Een tuin die ons voedt (en opvoedt)

Zo groeit hier van alles — planten, dieren, kruiden… en ook een beetje mijn geduld.

Toen we in 2012 in dit huis kwamen wonen, bestond onze tuin uit een stuk gras, zand, een paar tegels en een heleboel zevenblad. Drie weken lang hebben we stukje bij beetje de tuin schoongemaakt. Elk stukje grond werd gezeefd tot er geen zevenbladworteltje meer te vinden was.  

Dat we het ook gewoon hadden kunnen eten, wisten we toen nog niet. Maar goed — het moest er toch uit.  

We maakten in die beginjaren fouten waar je achteraf om moet lachen. Planten op de verkeerde plek. Planten die het gewoonweg niet deden. Planten die deden alsof ze het niet deden en vervolgens als gekken gingen woekeren.  

En dan de slakken. Vooral naaktslakken. We wilden ze niet doden — we zijn tenslotte geen moordenaars — dus elke ochtend en avond liep ik mijn rondje. Slakken oprapen, meenemen, en in het park weer vrijlaten.  

Het hielp niets. Ze kwamen gewoon terug. Waarschijnlijk sneller dan ik zelf kon lopen. En dat is knap.  

Ondertussen groeide de tuin door. 

Wij ook. We leerden wat werkte en wat niet. En ergens tussendoor besloten we dat we zelf ook wel eens iets uit de tuin wilden eten. Dus kwam er een kruidenborder. Eerst een paar sprietjes bieslook en een zielige peterselie, maar inmiddels plukken we vrolijk tijm, munt, salie en rozemarijn alsof we een eigen kookprogramma hebben.

Het blijft elke keer een klein wonder: dat iets wat je zelf in de grond stopt, later zomaar in je pan belandt.

Er kwam een egelhuis. Water voor de vogels. Een houtwal waar inmiddels een bosmuis woont. In de rotstuin zit regelmatig een pad. Misschien wel meerdere, maar dat weet ik niet zeker, ze melden zich niet bij onze receptie.  

Vanmorgen ontdekten we dat er een merel een nest bouwt in de meidoorn.  

En ineens vroegen we ons af: waarom zien we eigenlijk geen slakken meer?  

Nou, omdat onze tuin inmiddels een soort all-inclusive resort is voor dieren die onder andere slakken eten.  

Onder een struik vonden we wel honderd lege slakkenhuisjes. De bosmuis blijkt ze te verzamelen — waarschijnlijk voor zijn privécollectie. De pad lust ook wel een sappige slak. En de egel… die kraakt ze als chips. Wat weer fijn is voor de vogels, die het kalk van de huisjes goed kunnen gebruiken.  

En terwijl ik dit allemaal zie gebeuren, merk ik dat ik soms ongeduldig word. Van mij mag alles nu al groen, vol, weelderig en in bloei staan. Liefst tot eind oktober. Maar ja — de natuur heeft haar eigen tempo. En ik moet braaf mee in dat ritme.  

Toch genieten we elke dag. Eindelijk begint het ergens op te lijken. Al is er nog genoeg ruimte voor verbetering. We streven naar zoveel mogelijk biodiversiteit, maar wel op een manier die voor ons behapbaar blijft. We worden tenslotte niet jonger of fitter. Maar dat terzijde.  

De glansmispel staat nu prachtig in bloei en zoemt van de bijen, hommels en zweefvliegen. Voor de vlinders hebben we waardplanten neergezet. In het minuscule grasveldje van wel helemaal 1,5 bij 1,5 meter wonen gele mieren. In de bomen lopen twee keurige mierenwegen: één omhoog, één omlaag.  

Overal scharrelt wel iets. Vuurwantsen, kevertjes, spinnen, zweefvliegen in alle maten. Metselbijtjes in het insectenhotel én in de grond. Hommels onder potjes.  

Als je weet waar je moet kijken, heb je een complete dierentuin in je tuin — maar dan zonder schreeuwende bezoekers.  

Gelukkig blijven Hannah en Fred lekker in de ren. Zo hoeven de vogels en de muizen niet bang te zijn.  

En zo groeit hier van alles — planten, dieren, kruiden… en onze verwondering. Elke dag een beetje meer. En dat is precies genoeg.

En toch betrap ik mezelf er elke ochtend weer op dat ik ongeduldig sta te kijken of er al iets nieuws is uitgekomen, gegroeid, gevlogen of verhuisd. De tuin heeft haar eigen tempo. Ik leer het mijne ernaast.


Blijf zacht






Geen opmerkingen:

Een reactie posten

Laat hier een berichtje achter: