Fred ons hartekind en Hannah ons prinsesje
Posts tonen met het label Wat ik vandaag weer bedacht. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Wat ik vandaag weer bedacht. Alle posts tonen

Besefmomentje

Soms gebeurt er iets waardoor je ineens denkt: “Hij heeft gewoon gelijk.”

En dat besef komt dan niet zachtjes binnen, maar met zo’n innerlijke pingggg alsof iemand op je voorhoofd tikt.

De situatie: de tuin moest gesproeid. Na een lange, warme dag hingen de planten er bij alsof ze een zware nacht hadden gehad. Ik had al aangekondigd dat ik dat zou doen zodra de zon uit de tuin was — bij ons pas na achten. Prima plan. Dus ik nestelde me eerst even op de bank voor een tv-momentje, daarna zou ik de tuin in.

Manlief had inmiddels al drie keer gevraagd of hij de slang voor me klaar moest leggen.  

Drie keer zei ik: “Nee joh, dat kan ik zelf.”  

En drie keer vroeg hij: “Wanneer ga je dat dan doen?”  

Waarop ik steeds antwoordde: “Zodra dit programma is afgelopen.”

Een kwartier later kwam hij de kamer binnen met een gezicht dat ergens tussen streng en vastberaden hing.  “Ik ga nú de tuin sproeien,” zei hij. “Blijf jij maar zitten.” Mijn eerste reactie was natuurlijk: Nou, als je zo nodig wilt… doe het dan lekker zelf.  Maar toen zei hij erachteraan: “Ik heb geen polio hoor. Ik kan best dingen doen.”

En daar was ’ie.  

Pingggg!!!

Ik doe dat dus heel vaak. Iets moet gebeuren in of om het huis, en ik roep meteen dat ik dat wel even fix. Of — als ik geen zin heb — dat ik het straks wel doe. Terwijl ik ook gewoon kan vragen of hij het even wil doen omdat het mij nu niet lukt. Maar nee, mevrouw-doet-alles-zelf staat alweer klaar.

Ik weet ook wel waar het vandaan komt. Ik héb altijd alles zelf moeten doen. Dat zit ingebakken, net als de neiging om eerst drie keer “nee hoor” te zeggen voordat ik toegeef dat hulp eigenlijk best handig is.

En eerlijk is eerlijk: voor manlief wringt dat soms ook. Hij heeft óók altijd alles zelf moeten doen. En als er dan ineens iemand is die alles voor je wil regelen, is dat eerst heel fijn… maar op den duur ook irritant. Laatst zei hij zelfs: “Geef me dan eens een opdracht.”  

Waarop ik dacht: Hoezo opdracht? Je ziet toch wat er moet gebeuren? 

Maar zo werkt dat dus niet. Mannen hebben andere prioriteiten. Andere radars. Andere antennes. Het is geen onwil — hun brein staat gewoon op een andere frequentie afgestemd.

Dus heb ik met mezelf afgesproken dat ik de hooiberg op mijn vork wat eerlijker ga verdelen. De helft (nou ja… bijna dan) mag voortaan op zijn vork.  

Maar wel met in mijn achterhoofd dat, als het echt niet werkt, ik het altijd nog zelf even kan doen.

Onverbeterlijk.



Blijf zacht





Dit verhaal schreef ik zelf

Het is weer eens belachelijk vroeg wanneer Fred begint te drammen dat hij eten wil en naar buiten moet. Nog voordat ik beneden ben, schiet het door me heen dat ik iemands verjaardag ben vergeten. Dus na mijn kattenmoedersplicht stuur ik alsnog een berichtje.

Even later komt er een antwoord terug. Kort. “Dank U wel, mevrouw.”  

Wel met een emoji. Dat dan weer wel.

Maar nog voordat ik het scherm neerleg, voel ik iets in mij aanspannen. Een lichte druk in mijn borst, een oude reflex die sneller is dan mijn adem. Mijn hoofd vult het gat al op: Hij is vast geïrriteerd. Ik had gisteren moeten bellen. Misschien had ik anders moeten reageren.

Het gaat zo snel dat ik het zelf bijna niet merk — mijn brein zet een automatische ondertiteling aan onder een tragikomische film die nog niet eens begonnen is. De kamer is stil, maar in mij wordt het druk.

