Ochtendhumeur op pootjes

Het is nog schemerig buiten. Misschien net zes uur of zo. Heel langzaam dringt het tot me door.  “MRAAAAUWWW!” 

Met een zucht draai ik me om. Hij stopt zo vanzelf wel, denk ik.  

Zoiets noemen ze dus “wishful thinking”.

“MRAAAAUWWW!”  Nee Fred, ik wil nog even slapen.

“MRAAAAAAAUUUUUWWWWW!!!”

En daar is het hoor: hoppa, ochtendhumeur.  Sjagerijnig storm ik uit bed. Ik smijt wat brokjes in zijn bak, zet hem met bak en al in de ren.  “Zo. Zoek het maar even uit.”  

In mijn hoofd probeer ik te relativeren, maar mijn humeur doet niet mee. Verpest is het. Maar hoe komt dat eigenlijk? Dat je humeur zo bepaald wordt door hoe je wakker wordt?

Cortisol! 

Dat is de grote boosdoener.  Wat moeten we ook met dat goedje.  Maar zoals alles in ons lijf ergens goed voor is, is cortisol óók goed voor je.............Blijkbaar.

Cortisol is een stofje dat je lichaam zelf maakt. Het komt uit twee kleine “hoedjes” bovenop je nieren: de bijnieren.

Het helpt je echt met van alles:  

- je energie regelen  

- je slaap‑waakritme  

- je afweer  

- je stofwisseling  

En als je schrikt, je zorgen maakt of iets spannends moet doen, maakt je lichaam extra cortisol aan. Dat is handig, want dan heb je meteen energie om te reageren.  Eigenlijk is cortisol een soort“help‑me‑even‑door‑de-stress-heen”‑stofje.

’s Ochtends maakt je lichaam sowieso al extra cortisol aan om je wakker te krijgen.  Maar als je dan óók nog eens wordt wakker geschreeuwd door een kat…

dan gebeurt er dus dit:

“MRAAAAUWWW!” 

Ik schrik. PINGGG! cortisol omhoog. Mijn lichaam denkt: “O jee, er is iets! Actie!”  Mijn brein schiet in de ochtendpaniek-modus: “Waar is die kat? Waarom nu? Waarom ik? Waarom zó vroeg?”

En omdat cortisol eigenlijk bedoeld is om me rustig wakker te laten worden — beetje bij beetje — gaat het nu in één klap naar standje actie.  

En dat voelt… nou ja… als ochtendhumeur.

In kattentaal betekent “MRAAUW” gewoon:  “Het is ochtend. Ik leef. Jij leeft. Brokjes graag.” Dat voelt gewoon veel erger dan een wekker.  Een kat heeft geen snooze‑knop.  Kijkt niet op de klok.  Heeft geen respect voor mijn circadiaan ritme. En vindt vooral dat ik zijn personeel ben.

Dus terwijl mijn cortisol roept:  “Help, we moeten nú iets doen!”, roept mijn humeur: “Had dit niet een uurtje later gekund.”

Maar gelukkig zakt cortisol ook weer.  

En zodra Fred me overladen heeft met koppies, tevreden naast me gaat liggen slapen, ik mijn eerste koffie op heb, komt mijn lichaam weer terug in de ruststand en denk ik: “Ach ja… hij is ook wel weer lief.”

Zo begon mijn dag weer precies zoals Fred hem bedoeld had: met drama, brokjes en een lesje biologie.

Katten,.....je moet wel van ze houden. Toch?



Blijf zacht, ook als de ochtend even niet meewerkt.





De dag dat mijn zenuwstelsel ontslag mag nemen

Ik wist het al een tijdje: de buurvrouw gaat haar achtertuin aanpakken. Nieuwe terrassen, plantenbakken, alles strak en netjes. Gisteren ging het groen eruit, vandaag is het terras aan de beurt.

En natuurlijk wist ik óók wel dat daar een trilstamper bij komt kijken. Zo’n apparaat dat klinkt alsof iemand een kudde net beslagen paarden door een metalen container jaagt. Maar toch — ik was binnen drie minuten al overprikkeld.

Mijn eerste reactie: de radio aan.

Mijn tweede reactie, drie seconden later: de radio weer uit.

Blijkbaar dacht mijn brein dat herrie + herrie = rust. Wiskundig gezien een interessante poging, praktisch gezien een auditieve nachtmerrie.

