maar hij hoorde me niet. Ik stond op en wilde de kamer uit lopen. Op het moment dat ik bij de deur was, voelde ik zijn fragiele hand op mijn arm om me tegen te houden, maar toen ik mij omdraaide, staarde ik in een lege kamer.

Met een misselijk gevoel en pijn op mijn borst werd ik wakker.

Daarna zat ik hier aan de koffie, denkend aan hem en aan die droom, en aan het feit dat ik hem nooit meer iets zou kunnen vertellen.

Ineens kwam het besef dat ik dat best kan. In mijn hoofd. Misschien komt het ergens vanzelf wel over. Wie weet. 

Af en toe zal ik hem wat vertellen.


Dag Pa… ik hou van je.

Luister maar goed, dan hoor je me.

Blijf zacht, Margot

Elke generatie heeft een blinde vlek — ook de onze.

Toen wij nog zonder internet konden leven

Ik zie ze vaak langskomen: die stoere berichtjes en reels over hoe wij, generatie X, toch maar mooi alle ontberingen van vroeger hebben overleefd. En ja hoor, ik behoor er zelf ook toe. Wij hadden geen internet, geen mobieltjes, geen vriendjes met messen of andere ellende in hun broekzak. Wij speelden gewoon buiten. We kregen ruzie, maakten het weer goed, en haalden vriendjes thuis op — en als die niet thuis bleken te zijn, dan verzonnen we ter plekke wel een nieuw levensdoel. Verveling? Dat deden we met toewijding.

Er werd binnen gerookt, in de auto gerookt, en gordels waren meer een vrijblijvende suggestie dan een veiligheidsmaatregel. Had ik gedoe met een leerkracht, dan was de conclusie meestal simpel: eigen schuld, dikke bult. En toch… we leven nog.

De spiegel die we liever overslaan

Tegenwoordig lees ik minstens zo vaak hoe verdorven de jeugd van nu wel niet is. Ze vechten, schelden, zijn brutaal, stelen en wat al niet meer. Maar dan komt bij mij toch een oprechte vraag bovendrijven: wie heeft die kinderen eigenlijk opgevoed?  Als onze eigen jeugd zó geweldig was, waarom hebben we dat dan niet massaal doorgegeven?

En dan kom ik dit citaat tegen:

“De jeugd heeft tegenwoordig een sterke hang naar luxe, slechte manieren, minachting voor het gezag… Jonge mensen staan niet meer op als een oudere binnenkomt, spreken hun ouders tegen, houden niet hun mond in gezelschap en tiranniseren hun leraren.”

Socrates. Rond 400 voor Christus. Dus ja — de jeugd was toen óók al naar de knoppen. Gelukkig maar.

Iedere generatie haar eigen blinde vlek

Het lijkt erop dat oudere generaties altijd twijfelen aan de kwaliteiten van de jongere. Het is een soort traditie, net als gourmetten met kerst of klagen over het weer. Elke generatie heeft haar eigen blinde vlekken, maar ziet die van de ander haarscherp.

Mijn generatie groeide op in een wereld waarin gezinsvormen veranderden en de eerste technologische revoluties zich aandienden. Beide ouders waren vaker aan het werk of anderszins druk, waardoor zelfstandigheid bijna vanzelfsprekend werd. Werkzekerheid was minder stabiel dan voorheen; wij X’ers leerden al jong hoe je soepel schakelt tussen kansen en risico’s.

Misschien is dat wel de kern: iedere generatie doet het met de wereld die zij aantreft. En die wereld verandert sneller dan wij soms kunnen bijbenen.

Ik denk dat het tijd is dat we stoppen met wijzen, en beginnen met kijken. Écht kijken.

Wat zie jij als je écht naar de jeugd van nu kijkt?


Blijf zacht



Filosofie in de morgen

 

Om 05.30 uur rol ik met het enthousiasme van een natte dweil uit bed. Fred staat alweer te blèren alsof hij de directeur van de firma BuitenluchtBV is en ik zijn onderbetaalde hulpje. Het is grijs, het is koud, en mijn humeur doet gezellig mee. Wat een gedoe allemaal.

Midden in mijn chagrijn plopt ineens een citaat op dat ik ooit las: 

“Zolang je nog geïrriteerd kunt raken, kun je er zeker van zijn dat iets je gaat irriteren.” 

Nou, bedankt hoor, universum, precies wat ik nodig had: filosofie vóór zonsopkomst.

