Nico: In de stilte loopt hij mee

○-15-04-2012---†-27-04-2026

Het contrast kon niet groter zijn. Een paar deuren verderop werd feest gevierd — Koningsdag, vrolijk en luid. Maar wij zaten huilend op de grond. Naast ons lag op een kleedje Nico. Hij had net zijn laatste adem uitgeblazen. Nico, onze lieve zonaanbidder, die soms zwart leek en dan weer chocoladebruin, die het liefst in je nek kroop wanneer hij kwam kroelen — ons mannetje met zijn eigen karakter en eigenaardigheden. We hebben twaalf jaar voor hem mogen zorgen. We hebben twaalf jaar van hem mogen genieten.

Nico bood liefde en gezelschap. Hij begroette ons enthousiast, troostte op moeilijke dagen en bracht structuur in ons leven. Zijn aanwezigheid vervulde onze dagen met kleine momenten van vreugde en verbinding. Nu hij er niet meer is, laat hij een diep gevoel van leegte achter. En met die leegte komen ook de gedachten: schuldgevoelens, twijfel of we het anders of meer hadden moeten doen. Afgewisseld met de opluchting dat hij niet meer hoeft te vechten en te lijden.

Nico kwam ’s nachts altijd even beneden manlief ophalen als die — wat hem betrof — te lang bleef zitten. Raar dat dat nu ineens niet meer is. Ik kon me soms enorm ergeren aan het krabben op het raam wanneer hij naar binnen wilde. Het liefst via de achterdeur naar buiten en vijf minuten later weer via de voordeur naar binnen. Nu zal ik dat eigenwijze gekrab missen.

En dan die keer dat hij thuiskwam met een hele, net gebakken verse worst. Hij legde hem parmantig op het pad, met een blik die zei: “Kijk eens wat ik heb gevonden.” Regelmatig heb ik hem een bot af moeten pakken dat hij ergens had gescharreld.

Nu blijft zijn plekje leeg en staat zijn bakje onaangeroerd in de kast. Wat is deze pijn toch vreselijk rauw. We hebben in het verleden vaker afscheid moeten nemen van een huisdier, en het is telkens weer een ingrijpende gebeurtenis. Ze maken immers deel uit van het gezin en schenken je onvoorwaardelijke liefde. We voelen het verdriet net zo intens, misschien wel intenser, dan bij het verlies van een dierbaar mens. Helaas wordt dit rouwproces niet altijd erkend door de buitenwereld, wat het soms extra moeilijk maakt.

Maar voor ons was hij familie. En dat blijft hij.

De dagen lijken nu vreemd stil. Alsof het huis zelf nog niet weet hoe het moet ademen zonder hem. Soms denk ik dat ik hem hoor — een zacht tikje tegen het raam, een sprongetje op de vensterbank, het ritme van zijn pootjes op de trap. Mijn hoofd weet dat het niet kan, maar mijn hart loopt achter. Rouw is blijkbaar ook dat: telkens opnieuw beseffen dat hij er echt niet meer is.

En toch… tussen alle tranen door duikt hij steeds weer op. In een gedachte, een herinnering, een geluid dat ik even voor hem aanzie. Soms voelt het alsof hij nog ergens om een hoekje zit te wachten, klaar om ons weer te verrassen met iets wat alleen Nico kon. Een onverwachte sprong op schoot. Een blik die meer zei dan woorden. Een buit die hij trots presenteerde alsof hij de jacht van zijn leven had voltooid.

Misschien is dat wel zijn laatste cadeau: dat hij zelfs nu nog kleine glimlachjes achterlaat. Dat hij ons herinnert aan hoe licht het leven soms kan zijn, zelfs wanneer het zwaar voelt. Dat hij, op zijn eigen eigenwijze manier, nog steeds een beetje bij ons is.

Misschien is dat wel gewoon genoeg voor vandaag.


“Lieve Nico, ga in licht.

Blijf in ons hart.

Wij dragen je mee.”



Blijf zacht.













Beltane en ik

Ik ben uitgenodigd voor een Beltane‑feest. En je mag best weten: ik vind dat spannend.  

Niet omdat ik bang ben voor mensen — ik stap heus wel op vreemden af. (Zij die het liefst in haar eigen bubbeltje zit, kan verrassend sociaal uit de hoek komen.)  

Nee, het is iets anders. Iets vurigs. Letterlijk.

Hoewel ik altijd al geïnteresseerd ben geweest in het oude en het spirituele, ben ik nooit echt een praktiserend type geweest. Hoe doe je dat ook, in je eentje? Nou ja, natuurlijk doe ik wel íéts. In de loop der jaren heb ik mijn eigen kleine ritueeltjes ontwikkeld. Ik lees veel, ik leer nog elke dag bij, en sommige rituelen vind ik heerlijk aards… terwijl andere me doen denken: oké, dit is wel héél veel wierook voor één mensenleven.  

Maar dat is niet erg. Je moet doen wat bij je past — dat roep ik al jaren.  

Meebewegen met de natuur zit tenslotte ergens in ons DNA. De één voelt dat wat sterker dan de ander, maar toch…

Beltane — een oud feest met een warm hart

Beltane komt uit de Keltische traditie en markeert het begin van de zomer. Het is een feest uit een tijd waarin het leven nog ritmisch meebewoog met de seizoenen. Het lengen van de dagen en het ontluiken van de natuur waren geen leuke bijkomstigheid, maar een belofte van leven, overvloed en hoop.

In heel Noordwest‑Europa vierden onze voorouders dit moment op hun eigen manier: met vuur, met dans, met rituelen die het leven en de liefde bezongen.  

Niet alleen de Kelten in Ierland en Groot‑Brittannië, maar ook Galliërs, Germaanse stammen en zelfs de Vikingen hadden hun eigen lentefeesten. Overal waar mensen dicht bij de natuur leefden, vierde men de kracht van de zon, de vruchtbaarheid van de aarde en de komst van licht en warmte.

Vandaag leven we in huizen van steen, met elektriciteit, agenda’s en deadlines. Maar ergens in ons brandt nog steeds dat oerverlangen: naar verbondenheid met de aarde, naar het vieren van het leven,  naar lachen onder de sterren en voelen hoe het bloed weer een beetje sneller stroomt.

En dan…het vuur

Zoals ik al zei: ik heb er veel over gelezen. En één ding komt steeds terug: vuur!. Misschien is dat wel waarom ik het zo spannend vind. Niet omdat ik bang ben voor onbekende mensen — dat komt wel goed. Maar vuur en ik… tja. We zijn geen natuurlijke match. Ik ben er als de dood voor. Geen idee waarom. Ik heb zelf nooit iets naars meegemaakt met vuur, maar ik heb wél gezien wat het kan aanrichten. Aan huizen, aan mensen, aan levens.

Tegelijkertijd weet ik dat vuur ook mooi is. Warm. Helend zelfs. Dus ik kijk er graag naar…maar wel op gepaste afstand. Het liefst een afstand waarbij ik nog net kan zien dat het vuur daar staat en ik hier.

Beltane als uitnodiging

En toch — Beltane nodigt mij uit. Om stil te staan bij wat in mij tot bloei wil komen. Wat ik wil voeden, laten groeien, laten stralen.

Het is een moment om verbinding te voelen met mijn lichaam, mijn verlangens, mijn creatieve energie.  Een viering van licht, speelsheid, levenslust en de kracht van verlangen.

Beltane gaat ook over liefde en vurig verlangen — niet alleen lichamelijk, maar ook spiritueel.  Verlangen als levensenergie, als innerlijk vuur dat richting geeft. Wat wakkert mijn passie aan? Waar gaat mijn energie van stromen?

Beltane herinnert me eraan dat ik mag stralen, mag voelen, mag genieten. Dat ik mag kiezen voor wat mij laat léven, in plaats van alleen maar overleven. 

En ach…als ik dan toch in het vuur moet kijken, dan maar in goed gezelschap niet waar?

Vertel eens: Wat wakkert jouw passie aan?


Blijf zacht




Vieren wat blijft

Voor Pa, honderddrie vandaag,

Mijn vader werd geboren op 24 april 1923 en overleed op 29 april 1997. Vierenzeventig jaar oud — te jong, als je het mij vraagt.

Hij maakte het zichzelf — en ons — soms behoorlijk moeilijk. Maar hij was mijn vader: een man met een bijna angstaanjagende hoeveelheid kennis. Je hoefde hem maar íets te vragen en het antwoord lag al klaar. En als hij het toevallig niet wist, dan had hij ergens een boek, knipsel of vergeeld artikel liggen waar het in stond. Zijn geheugen was fotografisch; hij wist precies in welke kast, in welke stapel, op welke bladzijde.

En dat was een wonder, want hij bewaarde álles. Stapels National Geographic en soortgelijke tijdschriften, vaak half uit elkaar geknipt omdat er weer een (klein)kind een werkstuk moest maken. Of omdat hij zelf plaatjes van een vogelsoort in een map had geplakt. Latijnse naam, Nederlandse naam, keurig geschreven. En dan zo’n golfjeslijntje eronder — voor het net. Alsof iemand anders zou denken: “Nou, dit is wel erg slordig hoor.”

Mijn vader, ik mis hem nog vaak. Soms onverwacht, soms precies op de momenten dat ik hem hier naast me zou willen hebben. Wat had ik graag nog één keer met hem door de Fraterwaard gefietst. Of gewoon samen in de achtertuin gezeten, zwijgend tevreden. Ik had het hem — en mezelf — zo gegund. Maar het liep anders. Hij moest lang strijden tegen die rotziekte kanker. Moe gestreden verloor hij zijn gevecht, vijf dagen na zijn verjaardag.