Toen het lawaai eindelijk stopte, begon mijn lijf pas echt. Alles doet pijn. Mijn fibro-lijf is op zulke dagen net een dramatische diva die op de grond gaat liggen en gilt: “Ik kan echt niet werken onder deze omstandigheden! Ik wil zon! Wie heeft de warmte uitgezet?! Waar is mijn kleedkamer?!”

Nou ja, ze heeft een punt. Het frisse weer helpt ook niet. Mijn spieren verlangen naar zon en warmte alsof ze apart van mij geboren zijn op een tropisch eiland.

Ik wilde vandaag nog van alles doen — in huis, in de tuin, we zouden even weggaan. Maar mijn zenuwstelsel staat al uren in de aan-stand, mijn energie is gevlucht en mijn hoofd zit vol ideeën die nergens heen kunnen. Alsof er een hele vergadering in mijn hersenen plaatsvindt, maar niemand de notulen bijhoudt.

En dus zit ik hier op de bank. Pijn, moe, prikkelbaar, maar wel met uitzicht op een buurvrouw die straks een prachtig terras heeft.

Mijn dag ligt wonkie, maar haar tegels in elk geval niet.



Blijf zacht

(morgen is er weer een dag)




De ruimte tussen de woorden

Het is weer eens belachelijk vroeg wanneer Fred begint te drammen dat hij eten wil en naar buiten moet. Nog voordat ik beneden ben, schiet het door me heen dat ik iemands verjaardag ben vergeten. Dus na mijn kattenmoedersplicht stuur ik alsnog een berichtje.

Even later komt er een antwoord terug. Kort. “Dank U wel, mevrouw.”  

Wel met een emoji. Dat dan weer wel.

Maar nog voordat ik het scherm neerleg, voel ik iets in mij aanspannen. Een lichte druk in mijn borst, een oude reflex die sneller is dan mijn adem. Mijn hoofd vult het gat al op: Hij is vast geïrriteerd. Ik had gisteren moeten bellen. Misschien had ik anders moeten reageren.

Het gaat zo snel dat ik het zelf bijna niet merk — mijn brein zet een automatische ondertiteling aan onder een tragikomische film die nog niet eens begonnen is. De kamer is stil, maar in mij wordt het druk.

Ik kijk nog eens naar het berichtje en ergens weet ik: dit is niet de werkelijkheid. Dit is mijn snelheid.

Dit is het moment waarop ik mezelf betrap.  

Niet hard, niet verwijtend, maar alsof iemand een hand op mijn schouder legt en zegt: “Wacht even dame. Dit verhaal schrijf je zelf.”

Mijn gedachten rennen nog even door, uit gewoonte, maar het momentum is gebroken. De automatische piloot hapert. Er komt ruimte tussen het berichtje en mijn interpretatie — een dunne, maar voelbare scheur in het verhaal dat ik net nog geloofde.

Ik leg mijn telefoon neer en adem één keer dieper dan normaal. Niet om mezelf te kalmeren, maar om mezelf terug te halen.

Adem in, adem uit.

De stilte klinkt weer als stilte. De woorden “Dank U wel, mevrouw” worden weer gewoon woorden. Geen oordeel, geen lading, geen verborgen boodschap. Alleen een feit.

En in die vertraging voel ik hoe mijn lichaam ontspant, hoe mijn gedachten zachter worden, hoe de werkelijkheid weer terugkomt. Niet spectaculair, niet groots — maar precies genoeg om mezelf te bevrijden uit het verhaal dat ik bijna was gaan geloven.

Wat me steeds weer opvalt, is hoe weinig er nodig is om aannames te maken. Een gezichtsuitdrukking, een zin, een handgebaar — meer is er niet nodig om oude reflexen wakker te maken.

Gelukkig zie ik het vandaag snel. Geen groot inzicht, geen ingewikkelde oefening, maar een paar seconden eerlijk kijken.

Het is bijna olympisch hoe snel mijn hoofd verhalen maakt, en hoe zacht ze oplossen zodra ik ze durf te zien voor wat ze zijn: echo’s van vroeger, automatische bewegingen die me willen beschermen maar me soms juist van mezelf weghalen.

In die kleine vertraging neem ik mezelf weer bij de hand en denk: de werkelijkheid is vaak eenvoudiger dan mijn gedachten, en tegelijk rijker dan mijn aannames.

