Soms komt een oud verhaal ineens opnieuw tot leven. Niet omdat je iets nieuws ontdekt, maar omdat je het eindelijk écht voelt. Dat overkwam mij toen ik vanmorgen terugrekende hoe mijn moeder, nog geen vijfendertig jaar oud, al acht kinderen had groot te brengen — grotendeels alleen. Het zette iets in beweging. Een oud verdriet, een nieuw inzicht, en de vraag die al zo lang onder mijn huid zit:
hoe laat je los wat zo diepgeworteld is?
Ik heb nooit kinderen gewild. Mijn moeder had er acht. Negen eigenlijk, als je de miskraam van zes maanden meerekent. Vanmorgen zat ik eens te rekenen hoe en wanneer iedereen geboren is. En ineens sloeg het me om het hart. Natuurlijk wist ik het allemaal al, maar het besef kwam nu pas echt binnen.
Tussen mij en mijn broer boven mij zit vijf jaar. Mijn moeder was negentien toen ze haar eerste kind kreeg, mijn oudste zus. Een jaar later, op haar twintigste, verloor ze een kindje na zes maanden zwangerschap. Het jaar daarna werd mijn oudste broer geboren. En vervolgens raakte ze drie jaar achter elkaar zwanger. Ze was pas vierentwintig toen ze al vijf kinderen had om voor te zorgen. En dat deed ze grotendeels alleen. Mijn vader werkte aan de andere kant van het land en was alleen in de weekenden thuis.
Kun je het je voorstellen: op zo’n jonge leeftijd vijf kinderen opvoeden, in je eentje, terwijl je ook nog een miskraam moet verwerken… ook in je eentje.
Toen ze negenentwintig was, kwam ik – ‘zei de gek’ – en daarna volgden er nog twee kinderen. Ik noem mezelf altijd de eerste van de tweede generatie, omdat er vijf jaar tussen zit. En zo voelt het vaak ook. Met mijn oudere broers en zus heb ik nooit echt een diepe band gehad. Niet zo vreemd, want toen ik me net bewust werd van het feit dat ik überhaupt broers en een zus had, was mijn zus al het huis uit. Met mijn jongere broer en zus heb ik ook geen echte verbinding. We gingen allemaal onze eigen weg.
Mijn vader was geen slechte man, maar hij dronk. Meer dan goed was voor hem en voor ons. Op een gegeven moment kon mijn moeder het niet meer aan en vertrok ze. Niet voorgoed, maar ze had rust nodig. Adempauze. Ik denk dat ik een jaar of tien was, maar eerlijk gezegd weet ik het niet precies. Veel jeugdherinneringen ben ik kwijt. Wat ik wél weet, is dat ze van de ene op de andere dag weg was.
Wat heb ik me in de steek gelaten gevoeld.
Ik vertel dit omdat ik probeer te begrijpen waar sommige dingen die mijn moeder deed en zei vandaan kwamen. En ik merk dat ik het eigenlijk heel goed begrijp, vooral wanneer ik me probeer te verplaatsen in haar leven, haar omstandigheden.
En toch is daar die boosheid. Dat onbegrip. Dat verdriet. Het lukt me maar niet om het los te laten. Mijn gevoel en verstand staan lijnrecht tegenover elkaar.
Mijn moeder is inmiddels bijna 90 en erg fragiel. Ik wil niet met boosheid, verdriet en onbegrip afscheid van haar moeten nemen. Maar een gesprek met haar heeft geen zin meer. Ik wil haar dat ook niet aandoen. Wat kan ze er nog mee? Moet ik verantwoordelijk zijn voor het feit dat zij straks misschien met een rotgevoel – of zelfs schuldgevoel – overlijdt?
Nee, dat denk ik niet.
Dus moet ik er zelf mee dealen. Maar hoe? Hoe laat je los wat zo diepgeworteld is.
Reflectie:
loslaten is geen knop, maar een beweging
Wat ik langzaam begin te begrijpen, is dat loslaten niet betekent dat je vergeet. Het betekent ook niet dat je goedpraat wat pijn heeft gedaan. Loslaten is eerder een beweging dan een beslissing. Een verschuiving van vasthouden aan het verleden naar ruimte maken voor jezelf in het heden.
Misschien begint loslaten met erkennen dat het kind dat ik toen was, nooit heeft gekregen wat het nodig had — en dat de volwassene die ik nu ben, dat wél mag ontvangen. Van mezelf. In mijn eigen tempo.
Misschien begint het met mildheid.
Met zachter kijken.
Met toestaan dat twee dingen tegelijk waar kunnen zijn: dat mijn moeder het zwaar had, en dat ik pijn heb.
En misschien is dat genoeg om langzaam, stukje bij beetje, de greep te laten verslappen.
Loslaten is geen eindpunt.
Het is een richting.
En ik ben onderweg.
Blijf zacht