Het prachtige boek over alle uilensoorten ter wereld dat ik hem cadeau gaf, heeft hij nooit kunnen inkijken. Hij was toen al te ziek. Jaren later gaf ik het in zijn nagedachtenis aan mijn oudste zus, de echte vogelaar van de familie. Bij haar ligt het beter. Net zoals het bij hem gelegen zou hebben.

Vlak voordat hij met pensioen zou gaan, kreeg hij de diagnose die alles verpestte. Hij had zóveel plannen. Alle kinderen de deur uit, zeeën van tijd, een jaarkaart van de NS al besteld. Hij wilde Nederland zien. Samen met mijn moeder. Lekker met z’n tweeën op pad, mooie herinneringen maken. Maar van dat alles kwam niets terecht.

In plaats daarvan lag hij — in mijn herinnering bijna van de ene op de andere dag — half uit elkaar op de IC in Utrecht. Er ging van alles mis. Hij moest bestraald worden, hij werd zwakker, wanhopiger, maar hield zich moedig staande.

Op een dag, de dag na mijn verjaardag, ging ik naar hem toe omdat hij niet meer naar mij kon komen. We hebben lang gepraat en gelachen. De dag erna schreef ik dit gedicht:


 Je lacht maar,  

 je bent verdrietig.  

 Ik zie wel door dat masker heen.  

 Je lacht maar,  

vaak zie je het niet meer zitten.  

 Ik lach met je mee,  

 dat houdt je, denk ik, op de been.  

 Je houdt je zó moedig.  

 Maar ik zie  

 je zou het het liefst willen uitschreeuwen.  

 Je lacht, terwijl ik weet dat  

 je liever zou huilen.  

***   

 Toe maar,  

 schreeuw maar,  

 huil maar.  

 Ik ben bij je.


Vandaag zou hij — als hij nog leefde — jarig zijn. Honderddrie jaar. Hatsjekidee!!

Straks halen we gebak en vieren we het leven.

En Pa… je bent van harte uitgenodigd. We zetten een stoel voor je klaar.


Blijf zacht


Wanneer je brein zegt: “Kom maar, ik kan dit”.........

 ............. en je lijf zegt: “Ik zal je eens laten zien wat overmoed is.”

Zelfs na 44 jaar chronische pijnen trap ik er soms nog steeds in.  

Gisteren bijvoorbeeld. De ramen moesten nodig gelapt worden — en omdat onze bank precies zo staat dat elke ramenlapper spontaan een WA-verzekering zou willen afsluiten, moest ik met één voet op de leuning en de andere op de vensterbank gaan staan. Met mijn ene hand het kozijn vast, met de andere het raam. Een soort huis-tuin-en-keuken-acrobatiek waar ze bij Cirque de Soleil jaloers op zouden zijn.

En omdat ik al dagen best goed ging, dacht ik: dit doe ik even in een handomdraai.  

Nou, die handomdraai heeft me vanmorgen bijna de adem benomen. De spieren over mijn schouderbladen protesteren zo luid dat ik even dacht dat er iets mis was met mijn longen. Ademhalen doet zeer. Lachen doet zeer. Denken doet zeer. Kortom: mijn plan om vandaag lekker verder te gaan kan de prullenbak in.

Waarom trap ik daar toch steeds in?

Omdat je lichaam en je brein niet in dezelfde tijdlijn leven. Mijn brein onthoudt vooral de goede dagen.  Op zo’n dag denkt het: “Hé, ik kan dit! Ik ben toch niet zó beperkt.” Mijn lichaam onthoudt vooral de klappen.  En die komen pas later — als een vertraagde rekening van dingen die ik nooit besteld heb maar wel moet betalen.

Die ramen lappen is geen gebrek aan ervaring.  Het is hoop + menselijkheid + een vleugje koppigheid.  En precies die combinatie heeft me al 44 jaar door de pijn heen geholpen.

Ik wil ook gewoon meedoen met het leven.

Niet altijd hoeven plannen, doseren, nadenken.  Soms wil ik gewoon een raam lappen zonder strategisch overleg met mijn lijf.

Goede dagen voelen verraderlijk normaal.  Mijn lichaam fluistert dan niet: “Pas op.” Het zwijgt.  En ik denk: “Misschien kan het vandaag wél.”

En nu?

Nu mag ik rust nemen zonder schuldgevoel.  Warmte op de pijnplekken, zacht bewegen, en vooral: niet doen alsof ik gefaald heb.

Want eerlijk is eerlijk: die ramen zijn wél mooi schoon.  

Dat telt ook.

Zelfs na 44 jaar geloof ik nog steeds in mogelijkheden, niet in beperkingen.  Dat mijn lijf daar niet altijd aan meewerkt… tja. Daar kan ik weinig aan doen. Of nou ja — jaaaa hoor, natuurlijk kan ik daar iets aan doen.  Dit soort klusjes aan anderen vragen, bijvoorbeeld. Ik had manlief kunnen vragen maar die worstelt al een paar dagen met een verrot tuinhek, splinters en een klemblaar. En ik had ook kunnen wachten op iemand anders. Maar dat zit nu eenmaal niet in de aard van het beestje.

En dus stond ik gisteren te stuntelen op bank en vensterbank — en zit ik nu met de gebakken peren. 

Maar goed, iemand moet het leven toch een beetje glans geven niet waar?


Blijf zacht, vooral voor jezelf





Een column die geen column werd


Dat is toch gek hè: je denkt dat je een prachtidee hebt voor een column. En voor je het weet zit je met je lappie op schoot, hup naar mijn vriendje Co. Twee vragen, simpele verwachting: dit wordt een lekker scheef verhaal. Maar nee hoor.

De werkelijkheid had er geen zin in.

Ik dacht dus echt dat veel meer mensen van het koningshuis af willen.
Maar wat blijkt? Nederland is helemaal niet zo uitgesproken. We zijn geen vurige monarchisten, maar ook geen massale republikeinen. We hangen een beetje in het midden — typisch Nederlands. En ironisch genoeg eten zelfs de anti‑monarchisten gewoon een oranje tompouce.

Co zei het al:

We vieren Koningsdag niet uit liefde voor de koning, maar omdat we dol zijn op rommelmarkten, laf bier en gezelligheid.

Waarom ik dan toch dacht dat de verhoudingen schever zouden zijn?

Omdat ik vaak lees en hoor hoe negatief er over het koningshuis wordt gepraat. We zijn nu eenmaal een volkje met meningen.

Helemaal mee eens, soms doen ze domme dingen.

En ja, ze kosten bergen met geld.

Maar het alternatief spreekt me eerlijk gezegd niet zo aan. Van mij mogen ze blijven, want laten we eerlijk zijn al die bezoekjes die onze koning en koningin brengen aan het buitenland leveren ons vaak ook wat op.

En dan zijn daar nog de peilingen.

Volgens Ipsos is de mening van 1000 mensen genoeg om uitspraken te doen over 18 miljoen Nederlanders. Statistisch klopt dat vast allemaal, maar mijn boerenverstand fronst toch even. Je kunt mij niet vertellen dat iedereen met een migratieachtergrond ook netjes is meegenomen.

Maar goed — dit terzijde.

Ik wilde dus eigenlijk een spectaculair stukje schrijven over hypocrisie. Maar dat blijkt dus best mee te vallen — behalve dan misschien bij de oranje‑tompouce‑etende anti‑monarchisten.

En zo bleef er van mijn spectaculaire columnidee precies niks over. Behalve dan een verhaal over hoe een columnidee soms gewoon weigert mee te werken. 

Ik ga aan de koffie. 

Tot de volgende.


Blijf zacht, ook in je meningen





Zorgen of geen zorgen – dat blijft de vraag

Ik kan me soms behoorlijk zorgen maken als het om onze kinderen gaat.
 Lees: Fred, Nico en Hannah. 

Nu gaat het al een weekje niet zo lekker met Nico. Hij is lange uren weg, eet weinig — tenminste thuis; wat hij ergens anders doet weten we niet — en eenmaal thuis zondert hij zich af. Hij heeft weer een paar flinke knokpartijen gehad buiten de tuin en dat zal hem zo langzamerhand parten gaan spelen. Want laten we wel wezen: het lieve beest is al veertien jaar en dat knokken zal hem best wat energie kosten. Misschien is hij zelfs wel verslagen en moet hij zijn gekrenkte trots verwerken. Ik weet het niet. Maar dát ik mij daar zorgen om maak, is een feit.

Zorgen maken we ons allemaal wel eens, toch? Financiële zorgen, weer een rekening op de mat (voor de jongeren: dat was vroeger, toen alles nog lekker analoog was). Zorgen over een ziek kind of ouder. Zorgen over dat gekke geluidje dat de auto ineens maakt. Zorgen over van alles en nog wat.  

Maar waar komt dat eigenlijk vandaan, je zorgen maken?

Als eerste denk ik dan: je kunt je geen zorgen maken als je niet empathisch bent. Maar dat geldt alleen als het om dieren of andere mensen gaat, toch? Ik dook dus maar weer eens het net op.

Al snel ontdekte ik dat we met z’n allen weer met onze vingers naar onze voorouders kunnen wijzen. Zij weer hoor! Altijd als er iets met emoties voorbij komt, duiken die voorouders op. 

Maar ik zal je vertellen: we moeten ze dankbaar zijn. Echt hoor. Zonder voorouders geen zorgen.