Misschien is dat wel de grootste rust die ik mezelf kan geven: de ruimte om niet meteen in te vullen, maar te blijven bij wat er werkelijk is.

Soms is dat alles wat nodig is.


Blijf zacht.





Hokjes

Het biologische mechanisme

Categoriseren is een oerfunctie. Je brein wil vooral weten: veilig of gevaarlijk, bekend of onbekend. Hokjes zijn dus eigenlijk primitief overlevingsgereedschap.  

Alleen… dat gereedschap is zo subtiel als een voorhamer. Het werkt snel, maar niet bepaald verfijnd.


Voor iedereen die niet in één vakje past — dus voor ons allemaal.

Ik las vanmorgen iets over homoseksualiteit en “wat dat met je doet”.  Alleen al die vraag. Wat moet het anders met je doen dan: mens zijn?  Maar goed — ik betrap mezelf er ook op. Ik ben net zo’n hokjesfabriek als ieder ander.

Eerlijk gezegd: je kunt het je brein niet eens kwalijk nemen. Het is geen neutrale databank, het is een overlevingsmachine. Zonder dat mechanisme zou je binnen een uur huilend onder een tafel liggen omdat je niet weet wat je met al die prikkels moet.

Dus wat doet je brein? 

Alles wat ook maar een beetje op elkaar lijkt, wordt in één bakje gegooid. Lekker efficiënt. Als je alles in nuance zou opslaan, zou je nog steeds staan te twijfelen of die leeuw misschien  gevaarlijk is, terwijl hij al aan je linkerbeen is begonnen.

Efficiënt, ja. Maar efficiëntie is niet altijd rechtvaardig.

Volgens mij begint het allemaal met taal. Alles heeft een label gekregen: man/vrouw, jong/oud, normaal/anders, wij/zij. Het maakt de wereld overzichtelijk, en overzicht voelt veilig.

Maar taal is ook een soort sociale liniaal. En sommige mensen gebruiken die liniaal alsof ze de klas moeten controleren.  

Liever de hamer dan de spijker — dat idee.

Waarom het soms zo benauwend voelt

Hokjes geven veiligheid, maar ze zijn meestal te klein. Je mag maar één ding zijn: gevoelig óf sterk, rationeel óf intuïtief, introvert óf extravert.  

Alsof je een soort menselijk keuzemenu bent. Je brein vergeet dan even dat je in tientallen hokjes tegelijk past — en soms in geen één.  En ik denk dat hoe meer je anderen in hokjes stopt, hoe minder rust je zelf hebt. Het is paniekmanagement in nette verpakking.

Groepsvorming werkt hetzelfde: wij horen bij elkaar, jij valt erbuiten.  

Taal dwingt ons in categorieën. Normen en waarden maken gedrag voorspelbaar, maar laten weinig ruimte voor nuance. En nuance is nou net waar de meeste mensen wonen.

Zijn hokjes dan helemaal niet handig?

Jawel. Voor systemen zijn hokjes fantastisch. Administratie, statistiek, beleid — allemaal dol op vakjes. Maar voor mensen zijn ze te klein geworden. We passen niet meer in één categorie, hoe graag sommige mensen dat ook zouden willen. En daar begint volgens mij de frictie.

Veiligheid voor alles

Hoe onzekerder iemand zich voelt, hoe meer hokjes hij nodig heeft om de wereld een beetje overzichtelijk te houden. Alsof je met labels kunt voorkomen dat het leven onverwachte bochten maakt. Maar hoe sneller en efficiënter alles moet, hoe meer we elkaar in vakjes duwen die eigenlijk allang te klein zijn. En voor je het weet zit je zelf ook weer te puzzelen waar je in hemelsnaam thuishoort — terwijl je dat natuurlijk allang wist.

En zo blijft er minder ruimte over voor het rommelige middengebied waar echte mensen leven.



Blijf zacht








Wat je pas later ziet

Ik heb altijd een soort ingebouwde leeftijdsvertaler gehad. Vraag me hoe een achtjarige denkt, en ik zit binnen twee seconden in een klaslokaal met stiften, kruimels en een onverklaarbare fascinatie voor glitters.  

Vraag me hoe iemand van tachtig denkt, en ik schuif net zo makkelijk door naar een leven vol herinneringen, wijsheid en een rug die af en toe kraakt als een oud houten trapje.

