Uren werk, nul resultaat… maar hé, de koffie was lekker



Vandaag heb ik mezelf weer eens getrakteerd op een fantastische tijdsbesteding: 

Namelijk urenlang mijn blog verbouwen. Klikken, slepen, twijfelen, opnieuw beginnen, zuchten, zelfs vloeken, nog eens slepen… om er uiteindelijk achter te komen dat hij eigenlijk al best prima was. Voor nu dan. Ooit maak ik er een meesterwerk van. Echt waar.................... Ooit.

Maar eerst wil ik ontdekken of er überhaupt mensen zijn die mijn blogs lezen. (Mocht je dit zien: gefeliciteerd, je bent nu officieel mijn publiek.)

Mijn kleine irritaties heb ik voorlopig even in de kast gezet. Dat was nodig, want mijn relatie met het internet en mijn laptop is .... laten we zeggen .... op zijn minst ingewikkeld. Een soort haat-liefdeverhouding waarbij ik de helft niet begrijp en de andere helft me bang maakt. Eén verkeerde klik en ik ben ervan overtuigd dat mijn laptop verandert in een soort digitale Bermuda-driehoek.

Maar goed: de blog leeft nog. En ik ook. Dus ik noem het een succesdag.

Blijf zacht




Eierdoppie in de tuin

Soms ligt er iets in je tuin dat je dag even stilzet. Een veertje, een slak, een verdwaalde sok van de buurman… maar dit keer was het een eierdoppie. Een piepklein, fragiel wiegje op een tuinstoel, nog nat van binnen. Er was dus nét een musje uit gekropen. En terwijl ik daar stond met dat breekbare schilletje in mijn hand, rolde de hele geschiedenis van onze buurtmussen zich weer uit in mijn hoofd — van virussen en versteende tuinen tot brutale kauwen en onhandige katten. 



De gloriedagen van de mussen

Toen wij hier dertien jaar geleden kwamen wonen, was de tuin een soort mussenwalhalla. Zeker vijftig stuks vlogen vrolijk kwetterend door de buurt. Niet zo gek: elke tuin had nog struiken, rommelhoekjes, insecten en andere dingen waar een mus blij van wordt.

Tot het Usutuvirus opdook. Iedereen kent het vooral vanwege de merels, maar de mussen kregen het net zo goed te verduren. In 2016/17 waren er grote uitbraken in Nederland en België, en sindsdien komt het virus bijna elk jaar terug. Het lijkt wel het decennium van de virussen — voor mens én dier. Van de vijftig mussen bleef na de eerste uitbraak minder dan de helft over.

Hoe je biodiversiteit wegtegelt

Alsof dat nog niet genoeg was, besloten meerdere buren hun tuinen te moderniseren. En wat dat betekent, weten we allemaal: 80% tegels, 20% plant, en het liefst eenjarigen, want die trekken minder enge beestjes aan. Voor de mussen bleef er weinig plek over. Gelukkig waren er ook buren die wél begrepen dat een tuin zonder planten eigenlijk gewoon een verharde binnenplaats is.

Charmante schurken met een missie

In onze buurt wonen twee kolonies: kauwen en roeken. Vooral de kauwen zijn brutale donderstenen. Na elk broedseizoen mogen we de woningbouwvereniging bellen om onze dakpannen weer recht te laten leggen. Ze doen namelijk alles — echt alles — om bij de nesten van de mussen te komen.

En als ze zelf jongen hebben, is het helemaal feest. Dan verandert de dakgoot in een soort lopende band van gevederde rovers op zoek naar snacks. Ik vrees dan ook dat het musje van het eierdoppie het niet heeft gered. Broertjes en zusjes waarschijnlijk evenmin.

Toch kun je ze niet zomaar weg wensen. Kauwen zijn slim, monogaam, sociaal en hebben zich perfect aangepast aan de mens. Bovendien zijn ze beschermd. Ze overnachten samen voor veiligheid en wisselen informatie uit door elkaar te observeren. Ziet een kauw dat een ander een goedgevulde maag heeft? Dan volgt hij hem de volgende dag om te zien waar dat buffet te vinden was.

De kattenbrigade

En dan lopen er hier in de buurt ook nog de nodige katten rond, waarvan er twee van ons zijn. Fred is gelukkig niet meer zo geïnteresseerd in jagen. Nico daarentegen vindt het prachtig, maar is er hopeloos onhandig in. Die jat liever worsten uit pannen bij de buren. Maar dat is weer een ander verhaal.

Het eierdoppie dat niet bleef bestaan

Dat eierdoppie op de tuinstoel… ik wilde het bewaren, maar het was zo fragiel dat het meteen uit elkaar viel. Jammer. Nu hoop ik dat er mij ooit zo’n schilletje wél gegund wordt; er zijn namelijk nog een paar lege vakjes in mijn natuurletterbak. En ergens gun ik dat musje dat haar kroost mag opgroeien en uitvliegen, zodat er weer wat vrolijk gefladder door de buurt gaat — dat kunnen we hier wel gebruiken.

Eigenlijk is dat precies waar het om draait: een buurt waar nog ruimte is voor leven dat niet door mensenhanden is gepland of ontworpen. Een buurt waar een musje gewoon mus mag zijn.

Een kleine oproep uit de tuin

We hoeven geen boswachter te worden om de natuur een handje te helpen. Een paar struiken, wat rommelhoekjes, een waterbakje of een paar inheemse planten kunnen al genoeg zijn om mussen, merels, bijen en andere buurtbewoners weer wat ruimte te geven. De natuur hoeft niet perfect te zijn — liever niet zelfs. Hoe minder strak, hoe meer leven.

En wie weet ligt er dan op een dag ook bij de buren zo’n minuscuul eierdoppie op een tuinstoel. Een klein teken dat de natuur, ondanks alles, altijd weer probeert opnieuw te beginnen.

Blijf zacht voor de natuur.