Doordat onze voorouders continu gefocust waren op het afspeuren van bedreigingen, ontwikkelde zich in ons brein een onderdeel dat de amygdala wordt genoemd. Het is het angstcentrum, dat vlak bij je geheugencentra ligt. Zoek dat maar eens op.  

Deze amygdala is altijd het eerste ‘station’ in jouw brein dat reageert op een situatie. Het doet — laten we zeggen — een eerste snelle veiligheidscontrole. Het scant jouw onmiddellijke omgeving op potentiële bedreigingen en gaat vervolgens in je herinneringen op zoek naar verwante gevaren.  

De amygdala is dus voortdurend op zoek naar mogelijk gevaar en is daarbij sneller dan je bewuste brein. Knap hè? Zodra ze iets als bedreigend inschat, activeert ze razendsnel de vecht-, vlucht- of bevriesreactie.  

Hoewel vooral bekend van angst, speelt de amygdala ook mee bij boosheid, verdriet, plezier en agressie. Maar dat terzijde.

Volgens mij is die amygdala gewoon een paniekzaaier.  

Je vindt een rekening op de mat. Meteen gaan de alarmbellen rinkelen.

Wat als het nou een hele hoge is? Wat als ik straks mijn rekeningen niet meer kan betalen? Dan krijg ik schulden. Dan zetten ze me het huis uit en moet ik op straat gaan wonen. En omdat ik op straat woon krijg ik geen geld meer, want dat gaat zo in Nederland. En als ik geen geld heb kan ik geen eten meer kopen. En als ik geen eten meer kan kopen ga ik doooooood.  

Pffffooooh… adem in, adem uit.

Eigenlijk is je lichtelijk zorgen maken ook gewoon een heel handige tool.  Een lichte ongerustheid kan je attent maken op iets dat aandacht nodig heeft.  Bijvoorbeeld: “Heb ik die afspraak wel goed ingepland?” → je checkt het → klaar.  Het kan je helpen voorbereiden: een beetje zorgen kan je aanzetten tot plannen, nadenken, risico’s inschatten.  Bijvoorbeeld: “Wat als het regent?” → je neemt een paraplu mee.  Het laat zien dat je betrokken bent: zorgen om iemand anders is vaak een vorm van liefde of verantwoordelijkheid.  

Het maakt dat je oplet, helpt, aanwezig bent.  

En het zorgt ervoor dat je je grenzen beter kunt aangeven: soms voel je via zorgen dat iets niet klopt of te veel wordt. Dat is je systeem dat zegt: “Let even op jezelf.”

Maar er is ook een andere kant van de medaille.  

Zorgen worden namelijk onhandig en behoorlijk uitputtend wanneer je gaat piekeren zonder actie. Wanneer je gaat overdrijven wat mis kan gaan, kan het je verlammen in plaats van activeren. Als je zorgen niet meer in verhouding staan tot de situatie. Of als ze gaan over zaken waar je geen invloed op hebt. Dan wordt zorgen maken soms een probleem.

In het geval van Nico kan ik mijn zorgen beter even in het verste hoekje van het fietsenrek parkeren. Die komt er wel weer bovenop. Zoals altijd.  

En ik? Ik adem gewoon even met hem mee.


Blijf zacht




De stilte die niet leeg is

“Voel jij je nooit eenzaam?” vragen mensen soms. Ik kijk dan naar manlief, naar de drie katten, naar de tuin en denk: 

Wanneer zou ik daar tijd voor moeten hebben dan?

Wanneer je online zoekt op “alleen zijn”, krijg je vooral artikelen die het zien als een probleem. Hoe je eenzaamheid kunt bestrijden, hoe je sociale isolatie herkent, hoe je meer contacten opbouwt. Maar dat wil ik helemaal niet.

Alleen zijn en eenzaamheid zijn twee totaal verschillende dingen. Eenzaamheid ken ik wel — of nou ja, ik dacht dat ik het kende. Ik kan me enorm “eenzaam” voelen in een zee van mensen, maar inmiddels vermoed ik dat dat meer met overprikkeling te maken heeft dan met eenzaamheid. Ik ben graag alleen. In mijn eigen bubbeltje. Met manlief en de katten. Af en toe een praatje online of met een buur op straat vind ik prima en gezellig. Maar ze moeten niet op de koffie komen.

Mensen zijn kuddedieren, zeggen ze. En als je daar buiten valt, ben je vreemd of zielig. Dat is toch raar? Ik mis andere mensen ook niet.

Het is een vraag die altijd met dezelfde bezorgde frons wordt gesteld. Alsof er ergens een onzichtbare norm bestaat die zegt dat een mens pas compleet is wanneer hij omringd wordt door een hele meute mensen, liefst pratend, liefst druk. En als je dat niet hebt, dan moet er wel iets mis met je zijn. Een leegte. Een gemis. Een soort sociaal gat dat opgevuld moet worden met koffieafspraken, verjaardagen en groepsappjes die nooit stilvallen.

Maar ik heb geen gat. Ik heb een huis. En een man die net zo graag in zijn eigen hoekje zit als ik. En drie katten die het concept eenzame ziel vooral verwarren met iemand die nog niet heeft gevoerd. En een tuin die elke dag iets nieuws laat zien, zelfs als ik er niet om vraag.

Eenzaamheid is een gevoel van tekort. Maar ik leef in een overvloed aan rust.

Soms zitten manlief en ik in dezelfde kamer, ieder verdiept in iets anders. Hij in een verhaal op de laptop, ik in een zin die maar niet wil landen. De stilte tussen ons is geen leegte, maar een soort zachte deken. Een gedeeld zwijgen dat meer zegt dan welk gesprek dan ook. Samen alleen zijn — het is een kunstvorm die je niet leert, maar die je langzaam ontwikkelt als je ontdekt dat nabijheid niet altijd geluid nodig heeft.

Toch blijft de buitenwereld het lastig vinden. “Maar mis je dan geen mensen?” Nee. Ik mis hooguit mijn stukje kaas dat ik vergeten ben te kopen. Of een kat die zich weer eens in de kast heeft verstopt. Maar mensen? Nee hoor. Ik heb precies genoeg mensen. En precies genoeg stilte.

Misschien is dat het echte misverstand: dat stilte gelijkstaat aan eenzaamheid. Terwijl stilte voor mij juist de plek is waar alles samenvalt. Waar ik kan horen wat ik denk. Waar ideeën ontstaan. Waar ik mezelf niet hoef uit te leggen.

Er zijn zeker momenten dat ik onder de mensen ben. Ik ben niet wereldvreemd. Ik kan heus praten, lachen, luisteren. Maar ik hoef het niet elke dag. Niet elke week. Soms niet eens elke maand. Mijn sociale batterij is meer een zonnepaneel: werkt uitstekend, maar alleen als ik genoeg tijd in de luwte krijg.

Dus nee, ik ben niet eenzaam. Ik ben thuis. In mijn huis, in mijn hoofd, in mijn leven. En dat is precies waar ik wil zijn.

Waar vind jij je eigen stilte?


Blijf zacht en oordeel niet te snel



Tok tok tok — over bijgeloof en andere zekerheden


Van zwarte katten tot afkloppen op hout — bijgeloof komt in alle vormen en maten. We gebruiken het om geluk naar ons toe te lokken en ongeluk op afstand te houden. Het geeft ons het gevoel dat we, heel even, grip hebben op het leven. Alsof het universum een soort klantenservice heeft waar je met drie tikjes op hout een spoedmelding kunt indienen.




Ik denk dat de meesten van ons het wel eens gedaan hebben: even tok tok tok op onbewerkt hout.  

Ik ook. Gisteren nog. Zonder erbij na te denken.  

Ik tikte zelfs op een houten deurpost waarvan ik niet eens zeker weet of hij écht van hout was. Maar hé — bijgeloof is flexibel.

Maar waarom doen we dat eigenlijk?

Mensen die zeggen dat ze níet bijgelovig zijn, geloof ik nooit helemaal. Bewust of onbewust doen we allemaal wel iets om het lot een handje te helpen. Vrijdag de 13de? Ongeluk. Een klavertje vier? Geluk.  

Zelf heb ik jarenlang geen foto’s van mensen durven weggooien, omdat ik ervan overtuigd was dat ik ze daarmee ongeluk bezorgde. Mijn huis was op een gegeven moment een soort opvangcentrum voor vergeten gezichten. Als ik ooit een fotoalbum had laten vallen, had ik waarschijnlijk een kettingreactie van rampspoed veroorzaakt.

Mijn oma van mijn vaders kant spande de kroon. Zwarte kat over de weg? Zij liep een straatje om. Ladder op de stoep? Geen haar op haar hoofd die eronderdoor ging.  

Er was eens een dag dat mijn opa per ongeluk het zoutpotje omstootte.  

“Ohhhh,” jammerde mijn oma, “nu komt er ruzie.”  

Waarop mijn opa doodkalm de suikerpot omkieperde:  

“Zo, nou is het weer goed.”  

Wij hebben er jarenlang om gelachen. Mijn oma niet. Die nam dat heel serieus. 

En toch blijft die vraag hangen:  

Waarom hebben we bijgeloof?

Bijgeloof is ontstaan omdat mensen behoefte hadden aan verklaringen voor het onverklaarbare. Angst voor het onbekende, verlangen naar controle, de wens om het leven een beetje voorspelbaar te maken. Het zijn tradities die van generatie op generatie worden doorgegeven, soms zonder dat we nog weten waarom.  

