Ik denk dat de meesten van ons het wel eens gedaan hebben: even tok tok tok op onbewerkt hout.
Ik ook. Gisteren nog. Zonder erbij na te denken.
Ik tikte zelfs op een houten deurpost waarvan ik niet eens zeker weet of hij écht van hout was. Maar hé — bijgeloof is flexibel.
Maar waarom doen we dat eigenlijk?
Mensen die zeggen dat ze níet bijgelovig zijn, geloof ik nooit helemaal. Bewust of onbewust doen we allemaal wel iets om het lot een handje te helpen. Vrijdag de 13de? Ongeluk. Een klavertje vier? Geluk.
Zelf heb ik jarenlang geen foto’s van mensen durven weggooien, omdat ik ervan overtuigd was dat ik ze daarmee ongeluk bezorgde. Mijn huis was op een gegeven moment een soort opvangcentrum voor vergeten gezichten. Als ik ooit een fotoalbum had laten vallen, had ik waarschijnlijk een kettingreactie van rampspoed veroorzaakt.
Mijn oma van mijn vaders kant spande de kroon. Zwarte kat over de weg? Zij liep een straatje om. Ladder op de stoep? Geen haar op haar hoofd die eronderdoor ging.
Er was eens een dag dat mijn opa per ongeluk het zoutpotje omstootte.
“Ohhhh,” jammerde mijn oma, “nu komt er ruzie.”
Waarop mijn opa doodkalm de suikerpot omkieperde:
“Zo, nou is het weer goed.”
Wij hebben er jarenlang om gelachen. Mijn oma niet. Die nam dat heel serieus.
En toch blijft die vraag hangen:
Waarom hebben we bijgeloof?
Bijgeloof is ontstaan omdat mensen behoefte hadden aan verklaringen voor het onverklaarbare. Angst voor het onbekende, verlangen naar controle, de wens om het leven een beetje voorspelbaar te maken. Het zijn tradities die van generatie op generatie worden doorgegeven, soms zonder dat we nog weten waarom.
Het is eigenlijk de oeroude versie van “ik doe dit omdat mijn moeder het ook deed”.
En het bestaat overal.
In Marokko beschermt de hand van Fatima.
In Frankrijk dragen ze op nieuwjaarsdag kleding met stippen — misschien voor geluk, misschien omdat iedereen nog half slaperig is en gewoon iets vrolijks wil aantrekken.
In Turkije hangt het blauwe oog aan deuren en kettingen om kwade blikken tegen te houden.
Daar gaan ze ervan uit dat elke blik een soort energetische laserstraal is die je leven kan saboteren. Het blauwe oog fungeert dan als een soort kosmische zonnebril.
In Nederland komt veel bijgeloof uit het christendom of de Romeinse tijd. Maar ook in de oudheid probeerden mensen al de goden gunstig te stemmen. In de middeleeuwen sloeg dat door naar angst voor hekserij. In de renaissance kwam de wetenschap op, en nam het bijgeloof iets af — maar verdwenen is het nooit.
We zijn er gewoon te goed in geworden om het te verpakken als “traditie”, “gezelligheid” of “je weet maar nooit”.
Je zou bijna denken dat bijgeloof in onze genen zit.
Maar ik denk dat we het vooral leren. En misschien… vinden we het stiekem ook gewoon leuk. Het maakt het leven net een beetje magischer.
En zeg nou zelf: wat is er mis met een beetje magie? Misschien is dat wel het mooiste bijgeloof van allemaal.
Blijf zacht
