De poortwachters van Doesburg

In Doesburg staan twee van die bomen waar je niet omheen kunt. Twee majestueuze treurbeuken, geplant ergens tussen 1860 en 1870, inmiddels officieel opgenomen in het Landelijk Register van Monumentale Bomen. Ze zijn zo’n beetje de fotomodellen van Doesburg: elke voorbijfietsende toerist klapt de standaard uit, richt de telefoon en klik.  Ik snap dat. Ze zijn prachtig. Ze verdienen een voetstuk, een lintje, een eigen fanclub.

Wanneer je Doesburg binnenrijdt, zie je ze meteen staan. Twee statige, elegante treurbeuken die je bijna lijken te begroeten. Voor iemand zoals ik — lijdend aan een milde vorm van dendrofilie (haha) — is dat meteen feest. Ik hou van bomen die alle ruimte krijgen om hun volle glorie te laten zien. Zoals zo’n kastanje midden in een weiland, of een zomereik die fier in zijn eentje staat te wezen. Bomen die niet hoeven vechten om licht, maar gewoon… boom mogen zijn.

Waarom bomen mij blijven fascineren

Bomen zijn kleine wondertjes. Ze ademen onze rommel in en geven er zuurstof voor terug. Ze filteren fijnstof, nemen gassen op, houden de aarde koel in de zomer en warm in de winter. Ze dempen temperatuurextremen alsof het niets is. En dan heb ik het nog niet eens over de complete ecosystemen die ze vormen: vogels, insecten, kleine zoogdieren, planten, schimmels — allemaal wonen ze in, op of onder een boom.  

Sommige bomen worden zelfs duizenden jaren oud. De bristlecone-den Methuselah was lang de oudste bekende individuele boom ter wereld: 4.845 jaar. Een respectabele leeftijd, zou je zeggen, tot zijn oudere broer opdook — 5.062 jaar oud! Beide staan in de White Mountains van Californië, op een geheime locatie. (Dat dat tegenwoordig nodig is, hè. Je verzint het niet.)  

En dan is er nog die Noorse spar in Zweden, waarvan het wortelsysteem naar schatting 9.550 jaar oud is. En wij mensen? Wij weten dat soort dingen in no-time te verprutsen! 

Oeh, ik voel boosheid opkomen. Adem in, adem uit, Margot…

Terug naar Doesburg

Onze treurbeuken dus. Ze worden regelmatig gecontroleerd op vitaliteit en kwaliteit — er zijn zelfs vrijwilligers voor opgeleid. Kappen is uit den boze, tenzij het écht niet anders kan. Zoals bij de dikste beuk van Nederland, die ooit op de Algemene Begraafplaats van Doesburg stond. Een stamomtrek van 8,20 meter, een leeftijd van minstens 178 jaar (maar waarschijnlijk ouder), en uiteindelijk toch geveld door reuzenzwammen en tonderzwammen. Van het hout zijn bankjes gemaakt. Tja… ook wat voor te zeggen. Af en toe wil een mens even zitten.

Wat die bomen allemaal gezien hebben

Ik kan er niet omheen te denken wat die treurbeuken allemaal hebben meegemaakt. Doesburg was eeuwenlang een handelsstad. Soldaten liepen er rond — van 1607 tot 1945 was er permanent een garnizoen binnen de wallen. Misschien hebben ze onder de bomen gezeten, schuilend voor zon of regen.  

Van 1881 tot 1957 tufte er een stoomtram langs. Oorlogen kwamen en gingen. Mensen maakten ruzie en legden het weer bij. Verliefde stelletjes ontmoetten elkaar misschien wel onder de takken. De bomen stonden erbij en keken ernaar.

Thuiskomen

Misschien ken je dat gevoel: je bent een tijdje weg geweest, en zodra je een herkenningspunt ziet denk je ah… thuis.  

Dat heb ik met deze bomen. Niet eens zozeer met het silhouet van Doesburg in de verte (oké, ook een beetje), maar vooral met die twee treurbeuken. Soms is thuiskomen niet een plek, maar twee bomen die denken: “Daar heb je haar ook weer."


~~Vrije vertaling van het gedicht Root Words van F. McClatchey 


Ze zeggen dat bomen het voelen wanneer je loopt.  

Hun schimmeldraden trillen als je voet  

de aarde doet dreunen. Ze overwegen je. Een dreiging? Ze praten  

over je, sturen suiker door hun wortels,  

uitend in suiker-taal, een grammatica dik  

als honing, waarin elk woord een wortelwoord is  

en een week kost om te zeggen. Een zin sijpelt  

over maanden. Gesprekken glijden in lome  

eeuwen. Lang nadat jij gestorven bent,  

discussiëren ze nog steeds over je. Ze herinneren zich  

het patroon van je voeten, de zaailingen die knapten  

onder je tred, hoe weinig verschil je maakte.  

Je naam dooft het eerst in menselijke kringen.  

Bomen houden hem nog even vast. En dan verstuift hij.~~


Blijf zacht, ruisen in de wind




De Wraak van de Sleutelhangers.

 Wie bewaart, die heeft wat… maar wat precies?


In een mensenleven verzamel je een hoop zooi. Echt een hoop. En op een dag word je wakker en denk je: nu is het genoeg — tijd voor de Grote Opruim.

Voor de kwalificatie hoarder komen we niet in aanmerking; daar zijn we veel te goed in weggooien voor. Maar bewaren? Dáár zijn we nog beter in. En eerlijk is eerlijk: van een vreemde hebben we het niet.  

Als kind keek ik al naar de verzamelingen van mijn ouders. Mijn vader had een kast vol doosjes en blikjes met punaises, gummetjes, puntenslijpers, oude potloden en allerlei kleinnoodjes uit de natuur. Mijn moeder had bakjes en blikjes vol fournituren en dozen met lapjes stof. Mijn schoonouders konden er ook wat van. De staat van onze schuur zou voor manliefs vader geen verrassing zijn geweest — zijn schuur zag er 99,9% van de tijd precies zo uit. En mijn schoonmoeder had net als mijn moeder stapels stofjes en fournituren waar nooit iets mee gedaan werd.

De afgelopen dagen zijn we dus stukje bij beetje door het huis gegaan. Vooral de schuur voelde als een archeologische opgraving: lagen sediment van spullen die ooit vast heel nuttig waren. Onze oude bank stond er nog — in onderdelen — bovenop een berg andere troep. Manlief heeft inmiddels al een lading naar de milieustraat gebracht. Held.

Ikzelf ben, uiteraard om hem niet in de weg te lopen, begonnen met de kelderkast. Ook daar had zich een indrukwekkende hoeveelheid rommel verzameld. 

We maakten drie stapels:

vuilnis (kapotte bloempotten, vazen en andere ellende), vanalles voor de kringloop en een klein (nou ja… klein?) stapeltje met spullen die mochten blijven.

De tussenstand: 23 bloempotten voor de kringloop, 10 voor de vuilnis en nog steeds zo’n 20 die mogen blijven. Blijkbaar had ik ooit grootse plannen met kamerplanten. Het doel is nog steeds om ooit weer een huis vol gezonde planten te hebben. Alleen… dit huis werkt niet altijd mee. En de katten al helemaal niet. Vooral Hannah vindt dat bladeren bedoeld zijn om in te bijten. Mijn Spathiphyllum en Scindapsus zien eruit alsof ze een zware stapnacht achter de rug hebben.

Vandaag was de zolder aan de beurt. Vorig jaar hadden we die al bijna leeg gemaakt, want we komen er allebei niet zo makkelijk meer. Toch verdwijnen er steeds weer dingen naartoe onder het motto: “Wie weet wanneer we dat nog eens nodig hebben.” Nou, ik kan je vertellen: nooit. Weg ermee.

Ik vond twee tassen vol boeken over schilderen en tekenen. Leuk, maar ik gebruik ze nooit. Een bak vol kabels en laders waarvan niemand weet waar ze precies voor zijn. Het enige dat we zeker weten: we hebben er de afgelopen jaren niets uit gebruikt. Aan een haakje hing een hele bos oude sleutelhangers, maar die mogen niet weg van manlief. Jeugdsentiment, zegt hij. En ik snap het — maar alles wat we al een jaar (of jaren) niet gezien of gebruikt hebben, wil ik graag wegdoen. Het scheelt tenslotte een hoop schoonmaken, sjouwen en ergernis. Maar goed, ik ben de kwaadste niet — de sleutelhangers mogen blijven. Ze nemen tenslotte minder ruimte in dan zijn sentiment.


Ons huis moet praktischer en handelbaarder worden, zonder dat het zijn ziel verliest. Het mag best laten zien wie hier wonen en waar we van houden — maar dan graag zonder dat we eerst door een hindernisbaan van vergeten spullen moeten klauteren.


Blijf zacht


Hoe Lego‑oldtimers, Donald Ducks en een NAH ons leven kleur geven.


Toen manlief acht jaar oud was, besloot hij dat de trein van Arnhem naar Zutphen eigenlijk de verkeerde kant op reed. Vanuit Rheden probeerde hij het gevaarte dus even terug te “koppen” naar waar het vandaan kwam. Dat liep — zoals je kunt raden — niet helemaal volgens plan. Het resultaat: drie maanden coma, een lange revalidatie en ouders die er waarschijnlijk steeds grijze haren bijkregen zodra ze langs een spoorwegovergang reden.

Jarenlang bleef onduidelijk wat hij precies aan dat avontuur had overgehouden. Pas toen de medische wetenschap een paar flinke sprongen vooruit maakte, werd duidelijk dat hij een NAH (niet-aangeboren hersenletsel) had opgelopen. Dat verklaarde ineens een hoop: zijn hoofd kan soms aanvoelen als een snelkookpan vol ideeën, woorden en verhalen die er allemaal tegelijk uit willen. Voor buitenstaanders klinkt dat soms alsof je midden in een puzzel valt waarvan de stukjes nog in de lucht hangen. En ja, hij kan een verhaal met liefde tien keer opnieuw vertellen — met dezelfde overtuiging als de eerste keer.