Mij verplaatsen in een ander gaat me goed af. Soms té goed.  

Er is een tijd geweest dat ik niet alleen meedacht, maar ook meehuilde. Als iemand verdriet had om een dierbare, voelde ik dat verdriet alsof het van mij was. Of ik die persoon nou kende of niet.  

Dat is het nadeel van een open hart: iedereen kan er zo naar binnen wandelen.  

Inmiddels heb ik geleerd de deur op een kier te zetten. Niet dicht — dat past niet bij me — maar wel met een soort vriendelijk kettinkje erop. Genoeg om te voelen, niet genoeg om kopje‑onder te gaan.  

Behalve bij kattenfilmpjes. Daar ben ik nog steeds reddeloos verloren.

Maar empathie heeft een gekke bijwerking: je kunt iemand volledig begrijpen, en toch doet het soms pijn.  Ik kan prima beredeneren waarom jongeren hun eigen leven leiden. Vrienden, sportclub, studie, werk, kinderen — het leven dendert door als een trein zonder remmen. En ouderen passen daar niet altijd in. Dat is niet erg. Dat hoort bij het leven. Maar begrijpen waarom iets gebeurt, betekent niet dat je het niet voelt.

En eerlijk is eerlijk: het werkt natuurlijk ook andersom. Als kind van een oudere zie ik het net zo goed gebeuren. Mijn moeder had haar eigen tempo, haar eigen rituelen, haar eigen wereld die soms mijlenver van de mijne lag. Ik begreep haar — ik voelde haar zelfs — maar dat betekende niet dat het altijd makkelijk was. Ook ik had fases waarin mijn leven te vol, te druk, te jong was om te zien wat er écht toe deed. En pas later, veel later, zag ik hoe zacht ze eigenlijk riep.

Je bent op een bepaalde leeftijd volwassen genoeg om je eigen leven te leiden, maar nog te jong om te zien wat er écht belangrijk is. Dat inzicht komt pas later, met de jaren.  

Met ervaringen. Met verliezen. Met liefde. Met de eerste keer dat je denkt: O ja… dit is waar het om draait.

En ergens vind ik dat troostrijk want de rust komt vanzelf. De prioriteiten verschuiven vanzelf.  

Tot die tijd doe ik gewoon wat ik altijd doe: meeleven, meedenken, en af en toe zachtjes glimlachen om hoe we allemaal onderweg zijn — in onze eigen leeftijd, op onze eigen manier.


Blijf zacht




Een tuin die ons voedt (en opvoedt)

Zo groeit hier van alles — planten, dieren, kruiden… en ook een beetje mijn geduld.

Toen we in 2012 in dit huis kwamen wonen, bestond onze tuin uit een stuk gras, zand, een paar tegels en een heleboel zevenblad. Drie weken lang hebben we stukje bij beetje de tuin schoongemaakt. Elk stukje grond werd gezeefd tot er geen zevenbladworteltje meer te vinden was.  

Dat we het ook gewoon hadden kunnen eten, wisten we toen nog niet. Maar goed — het moest er toch uit.  

We maakten in die beginjaren fouten waar je achteraf om moet lachen. Planten op de verkeerde plek. Planten die het gewoonweg niet deden. Planten die deden alsof ze het niet deden en vervolgens als gekken gingen woekeren.  

En dan de slakken. Vooral naaktslakken. We wilden ze niet doden — we zijn tenslotte geen moordenaars — dus elke ochtend en avond liep ik mijn rondje. Slakken oprapen, meenemen, en in het park weer vrijlaten.  

Het hielp niets. Ze kwamen gewoon terug. Waarschijnlijk sneller dan ik zelf kon lopen. En dat is knap.  

Ondertussen groeide de tuin door. 

Wij ook. We leerden wat werkte en wat niet. En ergens tussendoor besloten we dat we zelf ook wel eens iets uit de tuin wilden eten. Dus kwam er een kruidenborder. Eerst een paar sprietjes bieslook en een zielige peterselie, maar inmiddels plukken we vrolijk tijm, munt, salie en rozemarijn alsof we een eigen kookprogramma hebben.

Het blijft elke keer een klein wonder: dat iets wat je zelf in de grond stopt, later zomaar in je pan belandt.

