Ik ben een echte wiki‑rabbit 🐇

 Hoe ik van pinguïns naar de planeet Mars hop.



Volgens het internet ben ik dus een wiki‑rabbit. Ik wist niet eens dat het een officiële soort was, maar blijkbaar hoor ik thuis in het digitale dierenrijk. En eerlijk? Ik voel me vereerd.


Mijn natuurlijke habitat: Wikipedia.

Mijn favoriete bezigheid: ergens beginnen en nergens eindigen.


Het gaat ongeveer zo:

Ik typ “pinguïns” in. Gewoon, omdat ik wil weten of ze nou écht zo trouw zijn als iedereen beweert. Maar Wikipedia is geen encyclopedie — het is een portaal naar een parallel universum. Voor je het weet klik ik op Humboldstroom, dan op saliniteit, dan op estuarium, dan op Theems, dan op getij, dan op George Howard Darwin (blijkbaar een mens, geen pinguïn), dan op Mars, en uiteindelijk beland ik weer bij Antarctica.

En dan denk ik: “Oh ja, pinguïns. Daar was ik ooit aan begonnen.”

Ik kan daar dus rustig een uurtje zoet mee zijn. Heerlijk lezen, leren, en om de paar minuten zo’n “Huh, dat wist ik niet!”‑momentje. Blijkbaar heet dat down the rabbit hole gaan.

Ik noem het liever: Margot in Wonderland.

En eerlijk? Ik duik er graag in, maar gelukkig klim ik er ook altijd weer vrolijk uit — klaar voor het volgende avontuur.

Blijf zacht 





De seizoenen en ik: een knipperlichtrelatie


Ik heb een ingewikkelde relatie met de seizoenen. Ik heb ze nodig, maar ik ben er ook altijd verrassend snel klaar mee. Alsof ik vier keer per jaar een blind date heb met iemand die in theorie geweldig is, maar na drie weken toch irritant begint te kauwen.


Voorjaar — mijn grote liefde (voor even)

De lente is mijn favoriet. Punt.

De deuren mogen weer open, de ramen ook, en ik doe alsof frisse lucht een levensstijlkeuze is. De zon laat zich weer zien, planten worden groen, lammetjes stuiteren rond alsof hun moeder caffeïne produceert i.p.v. melk, en de koeien mogen eindelijk weer naar buiten. Ik geniet. Intens.

Maar dan, na een paar weken:

“Oké lente, leuk geweest. Waar blijft de echte warmte? De zon die niet om de dag vrij neemt? Het groen dat niet halfslachtig doet?”

Ik ben blijkbaar een seizoensversneller: altijd klaar voor de volgende aflevering.

Zomer — het seizoen waarin ik buiten woon

En dan… zomer.

Heeeeerlijk.

Ik verhuis mijn hele bestaan naar buiten. Schrijven in het zonnetje, fietsen, uitstapjes, terrasjes — ik leef alsof ik een mediterrane levensstijl heb, maar dan met Nederlandse prijzen voor een cappuccino.

Tot het moment dat de natuur moe wordt.

De zon hangt er dan bij alsof hij een burn-out heeft, de warmte voelt plakkerig in plaats van zomers, en ik denk:

“Doe maar even een buitje. Of twee. Of een week.”

En dan weet ik: het is tijd.

Herfst — adembenemend mooi, maar wel graag kort

De herfst komt binnen met een kleurenpalet waar elke schilder jaloers op zou zijn. Ik vind het prachtig. Adembenemend zelfs.

Maar na een paar weken denk ik:

“Nou, kom maar weer door met die lente.”

Ja, ik sla de winter gewoon over. Zonder schaamte.

Winter — noodzakelijk kwaad met een dun laagje romantiek

Ik zal niet liegen: een vers laagje sneeuw maakt de wereld even magisch.

Maar daarna… nee.

Wintersport? Niet voor mij.

Vakantie? Doe ik toch al niet aan.

De winter is belangrijk voor de natuur — en misschien ook voor mij, al twijfel ik daar soms aan. Een periode van rust, naar binnen keren, niets hoeven. Dat klinkt prachtig, maar waarom moet het drie maanden duren? Wie heeft dat bedacht?

Mijn voorstel aan Moeder Natuur

Kunnen we niet gewoon… elke maand van seizoen wisselen?

Twaalf mini-seizoentjes per jaar.

Veel beter te behappen.

Veel minder kans op seizoensmoeheid.

En ik hoop dat jij — ja, jij die dit leest — daar stiekem ook wel blij van wordt.


Blijf zacht, ook als het regent