Gelukkig heeft hij manieren gevonden om rust in zijn hoofd te krijgen. Eén daarvan is zijn grote liefde: Lego. Vooral oldtimers nabouwen is zijn ding. Het gebeurt dan ook regelmatig dat hij in de auto ineens roept: “Schrijf even het nummerbord van die auto op!” Thuis zoekt hij dan het model op, en voor ik het weet staat er weer een miniatuurversie van die auto op zijn bureau. Soms koopt hij een set en bouwt er vervolgens een totaal ander voertuig van — alsof hij tegen Lego zegt: “Leuk bedacht jongens, maar ik doe het even beter.”

De uitdagingen die hij tijdens het bouwen tegenkomt, dwingen hem om te focussen. En als hij focust, wordt de rest van de chaos in zijn hoofd vanzelf zachter. Het gevolg: onze hobbykamer staat inmiddels vol met autootjes, half afgemaakte projecten en bakjes met steentjes die je beter niet omstoot als je de gezelligheid in huis liefhebt.

We hebben drie slaapkamers, en de grootste daarvan is inmiddels officieel omgedoopt tot De Hobbykamer. Aan de ene kant staat mijn bureau met — laten we eerlijk zijn — veel te veel hobby’s. Aan de andere kant staat zijn Lego‑imperium, compleet met onderdelen, sorteerbakken en projecten in wording.

Maar Lego is niet zijn enige passie. Hij verzamelt ook digitale stripboeken. Uren kan hij bezig zijn met sorteren, ordenen, hernoemen en in mapjes zetten. Er blijkt wereldwijd een hele community te bestaan van digitale stripverzamelaars die met elkaar delen. En ja hoor: hij bezit inmiddels alle jaargangen van de Donald Duck, van het allereerste nummer tot het meest recente.

Stiekem ben ik daar heel blij mee. Want stel je eens voor dat hij al die strips fysiek in huis had. Het weekblad verschijnt al sinds 25 oktober 1952, elke week opnieuw. Dat zijn inmiddels ruim 3800 Donald Ducks — en dan hebben we het nog niet eens over de specials, pockets, vakantieboeken en alle andere series die hij óók compleet heeft. Ons huis zou eruitzien alsof een eend met verzamelwoede is ontploft.

Dus ik laat hem lekker zijn ding doen en hij mij. Onze lijven werken niet meer mee voor fulltime werk, maar onze hobby’s houden ons bezig, scherp en vrolijk. We zijn allebei leergierig en willen altijd van alles over van alles weten. Dat houdt de hersenpan soepel. En als er dan toch iets is dat ons bestaan op deze aardkloot nut geeft, dan is het wel: blijven leren, blijven bouwen en blijven genieten van de dingen die ons hoofd rust geven.

Herken jij dit soort creatieve chaos of heb jij ook een hobby die je hoofd tot rust brengt? Deel jouw verhaal hieronder — misschien inspireer je er iemand anders mee.


Blijf zacht voor elkaar




Hoe het allemaal begon: met krabbels in de kantlijn

Tekenen en mooi schrijven… daar is het voor mij allemaal mee begonnen. Als kind vulde ik mijn schriften vooral met tekeningen. De schoolopgaven? Die kregen hooguit een klein hoekje. Prioriteiten. En als ik dan moest schrijven, dan wel in mijn allermooiste handschrift. Je weet wel, zo’n handschrift waarvan je juf dacht: “Leuk, maar had je ook nog tijd om de sommen te maken?”

Schilderen kwam pas veel later. Ik was namelijk nooit zo’n held met verf. Het werd al snel een soort abstracte kliederkunst waar zelfs Picasso zijn wenkbrauwen bij zou optrekken. Maar een paar jaar geleden sloot ik me aan bij een gezellig cluppie. Een groepje amateurs — meestal de wat oudere garde, ik was steevast het jonkie — dat wekelijks samenkwam om te schilderen.

Er was altijd een begeleidster aanwezig, een dame met een indrukwekkende schilderscarrière achter de rug. Zij gaf tips, moedigde aan en tekende voor wie dat zelf niet kon. Ik kwam in eerste instantie vooral voor de gezelligheid en deed meestal mijn eigen ding. Maar omdat ik altijd tekende, en schilderen eigenlijk precies andersom werkt, had ik af en toe toch wat hulp nodig.

Bij schilderen begin je namelijk met de achtergrond en werk je naar voren toe. Bij tekenen doe ik precies het tegenovergestelde: eerst het hoofdonderwerp, dan de rest, en de achtergrond komt pas als ik er zin in heb. Eenvoudiger kan ik het niet uitleggen.

Een tekening maak ik meestal in een week. Een schilderij… tja, dat vraagt iets meer geduld. En laat dat nou net niet mijn sterkste kant zijn.

Het schilderij waar ik het meest trots op ben

In dat cluppie maakte ik meerdere schilderijen, maar mijn favoriet is het werk dat ik in 2020 maakte voor de verjaardag van manlief. Ik deed er vijf maanden over — vijf! Voor mij was dat een soort monniksoefening in geduld. Maar het is gelukt, en nu hangt het trots in onze woonkamer. Manlief blij, ik blij. En nee, het is geen Picasso of Rembrandt, maar hé, het is wél van mij.

Tijd voor een creatieve comeback

De afgelopen maanden lag het tekenen en schilderen een beetje stil. Ik was vooral bezig met leren en schrijven. Maar gisteren heb ik mijn hoekje van de hobbykamer opgeruimd en klaargemaakt voor nieuw teken- en schilderwerk. Want ik heb een plan: ik wil alle AI-illustraties op mijn blog vervangen door mijn eigen werk.

Toen ik zag dat ik inmiddels ruim 80 posts heb, moest ik wel even slikken. Dat wordt dus een flinke klus. En als ik bij elke nieuwe post óók nog een tekening of schilderij wil maken, dan ben ik voorlopig wel even zoet.

Ik begin met het schilderij dat ik voor manlief maakte. Daarna zien we wel weer. Heel veel nieuwe schilderijen zullen er trouwens niet komen, want op zolder staat al een hele collectie te verstoffen. Ik kan moeilijk het hele huis volhangen. Bovendien moet er ook nog ruimte overblijven voor de hobby van manlief (daarover later meer) én voor ons — en de katjes — om een beetje normaal te kunnen leven.

En zo staat mijn schilder- en tekenhoekje weer klaar om nieuw leven ingeblazen te worden. Geen grootse kunstambities, geen museale dromen — gewoon ik, mijn potloden, mijn verf, met geduld (hopelijk) en een flinke dosis plezier. En met een huis dat langzaam verandert in een mini-galerie. Ik ga weer aan de slag. Op naar de volgende creatieve ronde.

Gelukkig heeft manlief geen grootse plannen om curator te worden.


Blijf zacht





Ik had (heb) een droom.

 Zo'n droom waarvan je denkt: waar gaat dat nou weer over!?  



Ik was boven en werd naar beneden geroepen door manlief. Er waren mensen die met mij wilden praten. Op de bank zaten drie mensen: een vrouw van middelbare leeftijd met kort, krullend rood haar en twee jonge mensen, zo rond de 25 jaar, schat ik. Weet ik veel.  

Ze waren jong, maar hadden allebei lang, sluik zilvergrijs haar. De krullenvrouw had een vriendelijk gezicht en knikte. Het paar keek meer dan sjagerijnig. Manlief stond nonchalant tegen de boekenkast geleund en zei: “Deze mensen hebben je wat te vertellen.”  

“Nou, vertel het maar,” zei ik.

De vrouw begon te praten, maar er kwam geen geluid uit haar mond. Dus ik zei: “Sorry, maar ik versta je niet.”  Weer begon ze te praten, maar opnieuw geen geluid. Ik zei dat ze echt harder moest praten, want ik hoorde niets. 

Manlief begon te lachen. Ik keek naar hem, keek terug… en het drietal was weg. 

In hun plaats zat manlief.  Hij zei dat ik even moest blijven, want N. kwam zo met me praten. Ze hadden een probleem.

Even later kwam het gezin binnenstormen, maar in plaats van ze te begroeten negeerde ik hen volkomen en ging troepjes van het kleed opruimen. Tussen hun benen door! Ze stonden boos op en liepen weg.

Ondertussen was het gaan regenen, maar alleen aan de voorkant van het huis. Ik zat nog op mijn knieën in de kamer en zag dat er bakken water uit de verwarming stroomden. Ik vroeg aan manlief waar de hoofdkraan zat, zodat ik die dicht kon draaien.  

“Ach, laat gaan,” was zijn reactie.

Ik wilde toch gaan kijken, maar ontdekte dat er uit de wasmachine allemaal roze water stroomde. Ik wilde de wasmachine uitzetten, maar werd hinderlijk gehinderd door een lachende jongeman. Uiteindelijk lukte het me.  

Ik liep terug naar de kamer en in de gang stond een wasrek, tegen de open wc-deur aan. Daar zat een donkerharig meisje op, en tegelijkertijd hing ze was op. Ik keek haar aan en zei lachend: “Tja, zo kan het ook.”

Ik draaide me om en zag manlief de tuin uitlopen met een reusachtig pikzwart watergeweer. Ik riep hem na dat hij me moest helpen om die hoofdkraan te vinden, maar hij zei dat hij met de kinderen in de speeltuin ging spelen.  

Ik haalde mijn schouders op en liep glimlachend de kamer weer in. Poef! Alles was weer normaal.

En toen werd ik wakker.

In eerste instantie dacht ik: *waar slaat dit nou weer op, hahaha.*  

Maar ik zou Margot niet zijn als ik niet ook meteen denk: In dromen verwerk je dingen, zegt men. Wat wil deze droom me dan nu vertellen?

En ik ben me toch tot mooie inzichten gekomen!  

Ik zal hem eens ontleden. Dit is wat ik denk dat het betekent.

Om te beginnen moet ik erbij vertellen dat het me opviel dat ik niet in paniek raakte, niet boos werd of anderszins negatieve emoties had.

Het drietal op de bank  

De glimlachende dame: daar ben ik nog niet helemaal uit.  