Ik kijk nog eens naar het berichtje en ergens weet ik: dit is niet de werkelijkheid. Dit is mijn snelheid.

Dit is het moment waarop ik mezelf betrap.  

Niet hard, niet verwijtend, maar alsof iemand een hand op mijn schouder legt en zegt: “Wacht even dame. Dit verhaal schrijf je zelf.”

Mijn gedachten rennen nog even door, uit gewoonte, maar het momentum is gebroken. De automatische piloot hapert. Er komt ruimte tussen het berichtje en mijn interpretatie — een dunne, maar voelbare scheur in het verhaal dat ik net nog geloofde.

Ik leg mijn telefoon neer en adem één keer dieper dan normaal. Niet om mezelf te kalmeren, maar om mezelf terug te halen.

Adem in, adem uit.

De stilte klinkt weer als stilte. De woorden “Dank U wel, mevrouw” worden weer gewoon woorden. Geen oordeel, geen lading, geen verborgen boodschap. Alleen een feit.

En in die vertraging voel ik hoe mijn lichaam ontspant, hoe mijn gedachten zachter worden, hoe de werkelijkheid weer terugkomt. Niet spectaculair, niet groots — maar precies genoeg om mezelf te bevrijden uit het verhaal dat ik bijna was gaan geloven.

Wat me steeds weer opvalt, is hoe weinig er nodig is om aannames te maken. Een gezichtsuitdrukking, een zin, een handgebaar — meer is er niet nodig om oude reflexen wakker te maken.

Gelukkig zie ik het vandaag snel. Geen groot inzicht, geen ingewikkelde oefening, maar een paar seconden eerlijk kijken.

Het is bijna olympisch hoe snel mijn hoofd verhalen maakt, en hoe zacht ze oplossen zodra ik ze durf te zien voor wat ze zijn: echo’s van vroeger, automatische bewegingen die me willen beschermen maar me soms juist van mezelf weghalen.

In die kleine vertraging neem ik mezelf weer bij de hand en denk: de werkelijkheid is vaak eenvoudiger dan mijn gedachten, en tegelijk rijker dan mijn aannames.

Misschien is dat wel de grootste rust die ik mezelf kan geven: de ruimte om niet meteen in te vullen, maar te blijven bij wat er werkelijk is.

Soms is dat alles wat nodig is.


Blijf zacht.





Tok tok tok


Van zwarte katten tot afkloppen op hout — bijgeloof komt in alle vormen en maten. We gebruiken het om geluk naar ons toe te lokken en ongeluk op afstand te houden. Het geeft ons het gevoel dat we, heel even, grip hebben op het leven. Alsof het universum een soort klantenservice heeft waar je met drie tikjes op hout een spoedmelding kunt indienen.




Ik denk dat de meesten van ons het wel eens gedaan hebben: even tok tok tok op onbewerkt hout.  

Ik ook. Gisteren nog. Zonder erbij na te denken.  

Ik tikte zelfs op een houten deurpost waarvan ik niet eens zeker weet of hij écht van hout was. Maar hé — bijgeloof is flexibel.

Maar waarom doen we dat eigenlijk?

Mensen die zeggen dat ze níet bijgelovig zijn, geloof ik nooit helemaal. Bewust of onbewust doen we allemaal wel iets om het lot een handje te helpen. Vrijdag de 13de? Ongeluk. Een klavertje vier? Geluk.  

Zelf heb ik jarenlang geen foto’s van mensen durven weggooien, omdat ik ervan overtuigd was dat ik ze daarmee ongeluk bezorgde. Mijn huis was op een gegeven moment een soort opvangcentrum voor vergeten gezichten. Als ik ooit een fotoalbum had laten vallen, had ik waarschijnlijk een kettingreactie van rampspoed veroorzaakt.

Mijn oma van mijn vaders kant spande de kroon. Zwarte kat over de weg? Zij liep een straatje om. Ladder op de stoep? Geen haar op haar hoofd die eronderdoor ging.  

Er was eens een dag dat mijn opa per ongeluk het zoutpotje omstootte.  

“Ohhhh,” jammerde mijn oma, “nu komt er ruzie.”  

Waarop mijn opa doodkalm de suikerpot omkieperde:  

“Zo, nou is het weer goed.”  

Wij hebben er jarenlang om gelachen. Mijn oma niet. Die nam dat heel serieus. 

En toch blijft die vraag hangen:  

Waarom hebben we bijgeloof?

