Nederland heeft een systeem dat belooft ieder kind een passende onderwijsplek te geven. Maar volgens veel ouders werkt dat systeem in de praktijk niet.
Waarom niet?
Ik las vanmorgen een stukje van een moeder van een meisje van negen met de diagnose ASS/ADHD. Door haar gedrag was ze niet meer welkom op school.
Maar wat de school, naar mijn idee, was vergeten, was kijken waar dit kind behoefte aan heeft. In plaats daarvan werd vooral gekeken naar waar ze problemen veroorzaakte. En dat vond de school te veel om te kunnen handelen.
Ze was niet meer welkom. Haar moeder moest zelf maar uitzoeken wat ze met haar dochter moest doen.
Hoe vaak krijgen kinderen tegenwoordig een label opgeplakt? Ik snap het wel. We willen weten waar bepaald gedrag vandaan komt en wat we ermee kunnen. Tenminste, dat laatste zou standaard onderdeel van die vraag moeten zijn.
Want een diagnose zou geen eindpunt moeten zijn, maar juist een begin van de vraag: wat heeft dit kind nodig om zich te kunnen ontwikkelen?
Het reguliere onderwijs gaat echter nog vaak uit van een soort standaardkind. Als die kinderen al bestaan.
De praktijk wijst vaak anders uit.
Het is geen standaardkind. Wij kunnen hier niet goed mee omgaan. Dus moet het kind maar van school. Maar een goed alternatief is er vervolgens vaak niet. En zo zit er een groep kinderen thuis die tussen regulier en speciaal onderwijs klem zit.
Hoe groot is het probleem?
Er is op dit moment géén landelijk betrouwbaar cijfer voor hoeveel kinderen een plek in het speciaal onderwijs nodig hebben, maar die plek niet krijgen. De overheid erkent dat er wachtlijsten voor het gespecialiseerd onderwijs zijn en dat leerlingen daardoor soms zelfs volledig thuis komen te zitten.
Dat is opmerkelijk. Want het systeem zou juist moeten voorkomen dat dit gebeurt.
Een school heeft zorgplicht en moet, als zij een kind niet zelf passend kan ondersteunen, samen met het samenwerkingsverband een andere reguliere of gespecialiseerde plek vinden.
Maar hoe groot is het probleem dan?
Dit vond ik.
Er zijn verschillende cijfers die je naast elkaar kunt leggen:
Ongeveer 19.273 kinderen en jongeren waren in schooljaar 2023–2024 officieel als thuiszitter geregistreerd.
Het recente onderzoek 'Beter zicht op verzuim' schat dat 62.500 leerlingen structureel meer dan 50% van hun onderwijs missen. Dat is veel breder dan de officiële thuiszittersregistratie.
Oudervereniging Balans komt met een nog bredere definitie uit op minimaal 70.000 kinderen die drie maanden of langer thuiszitten, en ongeveer 280.000 kinderen die geen volwaardig onderwijs ontvangen.
Ik schrik daarvan.
Maar hier moeten we wel voorzichtig zijn. Deze cijfers gebruiken verschillende definities en zijn dus niet zomaar bij elkaar op te tellen.
En vooral: geen van deze aantallen betekent dat al die kinderen eigenlijk naar het speciaal onderwijs zouden moeten.
Sterker nog, velen van hen zouden het op school misschien heel goed kunnen doen als ze de aandacht, ondersteuning en omgeving krijgen die bij hen passen.
Wat ik wél te weten ben gekomen over speciaal onderwijs
Het aandeel kinderen in het gespecialiseerd onderwijs is de afgelopen jaren juist gestegen. In 2014 zat ongeveer 2,8 procent van de leerlingen in het funderend onderwijs in het (voortgezet) speciaal onderwijs; in 2023 was dat 3,1 procent. De groei zit vooral bij cluster 3 en cluster 4. <<klik link
En daar zit een interessante paradox.
Nederland probeert kinderen zoveel mogelijk binnen het reguliere onderwijs te houden.
→ Reguliere scholen krijgen daardoor ook kinderen met zwaardere en complexere ondersteuningsvragen. → Sommige scholen kunnen die ondersteuning niet voldoende bieden. → Kinderen vallen uit. → En vervolgens is er niet altijd onmiddellijk plaats in het gespecialiseerd onderwijs.