Maar het stel wel. Die staan voor het feit dat ik geen bullshit meer van wie dan ook accepteer. Jong of oud. Vandaar de leeftijd en het grijze haar. Geen negatieve of boze kletspraat meer. Ik hoor je niet.  

De lach van manlief staat voor het onomstotelijke feit dat hij blij is dat ik eindelijk zover ben. Trots ook wel misschien.

N. 

N.staat voor een familie uit mijn ‘niet nader te noemen’ vorige leven. Mijn handelen zegt genoeg, denk ik. Daar ben ik heel duidelijk klaar mee. Deur dicht. Tien meter dikke gewapendbetonblok ervoor. Klaar.

De hoofdkraan en de waterstroom  

Ik maak me nog wel eens zorgen over onze financiële situatie. De geldstroom, zeg maar. Maar manlief is een kei met cijfers en het berekenen van zaken. Dat hij zegt “laat gaan” en dat ik het nog een paar keer probeer, zegt me dat ik mijn zorgen nog niet helemaal kwijt ben, maar dat ik het los mag laten. Vertrouwen op manlief.

Het roze water staat voor mijn liefde voor hem, en mijn stiekeme wens hem eerder te hebben ontmoet stond naast me te lachen. Hmmmm, knappe vent.

Dat donkerharige meisje op het toilet is ook voor mij nog even een mysterie. Misschien moet ik meer schijt hebben aan het huishouden haha.

Manlief met zijn zwarte waterkanon  

Waarom het zwart is weet ik niet; daar moet ik nog even over nadenken. Maar ik denk de reden te weten van zijn weglopen naar de speeltuin: het is zijn manier om mij te vertellen dat hij me vertrouwt. Hij vertrouwt op mijn handelen en kan daarom gerust gaan spelen. En hij weet: ik hou ervan dat hij het speelse in hem nooit kwijt is geraakt, ondanks alles wat we apart van elkaar en met elkaar hebben meegemaakt.

Mijn glimlach en rust zeggen me dat ik erop kan vertrouwen dat hoe dan ook alles goed komt.  

Zonder dat hij het wist, heeft hij mij in mijn dromen wijze lessen geleerd.  

Blijf zacht, Alles komt goed.


Heey schat, heb ik je vandaag al gezegd dat ik van je hou?


Baader-Meinhof of het universum

Oké, genoeg gejammer over haperende lijven, dwarse breinen en de mist die permanent in mijn hoofd lijkt te wonen. Tijd voor iets luchtigers.

In onze buurt woont een Manx. Voor wie nu denkt: “Een wat?” Een Manx is een kat van het eiland Man, beroemd (of berucht) omdat hij geen staart heeft. Ze zijn sociaal, lief, speels en passen prima in een gezin. Het beestje dankt zijn naam aan het manx‑gen, dat normaal de wervelkolom verlengt, maar bij deze katten dus… eh… een vrije dag heeft genomen. Die genetische afwijking ontstond ooit bij één kat, en dankzij een flinke portie eiland‑inteelt werd het al snel een lokale trend.

En nu loopt er dus al een tijdje zo’n staartloze schoonheid door onze buurt. Regelmatig wandelde ze onze tuin binnen alsof ze een reservering had. Dan gaf ik haar een paar brokjes — meestal vijf, want ik ben niet gek — en na wat kopjes verdween ze weer alsof ze een druk schema had. Wij noemden haar Truus, want we hebben werkelijk geen idee hoe ze echt heet. Maar sinds Hannah er is, hadden we Truus niet meer gezien.

Totdat we het erover hadden. En poef, daar was ze weer. Alsof ze een abonnement heeft op onze gesprekken.

Dat, dames en heren, is het Baader–Meinhof‑fenomeen. 

Het moment waarop je iets opmerkt — een woord, een persoon, een kat zonder staart — en het daarna ineens overal lijkt op te duiken. Niet omdat het er ineens meer is, maar omdat je brein besluit: “Aha, dit is relevant. Laat maar door.”

Ons brein is namelijk gebouwd om patronen te spotten. In de oertijd was dat handig: Waar is het eten? Waar zijn de roofdieren? Waar is die ene groepsgenoot die altijd te laat is — en waarschijnlijk weer bessen staat te eten? Zodra je ergens aan denkt, activeert je brein een soort interne radar. Het filtert normaal 99% van alle prikkels weg, maar zodra iets gemarkeerd wordt als belangrijk, floept het ineens overal op.

En omdat wij mensen kampioen zijn in patronen zien — zelfs als ze er helemaal niet zijn — denkt je brein al na twee toevallige herhalingen: "Aha! Een patroon! Het universum is weer bezig."  

Ik geloof daar ook graag in. Maar de wetenschap zegt iets minder romantisch dat het gewoon jouw aandacht is die ineens op scherp staat.

Hoe dan ook: hier zijn een paar alledaagse voorbeelden van datzelfde breintrucje.

Je denkt aan een automerk… en ineens zie je het overal

  • Je overweegt een Toyota Yaris.  
  • De volgende dag lijkt het alsof half Nederland in een Yaris rijdt.  
  • Die auto’s waren er al — jij kijkt nu gewoon beter.

Je leert een nieuw woord… en het duikt overal op

  • Je hoort voor het eerst “serendipiteit”.  
  • Diezelfde week hoor je het nog drie keer.  
  • Je brein heeft het woord nu op de VIP‑lijst gezet.

Je denkt aan iemand… en die persoon stuurt een bericht

  • Het voelt magisch:  “Ik dacht net aan haar, en nu appt ze!”  
  • Maar je denkt aan honderden mensen per week.  
  • Dat één van hen toevallig iets stuurt, valt nu extra op.

Je praat over een onderwerp… en ziet er daarna nieuws over

  • Je hebt het over zonnepanelen.  
  • ’s Avonds zie je een artikel over zonnepanelen.  
  • Niet omdat de wereld je afluistert — je brein luistert gewoon beter.

Je hoort een liedje… en daarna lijkt het overal te zijn

  • Je hoort een oud nummer op de radio.  
  • De volgende dag hoor je het in de supermarkt én op straat.  
  • Het liedje was er al, maar jij staat nu op dezelfde frequentie.

 - Wat al deze voorbeelden gemeen hebben -

Ze laten zien hoe sterk selectieve aandacht en de frequentie‑illusie zijn.  Je brein is geen camera die alles registreert — het is een portier die beslist wie er binnen mag.

En zodra iets op de gastenlijst staat, lijkt het alsof de hele wereld het ineens overal laat zien.


En nu maar hopen dat het universum niet besluit om ook mijn wasmand overal te laten opduiken.


Blijf zacht



Mijn huis is niet rommelig, het is ‘chronisch creatief ingericht.

Als iemand met een chronische ziekte zegt dat schoonmaken vandaag niet gaat, geloof diegene dan gewoon. Geen oordeel, geen tips, geen “maar ik doe het altijd even tussendoor”. Gewoon knikken en misschien een kop thee aanbieden. Onze waarde hangt namelijk niet af van hoe schoon ons huis is. Als dat zo was, zouden veel van ons inmiddels officieel “onbetaalbaar” zijn. Wij overleven elke dag in een lichaam dat functioneert als een laptop uit 2010: warm, luidruchtig en altijd bezig met een mysterieuze update. Soms zelfs met de melding: Error 404: energie niet gevonden.

Uitleggen waarom huishoudelijke taken zo lastig zijn, is alsof je iemand uit de polder probeert uit te leggen hoe het is om de Mount Everest te beklimmen. “Even stofzuigen” klinkt simpel, maar voelt soms als een expeditie met sherpa’s, zuurstofflessen en een levensverzekering.

We zijn niet lui. We zijn niet slordig. We zijn niet “onszelf aan het laten gaan”. Veel van ons hadden ooit een huis dat zo netjes was dat ze er bij VT-wonen jaloers op zouden zijn geweest. Chronische ziekte heeft dat talent niet weggehaald — het heeft gewoon de energiemeter permanent op rood gezet.

Kleine klusjes zoals een aanrecht afnemen, de vaatwasser inruimen of kleding opvouwen kunnen voelen als een triatlon. En dan beginnen we vaak al met een energieniveau dat onder nul zit. Sommige mensen worden wakker met “goede morgen”, wij worden wakker met “veel succes vandaag, je hebt 3% batterij en de oplader is zoek”.

Mensen met ME/CVS, POTS, auto-immuunziekten, long COVID, MCAS of bindweefselaandoeningen hebben een lichaam dat energie produceert alsof het een stagiair is die niet precies weet wat de bedoeling is. Zelfs minimale inspanning kan leiden tot instorting, pijn of dagenlange crashes. Het is niet dat we niet willen — ons lijf heeft gewoon een eigen agenda.

Ons functioneren is bovendien zo onvoorspelbaar dat zelfs het weerbericht jaloers zou worden. Maandag lukt misschien een klein klusje, dinsdag is het al een overwinning als we rechtop kunnen zitten. Er zit geen patroon in, behalve dat er geen patroon is.

Voor veel chronisch zieken zijn klusjes niet alleen vermoeiend, maar ook fysiek onmogelijk. Staan bij de gootsteen kan duizeligheid of hartkloppingen veroorzaken. Bukken kan voelen alsof je een wervel uit zijn kolom trekt. Het geluid van een stofzuiger kan al genoeg zijn om je hersenen in protestmodus te zetten. En warmte? Warmte is de eindbaas waar niemand om heeft gevraagd. Hoewel voor mij juist warmte een zegen is.

En dan is er nog “brain fog”. Klinkt gezellig, alsof je hersenen in een wolkje zitten, maar in werkelijkheid is het alsof je probeert te koken terwijl iemand steeds de ingrediënten verstopt. Je vergeet wat je aan het doen was, waarom je het deed, en soms zelfs waar je bent. Niet charmant, wel realiteit.

Gezonde mensen kunnen na het huishouden even bijkomen. Chronisch zieken kunnen soms helemaal niet bijkomen — of zijn dagenlang uitgeput. Een schone keuken is het simpelweg niet waard als je morgen niet meer naar de wc kunt lopen. Prioriteiten.