Het is eigenlijk de oeroude versie van “ik doe dit omdat mijn moeder het ook deed”.

En het bestaat overal.  

In Marokko beschermt de hand van Fatima.  

In Frankrijk dragen ze op nieuwjaarsdag kleding met stippen — misschien voor geluk, misschien omdat iedereen nog half slaperig is en gewoon iets vrolijks wil aantrekken.  

In Turkije hangt het blauwe oog aan deuren en kettingen om kwade blikken tegen te houden.  

Daar gaan ze ervan uit dat elke blik een soort energetische laserstraal is die je leven kan saboteren. Het blauwe oog fungeert dan als een soort kosmische zonnebril.

In Nederland komt veel bijgeloof uit het christendom of de Romeinse tijd. Maar ook in de oudheid probeerden mensen al de goden gunstig te stemmen. In de middeleeuwen sloeg dat door naar angst voor hekserij. In de renaissance kwam de wetenschap op, en nam het bijgeloof iets af — maar verdwenen is het nooit.  

We zijn er gewoon te goed in geworden om het te verpakken als “traditie”, “gezelligheid” of “je weet maar nooit”.

Je zou bijna denken dat bijgeloof in onze genen zit.  

Maar ik denk dat we het vooral leren.  En misschien… vinden we het stiekem ook gewoon leuk.  Het maakt het leven net een beetje magischer.  

En zeg nou zelf: wat is er mis met een beetje magie? Misschien is dat wel het mooiste bijgeloof van allemaal.


Blijf zacht




De witte schim van Kamperland

Het stond ineens overal in het nieuws: een dode baloega op het strand bij Kamperland. Voor het eerst sinds 1966 zou er weer zo’n spookachtig witte walvis voor de Nederlandse of Belgische kust zijn gezien. Opmerkelijk, want baloega’s horen thuis in arctische wateren waar het water kouder is dan hier.                                      

                                 

Volgens Stichting ReddingsTeam Zeedieren ging het om hetzelfde dier dat dagen eerder was gezien bij Callantsoog. En als zij zeggen dat het waarschijnlijk om die baloega gaat, dan knikt men meestal instemmend. Maar daar zijn ze echt niet op hun achterhoofd gevallen. Het dier werd naar de Universiteit Utrecht gebracht om te onderzoeken waaraan het gestorven was.

En toen bleek: het was helemaal geen baloega. Het was een Risso-dolfijn.

In eerste instantie dacht ik: dat is toch wel een verschilletje. Maar eigenlijk is de vergissing heel begrijpelijk. Het dier had dagenlang in zee gedreven. Dan verdwijnen de uiterlijke kenmerken waar je normaal op let: kleurpatronen, vinnen, littekens. Een Risso is normaal grijs, met een huid vol krassen alsof hij een leven lang met een doos scheermesjes heeft geworsteld. Een baloega is helder wit. Als de kleur van een Risso vervaagt, blijft er dus iets over dat verdacht veel op een baloega lijkt. De huid laat los, vinnen verdwijnen als eerste, gasvorming vervormt het lichaam. Wat je ziet, is niet meer wat het was.

De echte aanwijzingen zitten dan onder de huid. Botten liegen niet. De schedel vertelt bijna alles — en het gebit is de ultieme handtekening. Risso’s hebben geen boventanden en slechts een paar ondertanden. Baloega’s hebben keurig rijen tanden in boven- en onderkaak. Niet zo veel als een tuimelaar, die er gerust honderd in zijn mond kan hebben, maar toch aanzienlijk meer dan een Risso. In dit geval was het verschil meteen duidelijk.

De doodsoorzaak was niet meer vast te stellen; ook van binnen was het dier te ver aangetast.

En zoals altijd wanneer er iets aanspoelt, brak op social media een storm los. Men vond dat er te laat was ingegrepen, of juist te vroeg, of dat het allemaal anders had gemoeten. Iedere toetsenbordheld(in) had een mening, en meestal niet de meest vriendelijke. Experts werden in de reacties vakkundig met de grond gelijk gemaakt door mensen die nog nooit een dolfijn van dichtbij hadden gezien, laat staan een ontbindende.

Ik lees dat soort discussies vaak met stijgende verbazing. Social media zijn dé plek geworden waar mensen publiekelijk praten over wat er in de wereld gebeurt. Het heeft een belangrijke functie, maar het is ook een broedplaats voor desinformatie, harde oordelen en polarisatie. Het lijkt soms meer op een strijdtoneel dan op een gesprek.

En dan denk ik: dit was toch een bijzondere vondst. Een dier dat een lange reis maakte, een vergissing die begrijpelijk was, een les in kijken voorbij het oppervlak.  

Misschien kunnen we hier vooral van leren dat wat we denken te zien, niet altijd is wat er werkelijk ligt. En dat een beetje verwondering ons soms verder brengt dan een mening.

Waarvan akte.


Blijf zacht om je heen kijken.











De Drogist in de Witte Jas

Zoals zoveel hanzesteden heeft ook Doesburg een rijk verleden. Ik volg nu al een tijdje een facebook groep die in die geschiedenis van Doesburg duikt en de laatste paar dagen komen er berichten voorbij die extra raken. Dit is er zo één:

Hoe één man een stad verbond — en hoe zijn verlies Doesburg voorgoed veranderde.



Een vertrouwd gezicht in een onzekere tijd

Op een frisse ochtend in april 1944 opende Philippus Gastelaars zijn drogisterij aan de Koepoortstraat zoals hij dat al jaren deed. De oorlog drukte zwaar op Doesburg, maar in zijn winkel hing nog altijd dezelfde geur van kamfer, zeep en kruidenmengsels. Mensen kwamen er niet alleen voor pleisters en poeders; ze kwamen voor hém. Voor de man in de witte jas die luisterde, geruststelde en soms zelfs even meeliep naar een zieke buur.

Hij was een ankerpunt in een tijd waarin bijna niets meer vaststond.

Twee mannen aan de deur

Rond het middaguur klopten twee jonge mannen op de deur. Hun jassen nat van de regen, hun ogen scherp en onrustig. Ze vroegen niet om aspirine. Ze vroegen om hulp.

Philippus kende hen niet. Maar hij kende de blik. De oorlog had hem geleerd dat sommige mensen niet konden wachten, niet konden terugkeren, niet konden uitleggen. Hij liet hen binnen. Zonder vragen.

In de achterkamer, tussen de geur van kruiden en voorraadpotten, probeerden de mannen hun ademhaling te verbergen. Philippus ging terug naar de toonbank en vulde een potje met talkpoeder, zijn handen net iets te onrustig om het routine te noemen.

De stad sluit zich

Niet veel later vulde de straat zich met laarzen. De Sicherheitsdienst omsingelde de omgeving alsof ze precies wisten wat er binnen gebeurde. Een schot klonk achter het huis — een van de mannen had geprobeerd te vluchten. Philippus verstijfde. Hij wist wat dat geluid betekende.

De deur werd opengegooid. Uniformen stroomden de winkel binnen. Ze vonden de tweede man in een kast. En ze vonden Philippus, die niet vluchtte, niet vocht, niet loog.

Hij zei alleen:  

"Ze vroegen om hulp."

Diezelfde avond werd hij naar Avegoor gebracht, het SS‑opleidingscomplex bij Rheden. Zonder proces. Zonder afscheid. Zonder kans.

Hij werd die avond geëxecuteerd.

**********

De stad die stiller werd

De stad die stiller werd

In de dagen na zijn dood hing er een vreemde stilte over Doesburg. Niet de stilte van onwetendheid, maar die van een stad die te veel wist en niet durfde te spreken. De drogisterij bleef dicht; het bordje Gesloten hing scheef, alsof iemand het haastig had opgehangen. Mensen vertraagden hun pas als ze erlangs liepen.

Wat er achter die deur gebeurde, wist bijna niemand. Dat de SS het huis had verzegeld. Dat Gerarda niet eens meer naar binnen mocht en tijdelijk werd opgevangen bij haar zoon aan de Meipoortstraat. Dat het maanden zou duren voordat ze terug kon.

En dat haar dochter, toen ze eindelijk weer naar binnen mocht om schoon te maken, in een hoek van de slaapkamer een verdroogd bosje fresia’s vond — de bloemen die Philippus haar vijf dagen eerder had gegeven, op hun trouwdag. Een klein, stil gebaar dat de tijd had overleefd. Het bosje is altijd bewaard gebleven.

Achter die deur zat dus niet alleen een gezin dat een man, een vader, een echtgenoot had verloren. Er zat een vrouw die haar huis kwijt was, haar veiligheid, haar toekomst. En een stad die wist dat dit niet zomaar een dood was, maar een breuklijn.

Fluisteringen en schuld

Op de markt werd zijn naam niet hardop genoemd. Mensen fluisterden, keken om zich heen, en fluisterden dan nog zachter.  "Hij had ze alleen maar geholpen.",   "Hij was geen verzetsman."

In die fluisteringen zat ook schuld.  

Want iedereen wist dat Philippus precies deed wat zij zelf misschien ook zouden hebben gedaan — of hadden willen doen — als twee bange mannen op hun deur hadden geklopt.

De buurt die zorgde

De vrouwen uit de straat begonnen stilletjes eten te brengen. Een pan soep. Een schaal aardappelen. Een brood dat “toch over was”.  Niemand zei waarom.  Niemand hoefde het te zeggen.Het was hun manier om te zeggen:  We kunnen hem niet terugbrengen, maar we laten jullie niet alleen.

