Wanneer je Doesburg binnenrijdt, zie je ze meteen staan. Twee statige, elegante treurbeuken die je bijna lijken te begroeten. Voor iemand zoals ik — lijdend aan een milde vorm van dendrofilie (haha) — is dat meteen feest. Ik hou van bomen die alle ruimte krijgen om hun volle glorie te laten zien. Zoals zo’n kastanje midden in een weiland, of een zomereik die fier in zijn eentje staat te wezen. Bomen die niet hoeven vechten om licht, maar gewoon… boom mogen zijn.
Waarom bomen mij blijven fascineren
Bomen zijn kleine wondertjes. Ze ademen onze rommel in en geven er zuurstof voor terug. Ze filteren fijnstof, nemen gassen op, houden de aarde koel in de zomer en warm in de winter. Ze dempen temperatuurextremen alsof het niets is. En dan heb ik het nog niet eens over de complete ecosystemen die ze vormen: vogels, insecten, kleine zoogdieren, planten, schimmels — allemaal wonen ze in, op of onder een boom.
Sommige bomen worden zelfs duizenden jaren oud. De bristlecone-den Methuselah was lang de oudste bekende individuele boom ter wereld: 4.845 jaar. Een respectabele leeftijd, zou je zeggen, tot zijn oudere broer opdook — 5.062 jaar oud! Beide staan in de White Mountains van Californië, op een geheime locatie. (Dat dat tegenwoordig nodig is, hè. Je verzint het niet.)
En dan is er nog die Noorse spar in Zweden, waarvan het wortelsysteem naar schatting 9.550 jaar oud is. En wij mensen? Wij weten dat soort dingen in no-time te verprutsen!
Oeh, ik voel boosheid opkomen. Adem in, adem uit, Margot…
Terug naar Doesburg
Onze treurbeuken dus. Ze worden regelmatig gecontroleerd op vitaliteit en kwaliteit — er zijn zelfs vrijwilligers voor opgeleid. Kappen is uit den boze, tenzij het écht niet anders kan. Zoals bij de dikste beuk van Nederland, die ooit op de Algemene Begraafplaats van Doesburg stond. Een stamomtrek van 8,20 meter, een leeftijd van minstens 178 jaar (maar waarschijnlijk ouder), en uiteindelijk toch geveld door reuzenzwammen en tonderzwammen. Van het hout zijn bankjes gemaakt. Tja… ook wat voor te zeggen. Af en toe wil een mens even zitten.
Wat die bomen allemaal gezien hebben
Ik kan er niet omheen te denken wat die treurbeuken allemaal hebben meegemaakt. Doesburg was eeuwenlang een handelsstad. Soldaten liepen er rond — van 1607 tot 1945 was er permanent een garnizoen binnen de wallen. Misschien hebben ze onder de bomen gezeten, schuilend voor zon of regen.
Van 1881 tot 1957 tufte er een stoomtram langs. Oorlogen kwamen en gingen. Mensen maakten ruzie en legden het weer bij. Verliefde stelletjes ontmoetten elkaar misschien wel onder de takken. De bomen stonden erbij en keken ernaar.
Thuiskomen
Misschien ken je dat gevoel: je bent een tijdje weg geweest, en zodra je een herkenningspunt ziet denk je ah… thuis.
Dat heb ik met deze bomen. Niet eens zozeer met het silhouet van Doesburg in de verte (oké, ook een beetje), maar vooral met die twee treurbeuken. Soms is thuiskomen niet een plek, maar twee bomen die denken: “Daar heb je haar ook weer."
~~Vrije vertaling van het gedicht Root Words van F. McClatchey
Ze zeggen dat bomen het voelen wanneer je loopt.
Hun schimmeldraden trillen als je voet
de aarde doet dreunen. Ze overwegen je. Een dreiging? Ze praten
over je, sturen suiker door hun wortels,
uitend in suiker-taal, een grammatica dik
als honing, waarin elk woord een wortelwoord is
en een week kost om te zeggen. Een zin sijpelt
over maanden. Gesprekken glijden in lome
eeuwen. Lang nadat jij gestorven bent,
discussiëren ze nog steeds over je. Ze herinneren zich
het patroon van je voeten, de zaailingen die knapten
onder je tred, hoe weinig verschil je maakte.
Je naam dooft het eerst in menselijke kringen.
Bomen houden hem nog even vast. En dan verstuift hij.~~
Blijf zacht, ruisen in de wind






