Voor velen is schoonmaken niet alleen zwaar, maar ronduit gevaarlijk. Eén “productieve dag” kan een crash veroorzaken die pas 12 tot 72 uur later toeslaat en dagen of weken duurt. Het is alsof je lichaam zegt: “Leuk geprobeerd, maar nee. Ga maar liggen.”

De maatschappij koppelt netheid aan discipline en waarde. En als ziekte dat onmogelijk maakt, sluipt schaamte binnen. We wéten dat de afwas er staat. We weten dat de vloer gedweild moet worden. Het is niet dat we het niet zien — ons lichaam heeft gewoon andere plannen, en helaas geen klantenservice.


Blijf zacht voor chronisch zieken.




De zon, mijn bilspieren en Truus

Soms heb je van die dagen waarop je eigenlijk van alles zou moeten, maar de zon kijkt je aan alsof ze zegt: “Joh, laat maar. Kom zitten.” En voor je het weet zit je in je tuinstoel, half weg te smelten, luisterend naar vogels, buren en je eigen innerlijke Fiepje die roept dat je je moet insmeren. Dit is zo’n dag.

Ik zit in de tuin en laat me heerlijk bakken door de zon. Ze warmt mijn gezicht alsof ze me persoonlijk heeft uitgekozen voor een gratis mini‑sauna. Als ik mijn ogen sluit, zie ik dat typische rood achter mijn oogleden. Geen idee waarom ik dat altijd zo fascinerend vind, maar hé, het zijn de kleine dingen.

Eigenlijk zouden we vandaag in de tuin aan de slag, maar we hebben allebei geen zin. Bovendien heb ik nog spierpijn in mijn bilspieren van gisteren — een subtiele reminder dat ik misschien toch niet zo sportief ben als ik dacht. Dus ach, morgen is ook een dag.

Een paar deuren verder wordt driftig geklust. Normaal zou dat constante gebrom me irriteren, maar vandaag glijdt het langs me af alsof ik in een zenretraite zit. Een andere buur rommelt in zijn tuin. Overal hoor ik die typische buurtgeluiden: een autodeur die dichtvalt, "Hoi mam, heb je koffie?" Mam heeft koffie. Maar het mooist blijft het vogelconcert.

Hoog in de lucht cirkelt een buizerdpaar, af en toe laat een van de twee zijn kenmerkende kreet horen. De kauwen zijn druk in de weer — al kauwend (zo noem ik dat geluid maar) scheren ze over de tuinen, op zoek naar nestmateriaal, eten of een kat om te pesten. De roeken doen ook gezellig mee. De mussen daarentegen zijn vandaag opvallend stil. Misschien hebben ze een vrije dag.

Dan hoor ik de lach van een groene specht. “Gelukkig,” denk ik, “hij is er weer.” Ik stroop mijn mouwen op omdat ik het warm krijg en zie tot mijn schrik hoe wit ik eigenlijk ben. Fiepje begint meteen in mijn hoofd te zeuren dat ik me moet insmeren. Maar ik zit hier niet in mijn nakie, dus ik waag het er gewoon op. Bovendien heb ik geen zin om op te staan.

Uit mijn ooghoek zie ik ineens beweging. En jawel hoor: Truus. Tenminste, zo noemen wij haar. Hoe ze echt heet? Geen idee. Truus is een Manx, een lief staartloos katje dat af en toe langskomt voor een aai en een paar brokjes. Laatst zeiden we nog dat we haar al een tijdje niet hadden gezien — en kijk, daar is ze weer, alsof ze ons gehoord heeft.

Terwijl ik zo zit te genieten van de zon, de vogels, de buurt en Truus, besef ik opnieuw hoe fijn het is om hier te wonen.

En zo eindigt mijn spontane tuinsessie: met witte armen, warme mouwen, een onverwachte ontmoeting met Truus en een hart dat net een tikkeltje voller is dan toen ik ging zitten. Soms hoef je helemaal niets te doen om te beseffen hoe goed je het hebt — je hoeft alleen maar even stil te zitten.


Blijf zacht


Waarom ik steeds vaker kies voor minder — en dat meer blijkt te zijn

 Mijn leven met fibromyalgie


Er was een tijd dat ik dacht dat “minder doen” hetzelfde was als “opgeven”. Zo’n morele nederlaag die ergens bungelt tussen “ik ben mijn sleutels alweer kwijt” en “ik heb per ongeluk een hele zak chips gegeten terwijl ik eigenlijk alleen maar even wilde proeven”.

Gênant, maar te overleven.

En toen kwam fibromyalgie.
En fibromyalgie is niet subtiel.
Fibromyalgie is die vriendin die onaangekondigd op de stoep staat, je bank inpikt, je afstandsbediening verstopt en vervolgens zegt:
“Zullen we het vandaag héél rustig aan doen? En morgen ook. En trouwens, voor volgende week heb ik je agenda ook al even leeggehaald.”

Ik heb lang geprobeerd haar te negeren. Ik deed alsof ik nog steeds de versie van mezelf was die drie dingen tegelijk kon, overal “ja hoor, leuk!” op zei, en dacht dat rust iets was voor mensen die geen hobby’s hadden.
Dát werkte dus niet.

Op een dag — waarschijnlijk een dag waarop ik al moe werd van het idee dat ik moest douchen — dacht ik:
Wat als minder niet minder is?
Wat als minder gewoon… slimmer is?

En dat bleek verrassend waar.

Wanneer je lijf je dwingt om te schrappen, te snoeien en te selecteren, gebeurt er iets wonderlijks: je houdt ruimte over voor dingen die wél werken. Dingen die wél goed voelen. Dingen die niet meteen een energierekening van drie dagen opleveren.

Ik heb minder afspraken, maar meer echte gesprekken.
Ik ga minder vaak weg, maar als ik ga, ben ik er ook echt.
Niet half.
Niet met één been in een crash en het andere in een sociaal verplicht nummertje.
Nee — aanwezig, wakker, en niet bezig met de vraag of er ergens een bank is waar ik onopvallend op kan liggen (al spot ik ze nog steeds automatisch, dat blijft een talent).

Ik ontdekte dat hoe minder spullen ik heb, hoe meer rust ik ervaar.
Ik heb geen drie soorten wasmiddel nodig.
Of zeven soorten bloempotten.
Of een kast vol kleding die me aankijkt alsof ík degene ben die teleurstelt.

Hoe minder ik heb, hoe minder ik hoef te beheren.
En hoe minder ik hoef te beheren, hoe minder mijn lijf moppert.
Win-win.
Zeg nou zelf, wie houdt er nou niet van een win-win.

Het mooiste is misschien wel dit:
Ik hoef niet meer te voldoen aan het tempo van de wereld.
Ik mag mijn eigen tempo kiezen.
En dat tempo is soms slakkengang, soms pauze, soms “ik doe vandaag helemaal niets en dat is een prestatie op zich”.

Fibromyalgie heeft me veel afgenomen, dat ontken ik niet.
Maar ze heeft me ook iets gegeven wat ik nooit had verwacht:
een radicaal eerlijke manier van leven.

Ik kies voor minder omdat mijn lijf dat vraagt.
En ik blijf voor minder kiezen omdat het me meer brengt dan ik ooit dacht: meer rust, meer helderheid, meer verbinding met mezelf.

En geloof me: dat voelt als pure winst.


Blijf zacht.





En ik maar denken dat ik geen ambities heb

Ik ben dus eigenlijk linkshandig maar daar heeft
Cootje-pilot een beetje moeite mee.

Gisteren kwam ik een oproep tegen van een collega‑blogger. Ze zocht mensen die het leuk vonden om een paar vragen over hun blog te beantwoorden. "Nou", dacht ik, "dat lijkt me wel wat". En hé, nieuwe lezers zijn altijd welkom — ik ben de beroerdste niet.

Even later kwamen er zevenentwintig vragen binnen. Niet schrikbarend veel, maar wel genoeg om mijn hersenen even in de ‘standje nadenken’-modus te zetten. Dus ik begon braaf met invullen. Daarna ben ik eens door de interviews op haar blog gaan bladeren. En toen ik mijn eigen antwoorden teruglas, dacht ik ineens: "Wacht eens even… ik ben helemaal niet ambitieus".  

Tenminste, dat dacht ik.

Maar ja, dan komt meteen die andere vraag op: wat ís ambitie eigenlijk? En jullie kennen me — geef me één filosofisch draadje en ik trek meteen het hele tapijt los.

Hoe verder ik in mijn mini‑onderzoekje kwam, hoe meer ik ontdekte dat ik eigenlijk wél ambitieus ben. Alleen niet het soort ambitie dat schreeuwt om carrière, status of een visitekaartje met glimmende letters. Mijn ambitie is van het stille soort. Het soort dat niet op een podium wil staan, maar wel graag het lichtknopje vindt.

Ambitie ziet er namelijk niet altijd uit als “ik wil de top bereiken”. Soms is het subtieler. Ik denk nooit: 'Oef, dat wil ik ook!' Maar dat betekent niet dat ik geen ambitie heb. Het betekent dat ik tevreden ben met mijn leven — en dat blijkt een luxe. Ambitie hoeft niet altijd te gaan over méér willen, maar kan ook gaan over groeien binnen wat je al hebt. Best een geruststellende gedachte.

Laatst heb ik iets gedaan wat ik jarenlang handig wist te vermijden: mijn stem laten horen. Grenzen aangeven. Mezelf serieus nemen. Poeh, wat luchtte dat op! Blijkbaar is dat óók ambitie: innerlijke ambitie. De drang om mezelf te ontwikkelen. Een soort volwassenheid die niet per se aan leeftijd hangt, maar wel ineens opduikt wanneer je al een tijdje meedraait. Happy zestiger!

En wanneer het schrijven niet lukt, kan ik me behoorlijk frustreren. En wat zeggen ze? Frustratie is verborgen ambitie. Ik wil beter worden, mooiere zinnen schrijven, meer durven, vaker in die heerlijke schrijfflow terechtkomen. Kijk, dáár zit ’m de ambitie. Zelfs mijn wens om mijn woordenschat te vergroten is ambitie. Ik heb dus wel degelijk ambities — ze zijn alleen intern in plaats van extern. Groei‑gedreven in plaats van status‑gedreven. Creatief en persoonlijk in plaats van competitief.