Er kwam een egelhuis. Water voor de vogels. Een houtwal waar inmiddels een bosmuis woont. In de rotstuin zit regelmatig een pad. Misschien wel meerdere, maar dat weet ik niet zeker, ze melden zich niet bij onze receptie.  

Vanmorgen ontdekten we dat er een merel een nest bouwt in de meidoorn.  

En ineens vroegen we ons af: waarom zien we eigenlijk geen slakken meer?  

Nou, omdat onze tuin inmiddels een soort all-inclusive resort is voor dieren die onder andere slakken eten.  

Onder een struik vonden we wel honderd lege slakkenhuisjes. De bosmuis blijkt ze te verzamelen — waarschijnlijk voor zijn privécollectie. De pad lust ook wel een sappige slak. En de egel… die kraakt ze als chips. Wat weer fijn is voor de vogels, die het kalk van de huisjes goed kunnen gebruiken.  

En terwijl ik dit allemaal zie gebeuren, merk ik dat ik soms ongeduldig word. Van mij mag alles nu al groen, vol, weelderig en in bloei staan. Liefst tot eind oktober. Maar ja — de natuur heeft haar eigen tempo. En ik moet braaf mee in dat ritme.  

Toch genieten we elke dag. Eindelijk begint het ergens op te lijken. Al is er nog genoeg ruimte voor verbetering. We streven naar zoveel mogelijk biodiversiteit, maar wel op een manier die voor ons behapbaar blijft. We worden tenslotte niet jonger of fitter. Maar dat terzijde.  

De glansmispel staat nu prachtig in bloei en zoemt van de bijen, hommels en zweefvliegen. Voor de vlinders hebben we waardplanten neergezet. In het minuscule grasveldje van wel helemaal 1,5 bij 1,5 meter wonen gele mieren. In de bomen lopen twee keurige mierenwegen: één omhoog, één omlaag.  

Overal scharrelt wel iets. Vuurwantsen, kevertjes, spinnen, zweefvliegen in alle maten. Metselbijtjes in het insectenhotel én in de grond. Hommels onder potjes.  

Als je weet waar je moet kijken, heb je een complete dierentuin in je tuin — maar dan zonder schreeuwende bezoekers.  

Gelukkig blijven Hannah en Fred lekker in de ren. Zo hoeven de vogels en de muizen niet bang te zijn.  

En zo groeit hier van alles — planten, dieren, kruiden… en onze verwondering. Elke dag een beetje meer. En dat is precies genoeg.

En toch betrap ik mezelf er elke ochtend weer op dat ik ongeduldig sta te kijken of er al iets nieuws is uitgekomen, gegroeid, gevlogen of verhuisd. De tuin heeft haar eigen tempo. Ik leer het mijne ernaast.


Blijf zacht






De stoomkoffiebranderij van Doesburg.

Ik heb een zwak voor koffie — niet alleen om te drinken, maar ook om te ruiken. Als kind fietste ik elke ochtend langs koffiebranderij De Pelikaan in Zutphen. Die warme, geroosterde geur hing als een wolk boven de straat en nestelde zich ergens diep in mij. Daar, in dat kleine moment van thuiskomen voordat de schooldag begon, ontstond mijn liefde voor koffie. Sindsdien hebben plekken waar ooit koffie werd gebrand altijd een zachte aantrekkingskracht op me.

Er zijn plekken in een stad die je niet ziet, totdat je ze wílt zien. Plekken die zich pas openen als je vertraagt, als je bereid bent te luisteren naar wat stenen bewaren. In Doesburg is zo’n plek te vinden in de Heilige Geeststeeg — een smalle doorgang waar de tijd niet verdwijnt, maar blijft hangen. En precies daar staat een gebouwtje dat ooit de hele buurt naar koffie liet ruiken.

De steeg die naar koffie rook

Aan het begin van de twintigste eeuw was de Heilige Geeststeeg geen stille doorgang, maar een levendige ader van Doesburgs ambachtelijke hart. Terwijl de stad nog slaperig was, klonk er achter Koepoortstraat 25 al het zachte ritme van arbeid: het tjoek‑tjoek van een kleine stoommachine, het schrapen van jute zakken, het openen van zware luiken.