De staatssecretaris heeft dit probleem zelf expliciet benoemd: er zijn wachtlijsten voor gespecialiseerd onderwijs en daardoor kunnen kinderen niet op de gewenste school terechtkomen of zelfs thuis komen te zitten.
Dus hoeveel kinderen zijn dat?
Nou, dat weten ze dus niet.
Er is geen landelijke registratie die zegt: Dit zijn de kinderen die thuiszitten omdat het reguliere onderwijs hen niet aankan en voor wie gespecialiseerd onderwijs nodig is.
En dat vind ik misschien nog zorgwekkender dan het aantal zelf.
Er zijn aanwijzingen dat het om duizenden kinderen gaat, maar de overheid heeft geen betrouwbare landelijke telling van de wachtlijsten voor speciaal onderwijs. Dat probleem is al jaren bekend.
Als onze kinderen leerplichtig zijn, heeft de samenleving dan niet ook de verantwoordelijkheid om ervoor te zorgen dat onderwijs voor iedereen mogelijk is?
In welke vorm dan ook.
Een concreet voorbeeld laat zien hoe groot het lokaal kan worden. In Den Haag werd in 2024 gesproken over 1.276 kinderen die langere tijd thuiszaten omdat er geen passende onderwijsplek was.
De kinderen die nergens precies passen
En dan is er nog een groep waar ik me steeds meer in probeer te verdiepen. Kinderen die eigenlijk niet goed passen in het reguliere systeem, maar óók niet netjes in het bestaande speciaal-onderwijsaanbod.
Denk bijvoorbeeld aan kinderen die:
* cognitief sterk zijn, maar sociaal of emotioneel vastlopen;
* veel prikkels slecht verdragen;
* gedragsproblemen krijgen door overbelasting;
* heel wisselend functioneren;
* een combinatie van leer-, gedrags- en ontwikkelingsproblemen hebben;
* wel degelijk onderwijs kunnen volgen, maar niet vijf dagen per week in een grote reguliere klas.
Voor die groep is de vraag niet altijd: Regulier of speciaal?
Misschien moeten we een andere vraag stellen:
Waarom hebben we zo weinig tussenvormen?
Kleine groepen. Gespecialiseerde begeleiding. Flexibele roosters. Tijdelijke voorzieningen. Intensieve samenwerking tussen onderwijs en zorg.
Niet ieder kind heeft een aparte school nodig. Maar sommige kinderen hebben wél een andere manier van onderwijs nodig.
En misschien is precies dát waar ons systeem nog onvoldoende op is ingericht.
Een sterk land zorgt voor zijn kinderen
Ik wil hierbij niet vervallen in de gedachte dat alles beter wordt als er maar meer geld naar onderwijs gaat. Een land is niet sterk omdat het veel geld uitgeeft.
Ik denk dat een land sterk is als het in staat is om voor zijn inwoners te zorgen wanneer het moeilijk wordt. En zeker voor kinderen die zichzelf nog niet kunnen redden.
Een sterk onderwijsstelsel. Een sterke gezondheidszorg. Goede jeugdhulp. Goede ondersteuning voor gezinnen die het even niet alleen kunnen.
Dat zijn voor mij geen luxevoorzieningen.
Dat is de kracht van een samenleving.
Juist daarom vind ik het zo moeilijk te begrijpen dat een kind kan vastlopen op school, vervolgens thuis komt te zitten en dat ouders daarna zelf moeten gaan zoeken naar een oplossing.
We hebben in Nederland veel kennis. We hebben professionals die iedere dag ontzettend hard werken. We hebben scholen, jeugdhulp, zorg en gespecialiseerde voorzieningen.
Maar toch lijkt het soms alsof al die onderdelen naast elkaar bestaan, terwijl het kind precies op het snijvlak van die systemen terechtkomt.
En dan vraag ik me af:
Faalt hier één school?
Faalt één leraar?
Faalt een ouder?
Of hebben we een systeem gebouwd dat kinderen probeert onder te brengen in categorieën die niet meer helemaal aansluiten bij de werkelijkheid?
Ik denk niet dat het probleem is dat deze kinderen niet passen.
Maar dat ons systeem onvoldoende past bij de kinderen die we tegenwoordig beter zijn gaan zien en begrijpen.
En misschien moeten we daarom stoppen met de vraag:
“Waar past dit kind?”
en beginnen met:
“Wat heeft dit kind nodig?”
Blijf zacht
.png)