Bijgeloof is ontstaan omdat mensen behoefte hadden aan verklaringen voor het onverklaarbare. Angst voor het onbekende, verlangen naar controle, de wens om het leven een beetje voorspelbaar te maken. Het zijn tradities die van generatie op generatie worden doorgegeven, soms zonder dat we nog weten waarom.  

Het is eigenlijk de oeroude versie van “ik doe dit omdat mijn moeder het ook deed”.

En het bestaat overal.  

In Marokko beschermt de hand van Fatima.  

In Frankrijk dragen ze op nieuwjaarsdag kleding met stippen — misschien voor geluk, misschien omdat iedereen nog half slaperig is en gewoon iets vrolijks wil aantrekken.  

In Turkije hangt het blauwe oog aan deuren en kettingen om kwade blikken tegen te houden.  

Daar gaan ze ervan uit dat elke blik een soort energetische laserstraal is die je leven kan saboteren. Het blauwe oog fungeert dan als een soort kosmische zonnebril.

In Nederland komt veel bijgeloof uit het christendom of de Romeinse tijd. Maar ook in de oudheid probeerden mensen al de goden gunstig te stemmen. In de middeleeuwen sloeg dat door naar angst voor hekserij. In de renaissance kwam de wetenschap op, en nam het bijgeloof iets af — maar verdwenen is het nooit.  

We zijn er gewoon te goed in geworden om het te verpakken als “traditie”, “gezelligheid” of “je weet maar nooit”.

Je zou bijna denken dat bijgeloof in onze genen zit.  

Maar ik denk dat we het vooral leren.  En misschien… vinden we het stiekem ook gewoon leuk.  Het maakt het leven net een beetje magischer.  

En zeg nou zelf: wat is er mis met een beetje magie? Misschien is dat wel het mooiste bijgeloof van allemaal.


Blijf zacht




Ontdekken door af te leren

Tegenwoordig leven we in een maatschappij die zo complex is dat ik soms het gevoel heb dat ik eerst een handleiding moet downloaden voordat ik ’s ochtends mijn bed uit stap. Tegelijkertijd heb ik alle vrijheid om mijn leven precies zo vorm te geven als ik wil. Tenminste… als ik weet wie ik ben, wat bij mij past, waar ik nu sta, waar ik naartoe wil en wat ik daar in hemelsnaam voor nodig heb. Is maar een klein detail hè.

Daarbovenop moet ik ook nog eens snappen wat mij tegenhoudt om mijn diepste verlangens waar te maken. Want eerlijk is eerlijk: ik word — net als ieder ander — regelmatig gesaboteerd door een bonte verzameling negatieve gedachten, overtuigingen, angsten, onzekerheden, oude ingesleten patronen en familiedynamieken die ik nooit besteld heb maar blijkbaar toch geleverd zijn. Deze innerlijke softwarefoutjes snijden me af van mijn kracht en kunnen me soms behoorlijk in de weg zitten.

Het grappige (of tragische, afhankelijk van hoe ik mij voel) is dat ik die programmeringen al in mijn jeugd heb opgepikt: via opvoeders, cultuur, gebeurtenissen… noem maar op. Ze zijn onderdeel van mij geworden, maar ze zijn niet wie ik oorspronkelijk ben. Een soort ongewenste apps die automatisch op mijn systeem zijn geïnstalleerd.

Zolang ik me niet bewust ben van deze krachten, hoe ze in mij werken en hoe ik er voorbij kan bewegen, houden ze me stevig in hun greep. Dan ben ik dus niet vrij — hoe graag ik dat ook zou willen. En dat heeft weer gevolgen voor mijn welzijn. Bovendien staat het mijn ware zelfrealisatie en expressie in de weg. Het echte werk dat ik in dit leven te doen heb, zit ’m dus in bewustwording. In mijn eigen innerlijke opschoning. In de terugkeer naar mijn ware zelf. 

Ontdekken wie ik werkelijk ben, betekent vooral afleggen wat ik níét ben, maar wel jarenlang dacht te zijn. Het lijkt op het afpellen van een ui: laagje voor laagje kom ik dichter bij mijn kern, mijn essentie, mijn oorspronkelijke potentieel. Zoals ik bedoeld ben.

En ja, soms jank ik er net zo hard bij als bij een echte ui.

Blijf zacht