De geur

Wie ’s ochtends door de steeg liep, werd begroet door een warme, bijna zoete wolk van versgebrande koffie. Een geur die je niet alleen rook, maar die zich in je kleren nestelde, in je haar, in je herinnering. Een geur die vertelde dat de familie Van de Bold alweer aan het werk was.

Een familie die koffie ademde

De branderij werd in 1910 gebouwd door A. van de Bold, een winkelier met een kruidenierszaak aan de Koepoortstraat. Zijn zoon groeide op tussen de zakken groene koffiebonen, leerde de herkomst van elke partij kennen, wist welke bonen sneller brandden en welke klanten het liefst een donkere branding wilden.

In de bewaard gebleven administratieboeken — grootboeken, voorraadstaten, kasboeken — zie je hun wereld terug: Cafés die wekelijks bestelden, fluctuaties in de prijs van Java‑ en Santosbonen en zorgvuldige notities in de kantlijn: “Goede kwaliteit, iets langer branden.” Het zijn stille getuigen van een familie die koffie niet alleen verkocht, maar begreep.

Het gebouw dat meer vertelde dan het liet zien

Van buiten oogt de stoomkoffiebranderij bescheiden: rode baksteen, een schilddak, gietijzeren ramen. Maar wie omhoog kijkt, ziet de hijsbalk en de jufferkap — de werktuigen van een tijd waarin zakken van zestig kilo nog met de hand omhoog werden getakeld.

Binnen stond de stoombrander, een compacte machine die zuchtte en siste alsof ze een eigen karakter had. In 1924 werd ze vervangen door een elektrische variant. Efficiënter, zeker. Maar volgens oudere Doesburgers “een stuk minder romantisch”.

Een werkdag rond 1920

Stel je een ochtend voor.

De zoon van Van de Bold opent de luiken. Het licht valt in strepen naar binnen, stofdeeltjes dansen in de lucht. Hij giet een nieuwe lading bonen in de trommel. Eerst hoor je alleen het draaien. Dan komt de geur — langzaam, dan plots intens. En dan het mooiste moment: het kraken van de bonen, de *first crack*, het teken dat de koffie tot leven komt.

Buiten blijft een vrouw met een mand boodschappen even staan.  “Ah,” zegt ze, “ze zijn weer aan het branden.” Het is een geur die hoort bij Doesburg, net zo vertrouwd als de klokken van de Martinikerk.

De stilte na de branding

Zoals veel kleine bedrijven kreeg ook de stoomkoffiebranderij het moeilijk in de jaren dertig. Grotere branderijen, betere distributie, veranderende smaken — het werd steeds lastiger om als kleine speler te concurreren.

Maar het gebouw bleef.

Het werd niet gesloopt, niet verbouwd tot iets anders, niet opgeslokt door modernisering. Het bleef staan alsof het wist dat het ooit een monument zou worden. En dat werd het: Rijksmonument 513194, een van de best bewaarde voorbeelden van Doesburgse kleinschalige industrie.

Vandaag

Loop je nu door de Heilige Geeststeeg, dan zie je een stille gevel. De luiken zijn dicht, de hijsbalk hangt er nog. De letters mooi wit herschilderd. Het gebouw ademt nog steeds koffie, al is het alleen in de verbeelding.

Sommige gebouwen verdwijnen uit het dagelijks leven, maar niet uit het geheugen van een stad. De stoomkoffiebranderij is zo’n plek. Ze vertelt over vakmanschap, over een familie die koffie ademde, over een tijd waarin geur nog een signatuur was. Ze herinnert ons eraan dat geschiedenis niet alleen in grote verhalen zit, maar juist in de kleine — in een steeg, een hijsbalk, een geur die blijft hangen.

Misschien is dat juist wel het mooiste:  dat een plek die ooit zo gewoon was, nu een stille drager is van alles wat Doesburg ooit was — en nog steeds een beetje is.

De stoomkoffiebranderij raakt me om diezelfde reden. Elke keer dat ik door de steeg loop, merk ik dat mijn neus nog steeds zoekt naar iets wat verdwenen is: een geur die ooit zo vanzelfsprekend was, maar nu alleen nog in herinneringen bestaat.

Zo raken de koffie van mijn jeugd en de koffie van Doesburg elkaar even — in een stille steeg, bij een gebouw dat niet meer brandt, maar nog wel ademt.


Blijf zacht en geniet van je koffie





Beltane en ik - deel 2.