En ik maar denken dat ik nooit onderwerpen heb om over te schrijven. Ik ging van een interview naar een onderzoekje naar ambitie, en ineens plopten er nog minstens drie nieuwe blogideeën omhoog. Nouuuu… is me dat wat?

Blijkt dat ik helemaal geen wereldreis hoef te maken (al reis ik graag online), geen drama hoef te beleven en geen spectaculaire avonturen nodig heb om leuke blogs te schrijven. Zolang ik maar mijn eigen ambities blijf volgen.


Blijf zacht en hou vast aan je ambities




Scotty, beam me up!

Ken je ’m nog, die iconische uitspraak uit Star Trek: “Scotty, beam me up”? Eén druk op de knop en poef, je staat ergens anders. Als dat in het echt zou bestaan, zou ik waarschijnlijk vaker op reis zijn dan mijn koffiemachine aanstaat. Helaas… de technologie laat ons nog even in de steek.

Ik roep altijd dat ik niet zo’n reislustig type ben — en dat klopt ook. Reizen kost me simpelweg te veel energie, te veel prikkels, te veel… alles. Bovendien zit ik het allerliefst in mijn eigen habitat, samen met manlief en de kattenpoezennelletjes. Daar kan geen tropisch eiland tegenop.

Maar gelukkig bestaat het internet. En YouTube. En dus reis ik tegenwoordig gewoon vanaf de bank. Laptop op schoot, dekentje erbij, koffie binnen handbereik. Ik typ in waar ik zin in heb en hoppa: de wereld ligt aan mijn voeten.

Zo wandelde ik laatst door Rome. Zeven uur lang! Nou ja… in stukjes. Ik ben geen marathonkijker; twintig minuten per keer vind ik meer dan genoeg. Maar hé, ik was in Rome. Zonder zere voeten, zonder verdwalen, zonder toeristen die in mijn nek ademen.

En nu reis ik al een paar dagen mee met iemand die per trein door Denemarken, Zweden en Noorwegen tuft. Zó mooi! En het beste: ik raak niet overprikkeld, niet oververmoeid, en ik kan koffie halen wanneer ik wil zonder dat ik een conducteur hoef te zoeken.

Het mooiste vind ik dat die reizigers hun avonturen delen. Ze hebben vaak niet door hoe waardevol dat is voor mensen die zelf niet (meer) fysiek kunnen reizen. Het voelt een beetje als een natuurdocumentaire kijken: ik kan niet duiken, maar dankzij die prachtige onderwaterfilms weet ik tóch wat er allemaal rondzwemt. Of die dronebeelden van het Amazonegebied laatst… adembenemend! Zelfs als je er fysiek zou staan, zie je het niet zo.

Dus ja, ik snap de reislustigen. Ik snap waarom mensen nieuwe culturen willen ontdekken, landschappen willen zien, lokaal eten willen proeven. Dat het mij niet lukt om dat fysiek te doen, betekent niet dat ik niet reis. Integendeel.

Ik reis tegenwoordig regelmatig.  

Gewoon vanaf de bank.  

Met mijn laptop op schoot.  

En zonder dat Scotty me hoeft te beamen.


Blijf zacht, elke uitdaging draagt een oplossing in zich.






Een nest vol plannen en hangjongeren

Al vanaf de eerste dag dat we hier kwamen wonen, zagen we ze: eksters. In de hoge bomen rond ons huis probeerden meneer en mevrouw Ekster elk jaar opnieuw een nest te bouwen. En elk jaar opnieuw werd dat kunstwerk vakkundig door de kauwen gesloopt, die het vervolgens gebruikten als bouwmateriaal voor hun eigen optrekjes. Je zou denken dat een slimme vogel als de ekster dan eens een andere locatie kiest, maar nee hoor. Dit echtpaar heeft een droom, en die droom heet: hier een gezin stichten. Punt. En dus hielden ze koppig vol. Ik wist toen nog niet wat ik nu weet.

Dit jaar zien we voor het eerst een ekster ín onze tuin. Blijkbaar is onze rommeltuin dit seizoen officieel goedgekeurd als prima nestmateriaalbron. Elke ochtend komt een van de twee even langs om takjes te jatten. Hannah zit dan in de ren en observeert de boel alsof ze een natuurdocumentaire live gepresenteerd krijgt. Plat op haar buik, oortjes strak in de nek. Ze vindt het reuze interessant, maar ook rete-eng. Sluipend kruipt ze onder een stoel, in de veronderstelling dat de ekster haar dan niet ziet.

Die ekster ziet haar natuurlijk allang — maar hij heeft het veel te druk met zijn bouwproject. Ik vermoed dat hij heel goed weet dat ze daar zit. Waar ze dit jaar hun nest proberen te bouwen is me nog niet helemaal duidelijk, maar het lijkt erop dat ze eindelijk een strategie hebben bedacht. (Blijken ze dus altijd te doen. Wist ik veel.)

Eksters bouwen namelijk fopnesten. Meervoud, ja. Door meerdere nesten te maken, proberen ze kauwen en andere rovers te misleiden. Bovendien kunnen oude nesten vol zitten met parasieten en ander viezig spul. Door elk jaar opnieuw te bouwen, houden ze hun kraamkamer schoon en gezond. Slimmeriken.

Het zijn intelligente dieren die tot hun derde levensjaar in jeugdbendes rondhangen. Wij zijn dus niet de enigen die af en toe last hebben van hangjongeren. Die bendes zijn belangrijk: daar leren ze alles wat nodig is om een volwassen ekster te worden. Ze eten wat ze kunnen vinden — inclusief ons afval — maar het liefst snacken ze emelten, kevers en regenwormen. En ja, soms roven ze eitjes van andere vogels als ze zelf jongen hebben. Waarom ze dan juist bekendstaan om het stelen van glimmende dingen? Geen idee. 

Vraag je iemand naar de kleur van een ekster, dan zegt bijna iedereen: zwart-wit. Maar wie beter kijkt, ziet een bont palet van metallic-achtige kleuren. Het zwart van hun veren glanst groen, paars en blauw — alsof ze stiekem een abonnement hebben op een luxe haarmasker.

Wat ik zo leuk vind aan eksters, is hun enorme nieuwsgierigheid naar alles wat ‘anders’ is. Eerst wordt het nauwkeurig onderzocht, dan wordt bepaald of het thuis bruikbaar is, en soms wordt de buit begraven onder een hoopje bladeren om later nog eens te bekijken.

Misschien is dat wel waarom ik zo van ze ben gaan houden, die eksters. Ze rommelen wat aan, maken fouten, proberen opnieuw, bouwen iets op, zien het instorten, beginnen weer van voren af aan, verzamelen dingen die ze eigenlijk niet nodig hebben, begraven schatten die ze vergeten, en blijven koppig geloven dat dit de plek is waar het allemaal moet gebeuren.  

Ik vraag me af….zijn wij mensen nou echt zo anders?  

Misschien lopen we allemaal wel een beetje rond als glimmend-spul-verzamelende, nieuwsgierige, licht chaotische wezens die proberen een nest te bouwen op een plek die goed voelt. En misschien is dat precies wat het leven zo charmant maakt.


Blijf zacht

Als zorgen groter worden dan woorden

Mijn moeder wordt binnenkort negentig. Een prachtige leeftijd, maar ook een leeftijd waarop de kwetsbaarheid steeds zichtbaarder wordt. Letterlijk, in haar geval. Door een oogaandoening ziet ze met het ene oog nog maar een paar procent, en met het andere ongeveer de helft. Elke zes weken krijgt ze een injectie om het proces te vertragen. Stoppen kunnen ze het niet. Het vooruitzicht is duidelijk: als haar leven nog lang mag duren, wat we natuurlijk allemaal hopen, zal ze uiteindelijk blind worden.


Dat vooruitzicht houdt me bezig. Niet vanuit paniek, maar vanuit liefde. Ik zie hoe ze haar best doet om zelfstandig te blijven, hoe ze zich staande houdt in een wereld die steeds waziger wordt. En ik vraag me af: hoe kunnen we haar straks blijven ondersteunen? Hoe zorgen we ervoor dat ze niet valt tussen de kieren van onze drukke levens en onze eigen gezondheidsproblemen?

We zijn met acht kinderen. Acht volwassenen, allemaal met onze eigen levens, zorgen en beperkingen. In theorie zou dat een kracht moeten zijn. Acht schouders om de last te dragen. Maar in de praktijk voelt het soms alsof ik alleen vooruitkijk. Alsof ik degene ben die het gesprek opent, terwijl de rest liever wacht tot het echt niet anders kan.

Ik vroeg mijn broers en zussen om mee te denken over de toekomst. Niet om meteen beslissingen te nemen, maar om samen te kijken wat er nodig is. Het bleef stil. Urenlang. Uiteindelijk kwam er een kort berichtje: “We zien wel. Komt tijd, komt raad.”
Maar dat is precies wat me zorgen baart. Tijd komt, maar raad komt niet vanzelf.

Die stilte raakte me meer dan ik had verwacht. Niet omdat iemand iets verkeerd deed, maar omdat het me het gevoel gaf dat mijn stem niet telt. Dat mijn zorgen niet gedeeld worden. Dat ik er alleen voor sta in iets wat ons allemaal aangaat.

Ik weet dat dit geen makkelijke onderwerpen zijn. Niemand praat graag over achteruitgang, afhankelijkheid of de mogelijkheid dat een ouder niet meer zelfstandig kan wonen. Het raakt aan angst, verdriet en oude familierollen die we al ons hele leven met ons meedragen. Maar juist daarom is het zo belangrijk om het gesprek wél te voeren.

Wat ik leer in dit proces, is dat zorgen voor een ouder niet alleen praktisch is. Het is emotioneel. Het vraagt moed om vooruit te kijken. Het vraagt eerlijkheid om je eigen grenzen te erkennen. En het vraagt geduld om te accepteren dat niet iedereen in hetzelfde tempo meebeweegt.