Een naam die bleef

Na de oorlog besloot Doesburg dat zijn naam niet mocht verdwijnen.  De Beitelstraat werd omgedoopt tot de Philippus Gastelaarsstraat.  Niet als eerbetoon aan een verzetsheld, maar aan een goede man.  Een man die deed wat juist was, zonder zichzelf als held te zien.

**********

Waarom dit verhaal mij raakt

Wat mij zo treft in het verhaal van Philippus Gastelaars is hoe klein zijn daad eigenlijk was — en hoe groot de gevolgen. Hij deed wat ieder mens zou willen geloven dat hij zou doen: iemand helpen die bang is. Geen heroïsche plannen, geen wapens, geen grootse woorden. Gewoon menselijkheid. En juist dat maakt zijn verhaal zo pijnlijk en zo mooi. Het laat zien hoe kwetsbaar goedheid is in tijden van geweld, maar ook hoe diep de sporen zijn die een zachtmoedig mens kan nalaten in een gemeenschap. Doesburg verloor een drogist, maar ook een stukje van zijn hart.

Misschien raakt het me juist omdat de wereld vandaag opnieuw vol situaties zit waarin gewone mensen voor buitengewone keuzes staan. Grenzen verschuiven, zekerheden brokkelen af, en overal duiken verhalen op van mensen die simpelweg proberen goed te doen in een tijd die dat steeds moeilijker maakt. Het verhaal van Philippus Gastelaars voelt daardoor niet als een bladzijde uit een ver verleden, maar als een stille waarschuwing én een herinnering: menselijkheid is nooit vanzelfsprekend, maar altijd noodzakelijk — juist nu.


Blijf zacht voor elkaar

 




Ochtendmagie

                      
Het begin van elke nieuwe dag vier ik als een klein momentje van magie. Gewoon even een momentje voor mijzelf alleen. Nadenken over het moois dat de dag misschien gaat brengen, wat mijn doelen zijn of wat voor leuks we op de planning hebben staan. De zon schijnt vanmorgen volop en ik geniet daar met volle teugen van. Vanaf de bank, want het lijf doet even niet mee vanmorgen. Misschien straks.

Ik heb wel al de vaatwasser in én weer uitgepakt. Mijn handen zijn vanmorgen erg stijf, want ondanks de heerlijke zon is het nog best fris. De weerapp zegt dat het negen graden is buiten, maar het voelt veel kouder. Dus heb ik alle afwas weer op het aanrecht gezet en ben ik met de hand gaan afwassen. Het warme water en de bewegingen zorgen ervoor dat mijn handen minder stijf en pijnlijk zijn.

Fred en Nico hebben hun rondje door de wijk gedaan, zijn netjes op de bak geweest en liggen nu met hun buikjes vol heerlijk te slapen. Hannah zit geïnteresseerd naar de hommels en de bijtjes in de tuin te kijken. Het is stil op straat. Heel stil. Je zou bijna denken dat wij de enige nog overgebleven inwoners van dit stadje zijn. Maar dat zal toch niet?

Dit is nou precies waarom ik het zo fijn vind hier te wonen. Ik hoef al die reuring van grote steden niet. Ik zou daar mega onrustig van worden. De rust en de stilte hier zijn precies waar ik goed op ga. Geen schreeuwerige buren, geen onafgebroken lawaai van verkeer, alleen maar het zoemen van de bijtjes en de hommels. Pure magie. De vogels doen het vanmorgen ook rustig aan. Een enkele mus vliegt af en toe door de tuin, maar verder is het stil.

Ik verwonder mijzelf soms over mijn eigen verwonderingen. Elke ochtend doe ik even mijn rondje door de tuin. Dan kijk ik hoe alles al aan het groeien is en ontdek ik steeds weer wat nieuws. Oh, daar is een takje bij aan het groeien. En daar, daar staat ineens een plantje in bloei. En ik zie alweer nieuwe blaadjes erbij. En wat gaat die plant goed. Ik merk dat ik wel een beetje ongeduldig begin te worden. Van mij mag alles al helemaal groen en in bloei staan. En dan het liefst tot eind oktober of zo. Maar goed, moedertje natuur heeft tijd nodig om haar perfectie uit te voeren. Dus moet ik gewoon afwachten wat zij doet. Ik ben heel braaf. 

Terwijl ik hier zo zit, loopt er een buurtbewoonster voorbij met haar hondje. Ze blijft even staan om te lezen wat er op de vlaggetjes staat geschreven die een buurman in de drollen op de stoep heeft geprikt. Er is hier, net als in de meeste gemeenten, een poepopruimplicht. De zakjes die je daarvoor kunt gebruiken, kan eenieder gratis ophalen bij de gemeente. Het hoeft dus geen belemmering te zijn die poep op te ruimen. Maar blijkbaar zijn er toch hondbezitters die het bukken al te veel van het goede vinden, laat staan dat ze ook nog eens het zakje moeten pakken, moeten bukken, oprapen, zakje dichtdoen én mee naar huis nemen om daar te dumpen.

En terwijl de dame in kwestie staat te lezen, verlicht haar hondje zich op het grasveldje naast een boom. Even kijkt ze om zich heen, alsof ze wil kijken of iemand haar ziet. Dan besluit ze toch maar een zakje uit haar jaszak te vissen en pakt keurig netjes de uitwerpselen van haar hondje op. Nog even kijkt ze achterom naar de vlaggetjes en loopt dan door. Ik kan het niet laten te denken dat ze het misschien had laten liggen als de vlaggetjes er niet hadden gestaan. Maar dat is een aanname… dat weet ik ook wel.

Ondertussen is de ochtend al bijna voorbij en ga ik eens kijken of er iets te doen valt in huis of in de tuin. Of zal ik eerst aan de koffie?

Ja, koffie. Goed idee.


Blijf zacht





Blikseminslag

Een paar jaar geleden hadden we steeds last van lekkage op ons dak. Meerdere keren stonden er stoere mannen boven ons hoofd te rommelen om de boel te herstellen. In eerste instantie dachten we dat vooral de kauwen de schuldigen waren — die kropen graag onder de dakpannen om mussennesten leeg te roven, en schoven daarbij van alles opzij. Maar uiteindelijk bleken een paar pannen in de loop der jaren gewoon doorgesleten.

Gisteravond lag ik in bed te luisteren naar het onweer en de regen. Op zulke momenten luister je automatisch óók of er niet ergens iets drupt op zolder. Maar gelukkig: alles bleef keurig droog.

Even later hoorde ik heel lang brandweersirenes. Er bleek een blikseminslag te zijn geweest in een prachtige rietgedekte woning net buiten de bebouwde kom. Zo zonde. Gelukkig is de hele woning niet verloren is gegaan. Maar vreselijk voor de bewoners. Hoe mooi ik rieten daken ook vind, ik zou er zelf geen nacht rustig onder slapen — vuur en ik zijn geen goede vrienden.

En toen dacht ik: hoe deden ze dat vroeger eigenlijk? Zichzelf én de stad beschermen tegen water, wind, vuur en andere vijanden?

***************

Soms loop ik door de binnenstad en denk ik: deze huizen weten meer dan wij. Ze hebben eeuwenlang wateroverlast, stormen, branden en belegeringen doorstaan. Rustig maar, ik heb dit al vaker meegemaakt, lijken ze te fluisteren.

Wij doen tegenwoordig ons best met tochtstrips, dubbel glas, dikke sloten en hoge schuttingen. Maar de Doesburgers van vroeger? Die waren pas vindingrijk.

Water als eeuwige huisgenoot

In een stad die tegen de IJssel aan leunt, was water nooit een abstract gevaar maar een dagelijkse gesprekspartner. Daarom kregen huizen hoge stoepen, forse drempels en kelders die mochten ademen. Oude kelders ventileerden niet voor de luxe, maar omdat anders de schimmel je tegemoet kwam.  

En dan die straatgoten: kleine open beekjes tussen de keien. Geen rommel, maar levensredders. Ze hielden voeten droog en funderingen heel. De stank moest je er alleen voor lief nemen.

Brand als schrikbeeld

In een tijd waarin iedereen met vuur speelde, was brand de grootste vijand. Dus kwamen er brandmuren, gemetselde schoorstenen en waterputten in binnentuinen. Alles om te voorkomen dat één vonk een hele straat opslokte. Je voelt het nog steeds als je langs die hoge zijmuren loopt: een stille waarschuwing uit een andere eeuw.

Indringers, stormrammen en smalle straten 

Doesburg was een vestingstad, en dat zie je. De straten zijn smal en kronkelig — niet omdat de middeleeuwse stedenbouwkundige een artistieke bui had, maar omdat vijanden er gek van werden. Ramen waren klein, luiken zwaar, deuren dik. Alles ademde: *kom maar, maar niet te dichtbij*.

Tocht, kou en de eeuwige wind langs de IJssel 

De Doesburgse wind is een personage op zichzelf. Daarom hadden huizen dubbele deuren, dikke pannen op steile daken en kieren gevuld met mos of vlas. Niet romantisch, maar noodzakelijk. Liet je dat na, dan bevroor je ’s nachts in je bed of waaide je van je dure chaise longue af.

Waarom je in de binnenstad geen rieten daken vond  

In de oude stadskern zag je vroeger geen riet. Dat had twee redenen.  

Ten eerste: brandgevaar. In zo’n dichtbebouwd gebied was riet vragen om ellende.  

Ten tweede: status. In de binnenstad woonden de gegoede burgers, en die woonden per definitie “onder de pannen”. Hoe meer dakpannen je je kon veroorloven, hoe hoger je stond op de sociale ladder. Vandaar ook de uitdrukking: die is onder de pannen.