Maar goed…ik denk toch wat is die irritatie eigenlijk? Waar gaat dit over? Wat probeer ik weg te stoppen? Dat ik me gekwetst voel? Dat ik me klein en onzichtbaar voel als iemand me negeert of kleiner maakt? Wie voelt dat eigenlijk? Wie verzint al die dramatische gedachten en Oscarwaardige innerlijke monologen? En dan hoor ik haar weer: dat kleine, gekwetste meisje dat roept, “Laat me met rust!” Alsof ze in een slechte soap speelt. Maar zodra ik een stap achteruit doe — uit haar mini-drama, uit dat benauwde gevoel — gebeurt er iets.

Heel even, héél even, is er gewoon… nu.

En Fred. Die nog steeds naar buiten wil.

Blijf zacht óók als je geirriteerd bent

Echt luisteren

Luisteren is volgens mij de heilige graal van verbinding. Niet zo’n halfbakken “ja hoor, ik luister” terwijl mijn brein ondertussen de boodschappenlijst afwerkt, maar écht luisteren. Het soort luisteren waarbij de ander zich gezien voelt, alsof je even een menselijke wifi‑verbinding vormt.

Vooral bij manlief is dat essentieel. Als ik hem niet onderbreek (wat al een prestatie op zich is), ontdek ik soms dat er achter zijn woorden hele werelden van gevoelens en behoeften schuilgaan. En ja, dat werkt ook andersom — al zit er bij mij soms een iets luidere ondertiteling onder.

Wanneer ik benoem wat ik hoor of zie, krijgt het gesprek ineens diepgang. Dan zitten we samen in het hier en nu, alsof we een mindful koppel uit een glossy magazine zijn. Door bij mezelf te blijven én hem in zijn waarde te laten, ontstaat er rust. Vertrouwen. Harmonie............meestal.

Want eerlijk: we onderbreken elkaar nogal graag. Alsof onze gedachten limited edition zijn en meteen gedeeld moeten worden voordat ze verlopen. Soms vraag ik me af: vinden we ons eigen verhaal op dat moment gewoon nét iets belangrijker? Of zijn we bang dat we anders niet meetellen in het Grote Gesprek des Levens?

Mijn brein werkt soms sneller dan het gesprek, waardoor ik de neiging heb mijn gedachten er direct uit te gooien. Alsof ze anders oplossen in de atmosfeer en ik ze nooit meer terugvind.

En toen las ik vanmorgen dit juweeltje:

“Onderbreken kan een teken van intelligentie zijn! Mensen die vaak onderbreken zijn vaak creatiever en slimmer. Hun brein loopt simpelweg voor op het gesprek.”

Aha. Kijk. Dat is informatie waar ik wat mee kan.

Dus vanaf nu, als ik manlief weer eens in de rede val, zeg ik gewoon heel liefdevol:

“Sorry schat… mijn intelligentie ging even met me aan de haal.”

Blijf zacht voor elkaar


Lachen wij samen om grappen die niemand anders lijkt te begrijpen?

 


Jazeker!

Het voelt soms alsof we een eigen geheime taal hebben — eentje die alleen werkt als we dicht bij elkaar zitten, misschien met een kop koffie, misschien met een blik die al genoeg zegt. 

Onze humor is niet zomaar een grapje; het is de vonk die telkens opnieuw oplaait.

Voor ons staat humor symbool voor de kwaliteit van onze relatie. 

Wij willen lachen met elkaar, omdat dat nu eenmaal is hoe wij liefhebben: speels, warm en een tikje ondeugend. 

Samen lachen maakt ons gelukkiger én succesvoller als duo. 

Onze gedeelde gevoel voor humor is net een soort liefdesvitamine — eentje die je niet kunt kopen, maar die we zelf blijven aanmaken zolang we elkaar blijven plagen, kietelen met woorden en plezier blijven zoeken.

Je zou denken bij humor in relaties aan stellen die elkaar non-stop voor de gek houden, maar voor ons is het veel belangrijker dat we elkaars humor écht leuk vinden. 

Dat we samen plezier creëren, alsof we een klein universum aan het bouwen zijn waar alleen wij de regels bepalen.

Wanneer wij samen kunnen lachen, bevestigen we onze band. Het is nooit kwetsend — het is een zachte aanraking in de vorm van een lach. Het pad van onze relatie, eentje die stevig staat én licht aanvoelt.

Samen lachen betekent voor ons: wij zitten op dezelfde golflengte, wij begrijpen elkaar, en ja — wij vinden elkaar gewoon heel erg leuk. Het uitwisselen van grappen en gegiechel is misschien wel onze liefdestaal. Een uitnodiging die fluistert: “Ik kies jou. Kies jij mij ook?”

Lachen is ons teken van positieve relatiegevoelens zoals vreugde, blijheid met elkaar en een optimisme dat ons telkens weer naar elkaar toe trekt.

Blijf zacht voor elkaar