Ik schrijf dit niet om iemand aan te wijzen of te beschuldigen. Ik schrijf dit omdat ik denk dat veel families hiermee worstelen. Omdat het moeilijk is om kwetsbare gesprekken te voeren. En omdat het soms helpt om te weten dat je niet de enige bent die zich afvraagt hoe je liefde, verantwoordelijkheid en eigen draagkracht in balans houdt.

Misschien herkennen anderen zich hierin. Misschien zijn er meer mensen die proberen vooruit te denken, terwijl de rest liever nog even wegkijkt. En misschien kunnen we elkaar daarin een beetje vinden.

Want uiteindelijk willen we allemaal hetzelfde: dat onze moeder — of vader, of partner, of wie dan ook — zich gezien en gesteund voelt. En dat wij dat kunnen geven zonder onszelf te verliezen.


Blijf zacht voor elkaar




“Ouderwets? Misschien. Gelukkig? Absoluut.”

Ik kwam haar onderweg naar de stad tegen. Mijn voormalige psychosomatische fysiotherapeute.  (Je weet wel, zo’n professional die zich bezighoudt met de mysterieuze samenwerking tussen hoofd en lijf. ‘Psyche’ betekent geest, ‘somatisch’ betekent lichamelijk — samen vormen ze een soort therapeutische yin-yang.)

Lang geleden — in een tijdperk waarin ik nog dacht dat ik alles zelf wel kon oplossen — liep ik bij haar. Inmiddels is zij een huwelijk, twee kinderen en een hond verder, maar we groeten elkaar nog steeds vriendelijk. Dat is het. Meer niet.  

En toch… eigenlijk zou ik haar eens flink moeten bedanken.

Niet omdat ze me in een ingewikkelde yogahouding heeft geduwd of mijn rug heeft gekraakt. Nee, ze deed iets veel irritanters: ze stelde vragen. Heel veel vragen. En op elke vraag van mij kwam een wedervraag van haar. Soms dacht ik echt: “Mens, geef gewoon eens antwoord!”  

Maar nee hoor. Ze bleef glimlachen en prikken.

Achteraf ben ik haar daar intens dankbaar voor. Door haar leerde ik eindelijk begrijpen waarom mijn lijf soms besluit om er spontaan de brui aan te geven. Ik leerde signalen herkennen.  

Ernaar handelen? Dat blijft een ander verhaal.

Neem eergisteren.  

Ik wéét dat als ik te hard ga in het huishouden, ik de dagen erna moet boeten. Maar dan hoor ik Fiepje — mijn innerlijke huishoudgeneraal — roepen:  “Je hebt een goede dag! Gebruik hem! Morgen kun je misschien niks meer!”  En ja hoor, dan ga ik als een tornado door het huis: poetsen, vegen, sjouwen, tillen. Want Fiepje heeft een grote mond en ik luister soms beter naar haar dan naar mijn eigen verstand.

Het resultaat?  

Vandaag zit ik hier met pijn in alles wat me lief is. Eigen schuld, dikke bult.  Maar hé: de was is gedaan, de ramen glimmen, het hele huis is gestofzuigd (of is het nou stof gezogen? Ik blijf twijfelen), de wc is weer veilig te betreden en de kattenbakken zijn brandschoon. En dat was nog niet eens alles.

En dan kun je je afvragen: “Doet manlief dan niks?”  

Jawel hoor. Maar na tien keer vragen en tien keer van mij horen dat ik het “zelf wel even doe”, heeft hij geleerd dat hij beter niets meer kan aanbieden.  

Lief bedoeld, maar ik ben blijkbaar een soort huishoud-allesweter die denkt dat ze het allemaal zelf moet doen.

In de ogen van velen ben ik waarschijnlijk een ouderwetse miep. En even tussen ons hè,.... dat vind ik helemaal niet erg. Ik heb totaal geen moeite met een traditionele rolverdeling. Laat mij maar het huishouden doen; manlief mag zich bezighouden met het onderhoud van huis en haard. Ik schaam me er niet voor dat ik niet hyper-geëmancipeerd ben. Mijn vrouw-zijn geeft me het heerlijke excuus om me niet met typisch mannelijke dingen bezig te hoeven houden.

Wat anderen ervan vinden? Ach… wij zijn tevreden. Dat is wat telt.

En jullie?  

Hoe verdelen jullie de taken thuis — en belangrijker nog: ben je daar eigenlijk blij mee?


Blijf zacht, poetsen.




Wind en ik: het is ingewikkeld.

Ik heb het al eens eerder gezegd: ik hou van alle seizoenen. Elk seizoen heeft zijn eigen charme. De lente met haar frisse beloftes, de zomer met haar warme omhelzing, de herfst met haar knisperende bladeren en de winter met haar stille magie. En ja, ik hou ook van alle soorten weer. Regen, zon, mist, sneeuw — het maakt onze planeet mooi en interessant.

Maar er is één element waar ik écht een broertje dood aan heb.

Wind.

Niet een beetje wind, niet een lief briesje dat je was lekker droogt. Nee, ik bedoel wind met hoofdletter W. De soort die je het gevoel geeft dat je in een wasmachine zit. De soort die je kapsel verandert in een abstract kunstwerk. De soort die je fietsrit verandert in een survivaltraining.

En ja hoor, ik weet heus wel dat wind belangrijk is voor de aarde. Zonder wind zouden we waarschijnlijk allemaal smelten, verzuipen of stilstaand in een muffe luchtbel leven. En ik ben oprecht blij als een windvlaag nét dat ene buitje wegjaagt dat anders precies boven mijn hoofd zou ontploffen.

Maar mensen…wat voegt het toe als ik op mijn fiets probeer vooruit te komen en de wind besluit om recht op mijn knars te gaan staan blazen?

Het voelt alsof iemand een hand vol los zand in je gezicht gooit, terwijl je probeert te ademen door een rietje. En dan heb ik het nog niet eens over het geluid. Wind kan een teringherrie maken waar je u tegen zegt. Het doet me denken aan het gebrul van een dronken leeuwin — al moet ik eerlijk bekennen dat ik geen idee heb hoe dat klinkt. Maar het klinkt vast ongeveer zo.

Het enige wat helpt, is je hoofd opzij draaien zodat je oor recht in de wind staat. Maar ja, probeer dat maar eens vol te houden op de fiets. Wind ín je oor doet namelijk ook pijn, en bovendien is het nogal lastig fietsen als je constant schuin vooruit kijkt alsof je een geheimzinnige spion bent.

En dan dat koude gevoel. Wind gaat overal doorheen. Door de kiertjes van onze kromme achterdeur, door mijn jas, door mijn trui, door mijn ziel. Een pinguïn zou er misschien gelukkig van worden, maar ik niet. Ik ben daar gewoon niet voor gebouwd.

En dan… mijn haar.  

Mijn krullen zijn dol op wind. Echt waar. Ze vieren een feestje zodra er een windvlaag langskomt. Ze gaan alle kanten op behalve de kant die ik wil. Als er één moment is waarop ik denk: “Nou, dit is niet mijn beste look,” dan is het wel na een stevige windstoot.

En dan hebben we nog de ultieme horrorcombinatie: wind én regen.  

De druppels worden keihard, ijskoud en mikken feilloos op je gezicht. Of erger: in je oor. Dan helpt geen hoofd draaien meer. Dan is het gewoon overleven.

Maar ja… dan lees je weer ergens: “Wind hoort nu eenmaal bij Nederland.”  

Prima. Maar vertel dát maar eens aan mijn oren.


Blijf zacht




Krullend Haar: mooi, maar mijn badkamer is geen laboratorium

Het is soms bijna een fulltime baan die niemand heeft aangevraagd..

Krullend haar. Het staat leuk, het is uniek… en het is soms net een ongeleid projectiel. Zoek maar eens op “krullend haar verzorging” op Google. Binnen één seconde word je doodgegooid met complete wasstraten aan producten.  

Volgens de meeste sites heb je op z’n minst een sulfaatvrije shampoo nodig. Uiteraard speciaal voor curls, want ze moeten wel lekker bouncy zijn. Zucht. 

Daarna móét je een conditioner gebruiken. Het liefst een Curl Defining Conditioner, want zonder dat spul ben je blijkbaar een soort haarbarbaar. En dan… ja hoor… een crème. Een musthave voor iedereen met krullen.  

En alsof dat nog niet genoeg is, moet je regelmatig een voedend haarmasker in je haar smeren. Want je krullen zijn net peuters: ze hebben continu aandacht nodig.  

Is je haar eindelijk schoon? Dan mag je stylingproducten aanbrengen op nat haar en het vervolgens in model knijpen. Dat heet scrunchen. Veel scrunchen. Heel veel scrunchen. Dat is essentieel.  

Wil je het sneller droog? Dan mag de föhn mét diffuser niet ontbreken. Droogborstelen is streng verboden, maar tijdens het wassen mag je wél borstelen om je krullenpatroon te versterken. Natuurlijk met een speciale krullenborstel.  

En dan zijn er nog gels, oliën, mousses… allemaal speciaal voor the curls. Dus vooral royaal smeren in dat net gewassen haar.  

Oh, en de speciale krullenhanddoek mogen we niet vergeten.  

Heb je dit allemaal nog nooit gedaan? Geen paniek: volgens de experts moet je haar gewoon drie maanden wennen aan je nieuwe routine. Drie Maanden!  

Pffff… ik word al moe als ik eraan dénk. Voor je het weet staan er tien verschillende potjes op je badkamerplankje. (incl. alle plastic verpakkingen)

Waarom doen we dit onszelf aan?

Natuurlijk vind ik het fijn als mijn haar goed zit, maar om nou elke keer zo’n hele militaire operatie uit te voeren? Mij niet gezien.  

Op één site las ik dat je krullend haar 2–3 keer per week kunt wassen. Mijn kapper zegt eens in de twee weken. Tja, wie moet ik geloven?

En nu komt het moment waarop iedereen me waarschijnlijk een viezerik gaat vinden:  

Ik was mijn haar eens in de anderhalve week met shampoo.  