 Voor Wesley: Dank voor deze mooie ervaring

Soms moet je dingen gewoon ervaren om te weten of ze bij je passen.  
Een Beltane-viering bijvoorbeeld, met rituelen, aanroepingen en de hele rattaplan die daarbij hoort.  
Klinkt dat onaardig? Dat is niet zo bedoeld — het is gewoon eerlijk.

Ik was gisteren bij zo’n viering. En al snel merkte ik: dit is niet mijn manier.  
Ik vier Beltane liever op mijn eigen tempo, op mijn eigen plek, zonder het aanroepen van goden of windrichtingen. Misschien vinden sommigen dat “fout”, maar wat is er eigenlijk fout aan het vieren dat de zomer begint?

Mei is de maand van vruchtbaarheid. Alles staat in bloei.  
Bloei die nodig is om vruchten te maken.  
En om te kunnen bloeien is vereniging nodig — van mannelijk en vrouwelijk, van licht en donker, van aarde en lucht.  
Dat vieren we. Dat begrijp ik. Dat voel ik.

Maar daar stond ik dus, tussen liefdevolle, passievolle mensen die met hart en ziel Beltane vierden, en ik was de vreemde eend in de bijt.  
Ik keek naar het vuur — veilig in een vuurkorf, gelukkig — en dacht alleen maar: “Oh jee, dit is zó niet mijn ding.”

Toen kwam de geleide meditatie.  
“Fijn,” dacht ik nog. Ik mediteer graag.  
Maar ik kwam er niet in. Halverwege ben ik in gedachten naar mijn eigen veilige plek gegaan en heb met open ogen genoten van de omgeving. De vogels deden vrolijk hun eigen ding, en dat paste me beter dan de woorden die ik hoorde.

Wat ik wél mooi vond, was zien hoe anderen dit beleven.  
Mooie mensen, stuk voor stuk.  
De saamhorigheid, het diepe geloof in goden en godinnen — ik heb dat niet, maar ik kan er met respect naar kijken.

Ik geloof wel dat er íets is.  
Het universum heeft nog genoeg mysteries voor ons.  
En ik snap dat sommige mensen zeggen: “Het universum, de goden — dat is toch hetzelfde?”
Maar terwijl ik daar stond, merkte ik dat mijn manier van betekenis geven anders werkt.

Voor veel mensen is het universum een grote, onpersoonlijke kracht: iets dat beweegt en verbindt zonder bedoeling of voorkeur.  
De goden zien zij dan als persoonlijke verschijningsvormen van datzelfde geheel — symbolen, archetypen, verhalen die helpen om betekenis te geven.

In die visie is het universum de achtergrond,  
en zijn de goden de manieren waarop mensen daar een relatie mee kunnen voelen.

Zelf voel ik me het meest thuis bij dat eerste: een universum dat niet stuurt, maar simpelweg is.  
Geen boodschappen, geen kosmische planning — eerder een rustige achtergrond waar wij zelf betekenis in mogen leggen.

Zo blijven beide talen naast elkaar bestaan:  
de één zoekt nabijheid in goden,  
de ander vindt ruimte in het universum.  
Niet beter, niet slechter — gewoon twee manieren om richting te zoeken.

En toch… terwijl ik dit schrijf, hoor ik mezelf denken:  
“Margot, ben jij niet degene die engelen bedankt als je een veertje vindt?  
Ben jij niet degene die meteen opzoekt wat dubbele cijfers betekenen, of waarom een bepaald dier steeds op je pad komt?”

Misschien hoef ik dat niet te scheiden.  
Misschien is dat gewoon mijn eigen taal.  
Mijn eigen manier om het universum een klein beetje persoonlijk te maken — precies genoeg om er iets warms in te herkennen, zonder dat ik er een godennaam aan hoef te hangen.

Blijkbaar ben ik spiritueel genoeg om tekens te zien,
maar niet ritueel genoeg om er in koor bij te gaan staan.
En misschien is dat precies goed zo:
mijn manier van vieren is klein, stil en een beetje eigenwijs.
Een veertje dat opduikt, een vogel die net op tijd langsvliegt,
een getal dat even knipoogt.
Geen groot ritueel —
gewoon een universum dat stilletjes met me meeloopt.
En dat voelt helemaal goed zo.
Laat mij maar een solitaire heks zijn.


Blijf zacht