Vandaag de dag

Nu stoppen we moderne technieken in oude muren: onzichtbare vochtkeringen, stalen verstevigingen, isolatie die niemand ziet. We beschermen de huizen — en tegelijk beschermen de huizen ons.  

We blijven repareren, verstevigen en verbeteren, omdat dat is wat mensen doen. En ergens tussen al die lagen zorg herinneren onze huizen ons eraan dat er altijd iets is dat overeind blijft, zelfs als het stormt. Misschien is dat wel de stille belofte van elk huis: dat het met ons meegroeit, en ons onderweg helpt herinneren dat veiligheid iets is wat we samen maken.

En terwijl ik dit schrijf, hoop ik vooral dat de bewoners van het afgebrande huis veilig zijn en snel weer een plek vinden die als thuis voelt. Want huis en haard verliezen… dat is een wond die je niet met een paar nieuwe dakpannen heelt.



Blijf zacht




Een Ochtend Vol Kleine Avonturen

Sommige ochtenden beginnen niet met stilte of koffie, 

maar met katten die besluiten hoe de dag zal verlopen.

Gisteren was het een dag waarop alles precies in elkaar klikte. Een productieve dag, eentje die je bijna in een doosje zou willen bewaren. Huis op orde, tuin op orde, manlief tevreden rommelend tussen het groen. Het soort dag waarop je denkt: kijk ons eens goed bezig zijn.

Maar vanochtend besloot het universum dat het tijd was voor… variatie.

Om half negen begon Fred aan zijn bekende operette: de Ik-ben-uitgehongerd-en-dit-is-een-noodgeval-aria. Ik lag nog heerlijk in mijn cocon, maar half negen is een keurige tijd, dus vooruit. Zonder morren mijn bed uit.  

In de kastenkamer werd ik meteen begroet door het kunstproject van Hannah: al mijn ondergoed en sokken zorgvuldig door de ruimte gedrapeerd. Een installatie die ze “Vrijheid in Textiel” zou kunnen noemen. Ik noem het iets minder poëtisch. Vandaag komen er sloten op die laatjes, besloot ik. Liefdevol, maar resoluut.

Beneden begon ik mijn ochtendritueel: deuren open, gordijnen open, ramen open — frisse lucht in de stube. Maar bij het tweede gordijn hield de rails het voor gezien. Ik stond daar ineens met alleen het gordijn in mijn handen, terwijl het plafond me schuldbewust aankeek. He jesses, dacht ik. Weer wat voor de lijst.  

Vroeger had ik me daar druk om gemaakt. Tegenwoordig denk ik: ach, jammer, straks ff fiksen. Het wordt mooi weer, dus laten we het vooral niet groter maken dan het is.

Terwijl ik daar stond, zag ik vanuit mijn ooghoek Nico in zijn zonplekje liggen. Hij keek me aan met die rustige, bedachtzame blik van hem — alsof hij wilde zeggen: “Doe maar rustig, het komt allemaal wel goed.” Hij eet wat minder de laatste dagen, dat blijft in mijn achterhoofd hangen, maar vanochtend voelde het niet zwaar. Meer alsof hij me eraan herinnerde dat niet alles tegelijk hoeft. Een zachte pauzeknop in kattenvorm.

Maar toen ik mijn eerste kop koffie neerzette, stootte ik die natuurlijk om. Vroeger was dat het moment waarop ik de dag zou afschrijven. Maar nu? Ik haalde mijn schouders op, schonk nieuwe koffie in en ging zitten.  

Misschien is dat wel het grootste verschil met vroeger: ik kan tegenwoordig midden in de chaos gewoon even ademhalen. Eerst maar eens een plan van aanpak maken. Mijn lijf vraagt om rust na gisteren, maar ja… het leven vraagt soms iets anders.  

Gelukkig is er ook iets positiefs: de nieuwe stofzuiger is er. Die mag straks laten zien wat hij allemaal kan. Een klein lichtpuntje, maar hé — soms is dat precies genoeg om een rare dag weer een beetje recht te trekken.

En als de nieuwe stofzuiger het vandaag beter doet dan de katten… dan noem ik dat pure winst.


Blijf zacht, ook als het allemaal even niet gaat.




Het patriciërshuis.


Tegenover de kruidentuin staat een huis. Niet zomaar een huis, maar een soort tijdcapsule met een eigen ademhaling.

Een patriciërshuis is eigenlijk de deftige overgrootvader onder de stadswoningen. Het woord patriciër verwijst naar de rijke, invloedrijke burgerij — de kooplieden, bestuurders en notabelen die in de 18e en 19e eeuw de stad een beetje “runden”. Geen adel, maar wel degelijk mensen die wisten hoe je een huis moest laten spreken.

Een huis dat al twee eeuwen meegaat.  

Nummer 7 is gebouwd in 1815. 

1815. Napoleon was net verslagen. Nederland was nog maar net een koninkrijk. En Doesburg… ja, Doesburg stond er natuurlijk al eeuwen, maar dit huis was toen nog maar net uit de steigers.

Ik stel me voor hoe de eerste bewoners de deur openden. Misschien met koude handen. Misschien met een vleugje trots. Misschien met het stille besef dat dit huis hun toekomst zou dragen.  

En nu, ruim tweehonderd jaar later, staat het er nog steeds.  Alsof het wil zeggen: “Kijk mij eens mooi zijn. Ik ben er nog.”

Oude huizen bewaren wat wij vergeten.  

Neem nou het feit dat het koetshuis en de stal van dit patriciërshuis niet eens op hetzelfde perceel stonden. Nee hoor — die stonden gewoon bij de buren op nummer 5. Pas veel later werd dat een apart huis, compleet met een toilet dat een recht van overpad nodig heeft.

Na de oorlog werd alles opnieuw ingedeeld. Muren verplaatst, deuren verschoven, rechten vastgelegd. Alsof de Nieuwstraat een grote reorganisatie had en iedereen een nieuwe functie kreeg.  

Maar diep in de stenen zit nog steeds dat oude verhaal van hoefgetrappel en koetswielen.

Een achtertuin die fluistert.  

Achter het huis ligt een stukje geschiedenis dat je bijna zou missen als je niet weet waar je moet kijken: de ruïne van de noordelijke muur van het Kleine Convent. Een kloostermuur die al eeuwen zwijgt, maar waarvan je voelt dat hij alles heeft gezien.

Ik stel me voor hoe de nonnen daar liepen. Hoe ze fluisterden, baden, lachten misschien ook — want zelfs in kloosters werd vast wel eens gegniffeld. En hoe die muur dat allemaal heeft opgeslagen, steen voor steen. Een zachte echo van een leven dat allang voorbij is, maar nooit helemaal verdwenen.

Een straat met een verleden dat onder je voeten ligt  

De Nieuwstraat heette vroeger het Ruiterskwartier.  

Dat klinkt meteen alsof er op elke hoek een soldaat stond te wachten tot er iets gebeurde. En misschien was dat ook wel zo. Kazernes, paarden, uniformen — het was hier allemaal.

En nu fiets ik er gewoon, op een doordeweekse dag, met mijn jas half open omdat ik altijd denk dat het warmer is dan het is.  

Maar ik voel het: dat laagje geschiedenis dat onder de straatstenen ligt. Alsof de grond zelf nog weet hoe het was.

Ik kijk naar de ramen.  

Naar de symmetrie van de gevel.  

Naar de deur die vast al duizenden keren is geopend en gesloten.  

En ik denk: “Wat mooi dat jij er nog bent.”

Het is geen huis dat je omver blaast. Alhoewel......daar zullen de meningen over verdeeld zijn. Het is een huis dat je zachtjes aanraakt. Dat je uitnodigt om even te vertragen. Dat je het gevoel geeft dat je onderdeel bent van iets dat groter is dan je eigen dag.

En misschien is dat wel precies waarom ik er zo van hou.


Blijf zacht





De kruidentuin van Doesburg

 

Er zijn van die plekken in Doesburg die je niet roepen, maar zachtjes wenken.  De kruidentuin aan de Paardenmarkt is er zo één.  

Ik fiets er langs, vaak te gehaast, soms te veel in gedachten, maar altijd met dat kleine moment waarop mijn blik toch even naar rechts glijdt.  

Alsof de tuin fluistert: “Ik ben er nog hoor. Kom je nog eens zitten?”

Het is een tuin die niet probeert te imponeren.  Geen strak aangeharkte perken, geen bordjes met verboden toegang, geen theatrale fonteinen.  Gewoon een tuin die ademt.  Een tuin die leeft zoals Doesburg leeft: rustig, vriendelijk, met een vleugje eigenwijsheid.

Een plek die altijd groen wilde blijven  

Wat ik zo bijzonder vind: deze plek is al eeuwenlang groen.  Zelfs op de oude kaarten die ik vond op internet zie je dat dit stukje Doesburg nooit volgebouwd is geweest.  Het ligt op het hoogste punt van de stad, op de rivierduin waar Doesburg ooit ontstond.  

En dat voel je.  

Alsof de grond zelf zegt: “Hier moet ruimte blijven.”

Van graan naar geur 

Ooit hoorde deze plek bij Het Voorsten Spyker, een graanopslagplaats die in 1970 werd gesloopt. Daarna bleef er een kaal grasveld over.  Zo’n plek waar je makkelijk aan voorbij loopt, omdat je denkt dat het niets is.

Tot 1993.  