Ja, echt.  

Ik douche elke dag, dus mijn haar wordt dagelijks nat en uitgespoeld. Na een wasbeurt krijgt het wat conditioner en daar laat ik het bij. Ik borstel mijn haar onder de douche — anders kom ik er niet doorheen — en verder vind ik het wel best.

Voor je het weet ben je anders twee uur verder en is je haar nóg niet droog. Ik heb mijn tijd wel beter te besteden. En als ik er ooit eens pico bello uit moet zien, begin ik gewoon de dag van tevoren.

Nou, ieder zijn of haar haarding, maar ik doe niet mee aan de krullen-marathon. Mijn haar overleeft het prima — en ik ook.

Blijf zacht voor je haar.


Six Seven (67): waarom jongeren het roepen en wij oudjes geen idee hebben


We hebben het allemaal wel eens ergens opgevangen: six seven. Of gewoon 67.  

En ik zal eerlijk zijn: als 60‑jarige miep had ik werkelijk géén flauw benul waar het over ging. Dus ik dook erin — gewapend met nieuwsgierigheid, leesbril en een mok koffie. (Wat anders)

En wat blijkt?  “67” betekent… helemaal niets. Noppes. Nada. Het is een absurde grap die jongeren gebruiken omdat het juist nergens op slaat.

- Iemand zegt iets geks → “67.”  

- Gesprek valt stil → “67.” 

- Extra dramatisch effect → wiebel met je handen alsof je een denkbeeldige weegschaal vasthoudt.

Het is een inside‑joke die iedereen onder de 20 begrijpt en iedereen erboven tot lichte paniek brengt. Precies zoals jeugdtaal bedoeld is.

Jeugdtaal is van alle tijden

Hoewel wij soms denken dat de jeugd van tegenwoordig compleet nieuwe fratsen uithaalt, is dit al meer dan een eeuw aan de gang. Elke generatie verzint zijn eigen wachtwoorden, geheimtaaltjes en modetermen.

1900–1930 Bargoens en Jiddisch waren de inspiratiebronnen. Jongeren zeiden mazzel, jatten, gappen, bink, snuiter.

1930–1940 Cabaret, de Jordaan en straattaal: pik, klojo, sufferd, deugniet.

Jaren ’50  Rock-’n-roll! Stoer, dijk van een meid, kletsmeier, sodeju. (Die laatste gebruik ik zelf ook  met liefde.)

Jaren ’60  Hippies en Amerikaanse invloeden: cool, hip, chickie, gozer, vette bak.

Jaren ’70 Vrijheid, disco en subculturen: te gek, gaaf, mafkees, wreed, kicken.

Jaren ’80  Punk, new wave en gabbers: vet, relax, doe ff normaal.

Jaren ’90 Ironie en desinteresse: duhhh, boeiuh, wazig, gast.

2000 Internettaal explodeert: WTF, OMG, fail, random, nice.

2010 Meme‑cultuur: YOLO, swag, cringe, lit, savage, goals.

2020–nu TikTok en hyper‑ironische humor regeren: six seven, rizz, cap/no cap, slay, sigma, ick, gyatt.


Wat er veranderde — en wat hetzelfde bleef

Vroeger kwamen woorden uit Bargoens, dialect en straattaal.  

Nu komen ze uit TikTok, memes en kleine online communities.

Vroeger duurde het jaren voordat een woord populair werd.  

Nu gaat het sneller dan je “algorithm” kunt zeggen.

Vroeger bleven woorden lang hangen.  

Nu is een term soms al passé voordat jij hem hebt leren uitspreken.

Vroeger waren woorden beschrijvend.  

Nu zijn ze vaak ironisch, absurd of bewust nonsens.

Vroeger kwamen ze uit subculturen zoals hippies en punks.  

Nu ontstaan ze in groepjes op TikTok en Discord.

Kortom: de bron verandert, de snelheid verandert, maar het principe blijft hetzelfde. Jongeren willen zich onderscheiden — en taal is hun favoriete speeltuin.


Waarom jeugdtaal belangrijk is

Wij kunnen het soms maar raar vinden, maar jeugdtaal heeft wél degelijk een functie.


1. Het creëert groepsgevoel.  Woorden als slay, duhhh, boeiuh of six seven zijn eigenlijk geheime wachtwoorden.  Je hoort erbij — of niet.

2. Het vernieuwt de taal. Denk aan cool, chill, vet, gaaf. Ooit jeugdtaal, nu doodnormaal.

3. Het stimuleert creativiteit. Jongeren vervormen woorden, lenen woorden, maken ironische of absurde termen. Soms is het bijna kunst.

4. Het weerspiegelt de tijdgeest. Ben je stoer? Sigma. Vind je jezelf grappig? Skibidi. Voel je je nonchalant? Bro.

5. Het is goud voor taalonderzoek. Taalwetenschappers smullen ervan. Het laat zien hoe cultuur en groepen zich ontwikkelen.


Waarom volwassenen beter voorzichtig kunnen zijn met jeugdtaal

Het is niet verboden — maar het voelt vaak onnatuurlijk, geforceerd of ronduit cringe.  En dat is logisch.

Jeugdtaal werkt alleen als volwassenen het níét gebruiken. 

Het is bedoeld om grenzen te trekken tussen "wij” (jongeren) en “zij” (ouders, leraren, iedereen boven de 25)

Als wij het gaan gebruiken, is de magie weg.  En dan verzinnen ze gewoon weer iets nieuws.  Waarschijnlijk iets als “104” (OneOFour) of “blieptastisch”.  Je weet het nooit.

En ach… als ik het straks allemaal weer niet meer begrijp, dan roep ik gewoon vrolijk “67!” en hoop ik dat niemand doorheeft dat ik het alweer kwijt ben.

Blijf zacht,.......Wajoooooo!




Een aubade bij het krieken van de dag

Nou daar zat ik dan met mijn goede gedrag, 's Morgens om half zes. Het was nog stikkedonker buiten. Maar omdat ik gisteravond vroeg naar bed ben gegaan vond Fred dat hij recht had om vroeg op te staan. Na een half uur laten zeuren ben ik er maar uit gegaan en heb hem zijn zin gegeven. De buren zijn anders op zondagochtend ook niet blij met hem als buurkat. Maar eigenlijk moet ik hem dankbaar zijn. Ik had anders het prachtige vogelconcert vanmorgen niet gehoord. Het is de merelman die doorgaans vroeg uit de veren is en dan aan z’n zangkunsten begint. 

Alsof hij vanmorgen speciaal voor mij zong. Waarschijnlijk niet, maar laat me die illusie.

Zijn heldere, melodieuze zang vulde de stilte. En hoewel ik het nog erg koud vond ging ik even in de tuin op het bankje zitten. Even luisteren, ogen dicht en genieten. 

Het mannetje zingt om zijn territorium te claimen en indruk te maken op potentiële partners, elk met een eigen melodie. Vanaf de dakrand begroet hij de dag met een lied dat nooit verveelt.

Van schuwe bosvogel tot stadspoëet

Het is eigenlijk best bijzonder dat we de merel zo dichtbij horen. Tweehonderd jaar geleden was het een schuwe bosbewoner die je zelden zag. Langzaam maar zeker trokken merels richting dorpen en steden, waar ze het verrassend goed bleken te doen.  

Er ontstonden zelfs twee ‘types’:  

*De bosmerel, traditioneel, rustig, begint pas in april aan een gezin.  

*De stadsmerel, moderne multitasker, broedt al in maart en heeft een druk sociaal leven dankzij straatafval, voedertafels en bessenstruiken.

In de stad is het bovendien warmer en lichter in de winter, dus veel stadsmerels blijven gewoon in Nederland. Hun voorjaarshormonen schieten eerder in de startblokken, en ze zingen ook vroeger. Logisch: in het bos hoeft niemand wakker gezongen te worden.

Waarom de ochtend het beste concertmoment is

Wist je dat de vroege ochtend technisch gezien het perfecte moment is voor vogelzang? De lucht is vochtig, de wind ligt stil en het geluid draagt verder. Ideaal voor een merel die indruk wil maken.  

Naarmate de ochtend vordert, sluiten steeds meer soorten aan tot het koor rond zonsopgang zijn hoogtepunt bereikt. Een gratis concert waar geen boybandje tegenop kan.

Ik had het allemaal gemist als Fred niet zo’n dramviool was geweest. Maar goed, het concert is voorbij en mijn ogen hangen inmiddels op halfzeven. Tijd om in beweging te komen. Eerst wat rommeltjes opruimen en de kamerplanten water geven — die snakken zo langzamerhand naar een beetje vocht aan de voeten.   

En dan?  

Dan is er koffie!


Blijf zacht, óók 's morgens om half zes.




Wanneer mijn brein besluit om even op vakantie te gaan

Zo. Vanmorgen had ik mezelf er eens goed voor neergezet. Klaar om een lekker stukje te schrijven. Laptop op schoot, notebook open, koffie binnen handbereik… en toen gebeurde het........

Heel langzaam, bijna dramatisch, trok hij op. Vanuit de diepste krochten van mijn wezen sloop hij naar boven, hersenmist. Of, zoals de hippe mensen het noemen: brain fog.

Met je hoofd “in de mist” zitten

We kennen het allemaal wel: je gedachten lijken stroop, concentreren lukt voor geen meter en woorden vinden voelt alsof je een potje Scrabble speelt maar dan zonder letters. Dat fenomeen heet dus brain fog. Geen officiële diagnose, maar het kan je dag wel behoorlijk saboteren.

In mijn geval verandert het me in een soort stand-by versie van mezelf. Slapen of wezenloos voor me uit staren — dat zijn dan ongeveer de enige twee opties.

Hoe voelt hersenmist eigenlijk?

Hersenmist staat voor mentale wazigheid en verminderde helderheid. Mensen ervaren vaak:

- moeite met concentratie  

- vergeetachtigheid of woorden niet kunnen vinden  

- traag denkvermogen  

- een verward of “afwezig” gevoel  

- snelle overprikkeling, vooral bij multitasken  

Het voelt alsof er een dikke sluier over je gedachten ligt, waardoor alles net wat meer moeite kost. Alsof je brein zegt: “Vandaag even niet, succes ermee.”