Toen een paar Doesburgers dachten: “Niets? Dat zullen we nog wel eens zien.” Ze staken hun handen in de grond, richtten een stichting op en begonnen te planten. Niet een beetje, maar met hart en ziel.  Meer dan duizend buxusstruikjes, kruiden, vergeten groenten, geneeskruiden, verfkruiden — planten die verhalen dragen.

En langzaam veranderde dat kale veld in een tuin die je niet alleen ziet, maar ook voelt.

Een tuin die met liefde wordt gedragen 

Wat deze plek ook bijzonder maakt, is dat hij volledig draait op vrijwilligers. Mensen die met regenlaarzen en thermoskannen de tuin in stappen, niet omdat het moet, maar omdat ze willen dat deze plek blijft bestaan. De tuin is geen project, maar een liefdesverklaring.

Een levend archief 

Er groeien zo’n tweehonderd soorten planten. Sommige herken je meteen — munt, salie, rozemarijn.  Andere zijn bijna vergeten, alsof ze uit een oud kruidenboek zijn gestapt. En overal staan kleine bordjes. Niet belerend, maar uitnodigend. 

Een oase tegenover een patriciërshuis

Recht tegenover deze tuin staat Nieuwstraat 7. Een statig patriciërshuis dat al twee eeuwen meeluistert.  En daar, aan de overkant, ligt deze tuin — open, zacht, groen.  Het is alsof ze elkaar al jaren aankijken en denken: “Jij bewaart de stenen, ik bewaar de stilte.”

Ik fiets er regelmatig langs, zoals zoveel Doesburgers. Soms stop ik even. Soms niet. Maar altijd voel ik dat kleine prikje van verwondering.  Dat zachte besef dat sommige plekken niet schreeuwen om aandacht, maar gewoon blijven bestaan.  

Voor wie wil kijken.  

Voor wie wil ademen.  

Voor wie even wil zijn.

De volgende keer stap ik misschien af.  Ga ik zitten op die zodenbank die met de hand is gemaakt. En laat ik de tijd even los.

Want sommige plekken bestaan om je even te laten landen.


Blijf zacht verwonderen.


Wanneer Pasen fluistert en Pinksteren antwoordt


 In de meeste kerken is Pasen het hoogtepunt van het jaar. De dag waarop alles samenkomt: dood die geen laatste woord blijkt te hebben, hoop die overeind krabbelt, licht dat koppig terugkeert. Het is het feest van de opstanding — het fundament, de ruggengraat, de grote ja‑zegging van God.

Maar in de Pinkstergemeenschap verschuift het zwaartepunt een beetje. Niet weg van Pasen, maar erdoorheen, alsof Pasen de inademing is en Pinksteren de uitademing.  

Want waar Pasen zegt: “Hij leeft”, zegt Pinksteren: “En nu jullie.”

Pinksteren is daar niet het rustige slotakkoord van het kerkelijk jaar, maar het moment waarop de motor aanslaat. Het feest van de Heilige Geest, van beweging, van vuur dat niet netjes in een kaarsje blijft zitten. Het is de dag waarop de kerk volgens Handelingen 2 niet alleen begon, maar volgens Pinkstergelovigen nog steeds begint — elke keer opnieuw.

In traditionele kerken wordt Pinksteren vaak gezien als een belangrijk, maar toch wat bescheidener feest. Een soort epiloog na het grote drama van Pasen.  

In de Pinkstergemeenschap is het juist het moment waarop alles op scherp komt te staan.

En eerlijk gezegd — ook als "niet‑gelovige" zie ik dat gebeuren, elke keer weer. Ik geloof zelf niet als dusdanig mijn geloof ligt ergens anders, daardoor herken ik het moment waarop een ruimte verandert. Je hoeft geen theologie te hebben gestudeerd om te zien wanneer mensen geraakt worden. Soms denk ik: misschien is dat wel het echte wonder — niet dat er iets bovennatuurlijks gebeurt, maar dat mensen durven hopen dat het kán.

Je ziet het in de diensten: waar Pasen vaak plechtig en gedragen is, voelt Pinksteren daar als een open raam. Mensen zingen alsof de woorden hen optillen. Handen gaan omhoog, niet uit gewoonte, maar omdat er iets in de lucht hangt dat je niet wilt missen. En ergens in die ruimte hangt dat stille, verwachtingsvolle vertrouwen: “Misschien gebeurt het vandaag weer.”

De doop in de Heilige Geest — dat is voor Pinkstergelovigen het moment waarop geloof van theorie naar praktijk springt. Waarin het niet alleen gaat om wat er met Jezus gebeurde, maar om wat er met hen kan gebeuren. Niet als verplichting, maar als mogelijkheid.

En misschien is dat wel het mooiste verschil tussen Pasen en Pinksteren, tussen de brede kerk en de Pinkstergemeenschap:  

Pasen vertelt dat het leven sterker is dan de dood.  

Pinksteren vertelt dat dat leven ook door jou heen mag waaien.

Het ene feest fluistert.  

Het andere antwoordt.  

En samen vormen ze een verhaal dat nog steeds beweegt — soms zacht, soms als een windvlaag die je kapsel ruïneert, maar altijd met een richting.


Blijf zacht

Waar stenen verhalen bewaren.

Ik maakte in 2022 deze tekening.

Soms vind ik het heerlijk om zomaar wat door de stad te dwalen. Geen doel, geen haast, alleen maar mijn voeten die het werk doen. Tenslotte liggen hier niet mijn roots, maar inmiddels woon ik al bijna veertien jaar in dit heerlijke stadje, en hoe langer ik hier ben, hoe meer ik me laat verleiden door de geschiedenis die overal onder de stenen ligt. Er valt zoveel te leren, zoveel te ontdekken — en soms ook gewoon te voelen.

Je hebt van die dagen dat je door een straat loopt en denkt: hé… wat is hier allemaal gebeurd in de loop der eeuwen?  

Alsof de tijd even naast je komt wandelen.

Op internet kom ik dan foto’s tegen van lang vervlogen tijden ( Zie bv. Doesburgs erfgoed) En dan word ik altijd een beetje melancholisch. Niet verdrietig, maar zo’n zachte weemoed die zegt: kijk eens hoe mooi het was, en hoe mooi het nog steeds is, maar anders.  

Soms verlang ik dan terug naar een tijd waarin ik zelf nog niet eens bestond. Niet om erin te wonen, maar om er even doorheen te lopen, te ruiken hoe de lucht rook, te horen hoe de stemmen klonken. Maar ja, omdat dat dus niet gaat, duik ik maar in de geschiedenis van een straat waar ik toevallig doorheen gedrenteld ben.

De Kosterstraat is er zo één.

Ik loop er niet dagelijks, ik haal er geen brood, ik heb er geen katten die op de vensterbank liggen te poseren. En toch — elke keer dat ik erlangs kom, voel ik iets ritselen. Alsof de straat fluistert: “Hé jij, jij met je nieuwsgierige blik, ik heb nog wat verhalen voor je.”  

En ik ben natuurlijk het type dat dan blijft staan.

Het is een straat die al eeuwen meegaat, maar zich nooit opdringt. Geen schreeuwerige gevels, geen theatrale geschiedenisborden. Nee, de Kosterstraat is meer het type dat rustig in een hoekje zit en denkt: “Als je het wilt weten, vraag je het maar.” 

En dat doe ik dan. Want zo ben ik.

Neem die Carmelieten. Die liepen hier ooit rond, sandalen, stilte, discipline. Ze hadden een moestuin die doorliep tot de Kloosterstraat. Ik stel me voor hoe ze daar stonden te wroeten, terwijl Doesburg nog rook naar houtvuur en natte wol. En ik, eeuwen later, sta ernaar te kijken alsof ik een oude kennis tegenkom die ik nooit echt heb gekend — maar die me toch iets vertrouwds geeft.

En dan dat laatgotische huis op nummer 36. Een trapgevel die al vijfhonderd jaar naar de Martinikerk kijkt. Een hoedenmaker woonde er, later een smid. Ik vind dat troostrijk: dat een straat zoveel verschillende levens kan dragen zonder er zelf moe van te worden. Alsof ze zegt: “Kom maar, ik heb plek voor jullie allemaal.”

Zelfs het leger streek hier ooit neer, met een militair hospitaal op de hoek. Ik stel me voor hoe soldaten hier rondliepen, misschien net zo zoekend als ik soms, maar dan met meer uniform en minder kattenhaar op de kleding. Het idee dat zelfs zij hier hun sporen hebben achtergelaten, maakt de straat alleen maar gelaagder.

Het mooie is: ik hoef er niet te wonen om me verbonden te voelen. Sommige straten nodigen je uit zonder dat je de sleutel hebt. Ze zeggen: “Kijk maar. Luister maar. Je mag best even meedoen.”  

En dat is precies wat ik doe.

En zo loop ik verder, terug naar mijn eigen straat, waar mijn eigen verhalen liggen te wachten. Maar de Kosterstraat blijft zachtjes ritselen achter me.  

Alsof ze zegt: “Kom nog eens terug. Ik ben nog lang niet uitgepraat.”


Blijf zacht doorwandelen



Tussen weten en verwonderen

Mijn motto: Laat spiritualiteit je helpen voelen, en wetenschap je helpen begrijpen.  

Je hoeft niet alles te verklaren om het waardevol te vinden.  En je hoeft niet alles te voelen om het te respecteren.  Je hoeft niet te kiezen.  Je kunt gewoon zeggen: “Ik snap ongeveer hoe het werkt, en ik bepaal zelf wat het voor mij betekent.”