Wanneer is het normaal — en wanneer niet?

Een keer hersenmist na een korte nacht, drukke week of stress? Helemaal normaal. Meestal trekt het weg zodra je weer rust pakt.

Maar blijft het langer hangen of belemmert het je dagelijks leven, dan kan er meer aan de hand zijn. Denk aan chronische aandoeningen zoals fibromyalgie, CVS, schildklierproblemen, diabetes of neurologische ziekten zoals MS of dementie.

Bij mij is het de fibromyalgie die af en toe besluit mijn brein in te pakken in een dikke grijze wolk. “Lekker warm,” denkt die mist waarschijnlijk. “Maar denken? Nee hoor, dat doen we vandaag niet.”

Een simpele vraag als “Wat eten we vandaag?” verandert dan in een wiskundig vraagstuk waar zelfs Einstein zijn wenkbrauwen bij zou optrekken.

De enige oplossing: dekentje, dutje, reset

Wat rest mij dan? Juist. Onder een dekentje kruipen en de ogen sluiten. Niet permanent — dat gaat me wat ver — maar gewoon even herstarten.

Manlief legt dan een kussen neer, pakt een deken en zegt:  

“Hier, ga jij je brein maar even resetten.”

En wonder boven wonder: na zo'n energiedutje ben ik weer redelijk opgeknapt. Hersengewijs dan. Genoeg om dit stukje te schrijven én tegelijkertijd met manlief te kletsen. Multitasken! Kijk mij eens gaan.

Soms is hersenmist lastig, verwarrend en vaak ronduit irritant. Maar met een beetje rust, een warm dekentje en een dutje op standje coma-light kom ik een heel eind.

En nu maar hopen dat mijn brein dit stukje morgen nog herkent. Zo niet, dan lees ik het gewoon opnieuw — verrassing gegarandeerd.

Blijf zacht




Wanneer je brein besluit dat bezoek een extreme sport is.

Dat ik overprikkeld raak van op visite gaan of visite krijgen… tja, dat is inmiddels net zo’n vast gegeven als dat katten altijd nét gaan liggen op de plek waar jij wilt zitten. Ik weet het. Mijn omgeving weet het. De buren waarschijnlijk ook. Na zo’n dag moet ik sowieso een etmaal horizontaal om weer een beetje mens te worden.

Maar soms… soms is er zo’n bezoekdag die ’s nachts nog een afterparty organiseert in mijn hoofd. Dan komen alle spoken van vroeger even langs om te vragen hoe het met me gaat. Gevolg: ik word al overprikkeld wakker. Nog vóór de katten beginnen te drammen of manlief iets heel normaals vraagt, staat mijn stressmeter al op rood. Op zulke dagen wil ik het liefst onder een steen kruipen en pas weer tevoorschijn komen als iemand roept dat het veilig is.

Mijn energie staat dan op een pitje dat zo laag is dat zelfs een waxinelichtje jaloers zou worden. De vaat doen? Te veel. Een mini-boodschapje? Te veel. Zitten? Ook al bijna te veel. Ik zou dolgraag naar buiten willen, de zon in, maar zelfs dat voelt alsof ik eerst een vergunning moet aanvragen bij mijn eigen brein.

En toch vraag ik me elke keer weer af: "waarom gebeurt dit?" Wat kan ik doen zodat het niet meer gebeurt? Want eerlijk is eerlijk: soms word ik op de meest onverwachte momenten onderuit gehaald door herinneringen waarvan ik dacht dat ik ze allang had uitgezwaaid.

We maken allemaal pijnlijke dingen mee in het leven. Momenten waarop we onszelf tegenkomen, struikelen, opstaan, en soms weer struikelen. En ja, dat biedt kansen voor groei — maar niemand zegt erbij dat die groei soms voelt als een cursus “emotioneel gewichtheffen voor gevorderden”.

Eleanor Roosevelt zei het mooi:  

“Mensen groeien door ervaring wanneer ze het leven eerlijk en moedig tegemoet treden. Zo wordt karakter gevormd.” 

Prachtig. Maar wat als je rationeel allang klaar bent met het verleden, en het toch voelt alsof er nog onzichtbare koorden aan je trekken?

Ik leer steeds meer dat vergeven — mezelf én anderen — geen luxe is, maar een noodzaak. Want pijnlijke gebeurtenissen die ik blijkbaar nog niet helemaal heb losgelaten, tikken me soms zomaar uit balans. Zodra verdriet uit het verleden aanklopt, vlucht ik vaak mijn hoofd in. Daar ga ik dan: analyseren, herkauwen, waarom-vragen stellen waar geen mens ooit een sluitend antwoord op krijgt.

En dat helpt dus… niet. Het houdt me alleen maar vast in een verhaal dat allang geen nieuw hoofdstuk meer verdient.

Ik weet dat ik het mag loslaten. Dat ik niet meer hoef mee te spelen in een toneelstuk waarvan het doek allang gevallen is. Ik mag vanaf de zijlijn toekijken, zonder schuld, zonder strijd.

En het einde?

Misschien is dit wel de les: soms is groei niet stoer, niet moedig, niet elegant. Soms is groei gewoon erkennen dat je overprikkeld bent, dat je even niets kunt, en dat dat oké is.  

Karakter wordt niet alleen gevormd door dapper het leven tegemoet te treden, maar ook door zacht te zijn voor jezelf wanneer je hoofd even besluit dat het genoeg is geweest.

En morgen… morgen zien we wel weer verder.

Blijf zacht voor jezelf




Sproetje

 Er komt regelmatig een kater in onze tuin. Rood tabby met wit, alsof iemand een tijger in de was heeft gedaan en hij er nét iets te klein weer uitkwam. Sproetje heet hij. Hij woont een paar deuren verderop en loopt rond met de zelfverzekerdheid van een dorpsbewoner die iedereen kent én overal gratis koffie krijgt. Drieënhalf jaar, in de kracht van zijn leven, met een kop zo rond als een bowlingbal en minstens zo hard.

Sproetje komt vooral voor Hannah. Onze keurige, nette, altijd-binnen-de-lijntjes-kleurende Hannah. Zodra hij in de buurt is, steekt zij haar pootje door het gaas van de kattenren alsof ze een geheime handdruk uitvoeren. Hij flijt ertegenaan, zij doet een verlegen trilling met haar snorharen—het is bijna romantisch, maar dan op kattenniveau.

Fred en Nico, onze twee stoere kerels, vonden het in het begin allemaal prima. Sproetje was nog jong, nog wat slungelig, en dus volgens hen geen enkel gevaar. Bovendien is hij een ‘je-weet-wel-kater’, dus qua voortplantingsdrang is hij zo onschadelijk als een zak rijst. Hannah is trouwens óók geholpen, maar dat detail lijkt volledig langs Fred en Nico heen te zijn gegaan. Biologieles was blijkbaar optioneel.

De transformatie van Sproetje  

Maar ja, kleine katertjes worden groot. En Sproetje is inmiddels uitgegroeid tot een gespierde, behendige, zelfverzekerde tuinmarinier. Hij banjert door onze tuin alsof hij een inspectieronde doet. En ergens in die ontwikkeling hebben Fred en Nico besloten: 'Ho eens even. Dit gaat te ver. Hij blijft met z’n poten van ons meisje af!'

De Schutting-Showdown  

Gisteren zat Sproetje op de schutting, waarschijnlijk in de hoop op een romantisch moment met Hannah. Maar Nico had hem door. Met de elegantie van een ninja en de subtiliteit van een baksteen gaf hij Sproetje een mep. Niet hard, maar wel effectief. Sproetje kukelde de tuin van de buren in en rende vervolgens als een rode streep richting zijn eigen huis. Zijn trots gekrenkt, zijn ego gedeukt, zijn imago tijdelijk in de war. De rest van de dag zagen we hem niet meer.

De Wederopstanding  

Maar vanmorgen… daar was hij weer. Groter. Stoerder. Flinker. Alsof hij de hele nacht Rocky-films had gekeken. Hij ging pontificaal in het midden van de tuin zitten, precies op de plek waar je alleen gaat zitten als je een punt wilt maken. Zijn houding zei: "Probeer me hier maar eens weg te krijgen, jongens."

Fred liep langs hem heen, keek hem één keer aan en zette vervolgens zijn grote negeerhoed op. Hij wilde gewoon naar binnen voor zijn ochtendslaapje. Prioriteiten, hè.

Een onverwachte wending  

Tien minuten later kwam Nico de tuin in. Hij zag Sproetje. Stopte halverwege zijn stap. Zijn ene pootje bleef even in de lucht hangen, alsof hij een dramatische pauze inlaste. En toen… ging hij naast Sproetje zitten. Gewoon. Alsof ze al jaren samen op dezelfde middelbare school hadden gezeten en nu toevallig weer eens bijpraatten.

Ze keken elkaar even aan. Geen gegrom, geen gesis, geen machogedrag. Daarna liep Nico richting de deur van de ren, duidelijk met het idee: "Ik ga naar binnen. Doe ermee wat je wilt."  

Sproetje keek hem na, stond op, en wandelde vervolgens doodleuk de tuin weer uit.

Wie won er nou eigenlijk?  

Ik stond erbij en dacht: wie heeft hier nu gewonnen?

- Sproetje, omdat hij zonder confrontatie gewoon weer midden in de tuin zat?  

- Of Fred en Nico, die blijkbaar een gezamenlijke strategie hebben ontwikkeld: de Grote Negeertruc?

Misschien was het geen strijd, maar een diplomatiek overleg. Misschien hebben ze een wapenstilstand gesloten. Misschien is dit het begin van een kattenversie van Burenruzies & Bemiddeling.

En misschien—heel misschien—komt Sproetje morgen gewoon weer terug voor zijn dagelijkse portie Hannah.

Wat denk jij: is dit een beginnende vriendschap, een strategische wapenstilstand, of gewoon pure kattenlogica?


Blijf zacht,...miauw.