Volgens de wetenschap is het echt waar: alles wat massa heeft, bevat energie. Einstein zei het al. En als iemand met zo’n kapsel iets zegt, neem ik dat serieus. Ik bedoel: ik ben geen wetenschapper — ik heb niet eens een labjas — maar ik geloof hem op zijn woord.  

Alleen… dit zegt niets over bewustzijn, intentie, trillingen of spirituele eigenschappen. Dat is een heel ander feestje.

En hier komt het mooie: “alles heeft energie” heeft niet één oorsprong, maar twee totaal verschillende wortels — een wetenschappelijke en een spirituele. Ze worden in de populaire cultuur vaak door elkaar gehaald, alsof iemand twee woordenboeken heeft samengevoegd en roept: “Kijk! Eén taal! 

Maar ze komen uit totaal andere tradities.

Het spirituele idee dat “alles energie is” komt uit oude levensenergie‑concepten: Prana (India), Qi/Chi (China), Mana (Polynesië), Pneuma (Griekenland). Mooie woorden die klinken alsof je er soep van kunt trekken, maar ze beschrijven een levenskracht die door alles heen stroomt.  

In de 20e eeuw werden deze ideeën opnieuw gemixt in de New Age‑blender, samen met moderne natuurkundige termen zoals “vibraties” en “energievelden”. Resultaat: een smoothie van oud en nieuw.

Het woord “energie” is daardoor dubbelzinnig geworden.  

In de wetenschap is energie iets meetbaars (in Joules).  

In de spiritualiteit is energie een metafoor voor levenskracht, verbondenheid of vibratie.  

En in de New Age hebben ze die twee betekenissen samengevoegd, waardoor het lijkt alsof de wetenschap bevestigt wat spirituele tradities al wisten — maar dat is een interpretatie, geen feit.

De wetenschap zegt:  

“Alles heeft energie omdat massa energie is.”

Spiritualiteit zegt:  

“Alles heeft energie als in: een levensstroom, vibratie of verbondenheid.”

Ze hoeven elkaar helemaal niet te bijten, denk ik. Ik beweeg me graag tussen ratio en intuïtie. Als een dans. Zonder dat iemand op mijn tenen staat.

Sommige mensen zien spiritualiteit als psychologie in poëtische taal. Veel spirituele ideeën zijn volgens hen eigenlijk psychologische processen in een mooi jasje. Bijvoorbeeld:  

- “Energie voelen” = gevoelig zijn voor sfeer, lichaamssignalen, spanning  

- “Bescherming nodig hebben” = grenzen bewaken  

- “Intuïtie” = snelle, onbewuste informatieverwerking  

- “Manifesteren” = aandacht richten + gedrag aanpassen  

Als je het zo bekijkt, hoef je niets te ontkennen. Je vertaalt het gewoon naar een taal die bij jou past.

Zoals een trouwring liefde symboliseert, een foto troost biedt of een dagboek helderheid geeft, zo gebruik je in de spiritualiteit een steen, een kaars, een ritueel.  

Het werkt niet omdat het magisch is, maar omdat het betekenis geeft, rust brengt en je aandacht focust. Dat is geen zelfbedrog, dat is bewuste symboliek. Zonder zweverig te worden. Je hoeft niet alles te begrijpen om het te voelen. Je mag ook gewoon handelen naar je eigen wijsheid.

Ik gebruik spiritualiteit als een manier om met mijzelf te praten. Niet als een waarheid over de wereld, maar als een taal voor mijn innerlijke leven.

Een ritueel waar ik mij steevast aan houd, is het “opladen” van mijn edelstenen in het licht van de volle maan.  

Wetenschappelijk gezien is de maan een rotsblok dat om de aarde draait.  Spiritueel gezien is het een bron van ritme, emotie en cyclus.  En menselijk gezien is het gewoon fijn om even omhoog te kijken en te denken: “Ha, daar is ze weer.”

Misschien is energie helemaal niet iets wat je kunt meten of opladen, maar iets wat ontstaat wanneer je bereid bent om zowel te weten als te verwonderen.

En jij? Waar verwonder jij je over?


Blijf je zacht verwonderen. Want er bestaan geen wonderen voor wie zich niet verwonderen kan.


Doesburg, Van vesting naar vogelparadijs

Het was een inspecteur‑generaal met een imposante titel — Menno van Coehoorn, meester‑generaal der artillerie — die besloot dat Doesburg wel wat extra spierballen kon gebruiken. Tussen 1702 en 1730 liet hij een verdedigingslinie aanleggen die ons stadje ineens promoveerde tot vestingstad. Tegenwoordig kennen we die als de Hoge en de Lage Linie, al hoor je hier in de volksmond vooral: “de Batterijen”. Ze zijn nog verrassend intact, alsof ze elk moment weer in actie kunnen komen.

Aan de zuidkant ligt de Lage Linie, met moerassen, een dode arm van de Oude IJssel en een wandelpad dat je langs water, riet en moeras voert. Aan de oostkant ligt de Hoge Linie: hoger, zwaarder, strategischer — want dáár zou de vijand vast vandaan komen. Met wallen, droge grachten, schietbanen, kogelvangers en een Terreplein is het een compleet verdedigingspakket. En omdat het afgesloten is voor publiek, is het nu een paradijs voor alles wat vleugels, poten of sprieten heeft.

En dat brengt me bij de huidige bewoners.  

De Hoge Linie is zo’n plek waar je als mens niet mag komen, maar waar elke vogel uit de regio blijkbaar een VIP‑pas heeft. Je zou bijna denken dat ze het expres doen. “Sorry Margot, alleen voor gevleugelde gasten. Mensen blijven achter het hek.” Het is dat ik beleefd ben opgevoed, anders had ik gevraagd waar ik mijn veren moest inleveren om binnen te mogen.

Vanaf het pad kun je het allemaal horen — en soms ook zien. De grasmus bijvoorbeeld, de kleine tenor die elke ochtend klinkt alsof hij auditie doet voor The Voice of Doesburg. De tjiftjaf is er ook, maar die heeft een repertoire van precies één nummer. Hij blijft het herhalen met de overtuiging van iemand die denkt dat hij een klassieker heeft geschreven. "Tjif‑tjaf, tjif‑tjaf, tjif‑tjaf."

Soms zit er een roodborsttapuit op een paaltje te doen alsof hij de beveiliging is. Hij kijkt streng, maar dat is puur uiterlijk vertoon. Als je dichterbij komt, blijkt hij vooral bezig met het tellen van insecten. 

En dan heb je de specht. Die tikt niet — die ramt. Alsof hij een verbouwing is begonnen zonder vergunning. Je hoort hem van ver: toktoktoktoktok. Ik stel me altijd voor dat hij tegen zijn partner zegt: “Nog één muurtje en dan is de keuken echt af, schat.” De groene specht, die altijd net iets te vrolijk klinkt, lacht hem steevast uit vanaf een boom verderop.

’s Nachts verandert alles. Dan fluistert de bosuil door de wallen, alsof hij de geschiedenis zelf toespreekt. Soms vliegt ze geruisloos over onze tuin. Een feestje, elke keer weer.

Misschien is dat wel de magie van dit gebied: natuur en geschiedenis die elkaar niet verdringen, maar elkaar zachtjes vasthouden. Waar vogels zingen op grond die ooit bedoeld was voor strijd. En waar je, zelfs als je er niet mag komen, toch kunt voelen dat het leeft.

En dan heb ik het alleen nog maar over de vogels. Over de insecten, kleine zoogdieren en planten begin ik niet eens — daar heb ik een heel nieuw hoofdstuk voor nodig.

Welke vogel of plek in de natuur maakt jou altijd even stil — of juist aan het lachen?

*************

Tot slot:

Een geschatte soortenlijst voor de Hoge Linie  

(op basis van habitat, eerdere Doesburgse inventarisaties en typische soorten van vestingwallen, struweel, ruigte en open grasland)

*Struweel, bosrand & jonge opslag

- Grasmus  - Zwartkop  - Tjiftjaf  - Fitis  - Heggenmus  - Winterkoning  - Merel  - Zanglijster  - Vink  

- Koolmees  - Pimpelmees  - Staartmees  - Grote bonte specht  - Boomkruiper  

*Open terrein, ruigte & oude schietbanen

- Roodborsttapuit  - Kneu  - Putters  - Groenling  - Geelgors (afhankelijk van jaar)  - Witte kwikstaart  

- Houtduif  - Holenduif  - Tortelduif

*Steilranden, wallen & oude structuren

- Spechten (vooral Grote bonte)  - Buizerd (jaagt boven het terrein)  - Torenvalk  - Steenuil (in de omgeving, soms territoriaal dichtbij)  

*Nachtelijke soorten (één nacht per jaar geteld)

- Bosuil  - Ransuil - Kerkuil

*Watergebonden soorten aan de randen

- Oeverzwaluw - Wilde eend  - Meerkoet  - Waterhoen  - Blauwborstje

*Trekkers & doortrekkers die je regelmatig kunt treffen

- Koperwiek  - Kramsvogel  - Gierzwaluw (elk jaar een feestje als ze er weer zijn)  - Boerenzwaluw  

- Huiszwaluw  

*Zeldzamer maar niet onmogelijk

- Braamsluiper  - Spotvogel (We hebben er een gehoord) - Kleine karekiet (gezien en gehoord)  

- Havik (We zagen hem jagen langs de bosrand)

En dan ben ik vast wat vergeten.


Blijf zacht om je heen kijken.