Wie bewaart, die heeft wat… maar wat precies?
In een mensenleven verzamel je een hoop zooi. Echt een hoop. En op een dag word je wakker en denk je: nu is het genoeg — tijd voor de Grote Opruim.
Voor de kwalificatie hoarder komen we niet in aanmerking; daar zijn we veel te goed in weggooien voor. Maar bewaren? Dáár zijn we nog beter in. En eerlijk is eerlijk: van een vreemde hebben we het niet.
Als kind keek ik al naar de verzamelingen van mijn ouders. Mijn vader had een kast vol doosjes en blikjes met punaises, gummetjes, puntenslijpers, oude potloden en allerlei kleinnoodjes uit de natuur. Mijn moeder had bakjes en blikjes vol fournituren en dozen met lapjes stof. Mijn schoonouders konden er ook wat van. De staat van onze schuur zou voor manliefs vader geen verrassing zijn geweest — zijn schuur zag er 99,9% van de tijd precies zo uit. En mijn schoonmoeder had net als mijn moeder stapels stofjes en fournituren waar nooit iets mee gedaan werd.
De afgelopen dagen zijn we dus stukje bij beetje door het huis gegaan. Vooral de schuur voelde als een archeologische opgraving: lagen sediment van spullen die ooit vast heel nuttig waren. Onze oude bank stond er nog — in onderdelen — bovenop een berg andere troep. Manlief heeft inmiddels al een lading naar de milieustraat gebracht. Held.
Ikzelf ben, uiteraard om hem niet in de weg te lopen, begonnen met de kelderkast. Ook daar had zich een indrukwekkende hoeveelheid rommel verzameld.
We maakten drie stapels:
vuilnis (kapotte bloempotten, vazen en andere ellende), vanalles voor de kringloop en een klein (nou ja… klein?) stapeltje met spullen die mochten blijven.
De tussenstand: 23 bloempotten voor de kringloop, 10 voor de vuilnis en nog steeds zo’n 20 die mogen blijven. Blijkbaar had ik ooit grootse plannen met kamerplanten. Het doel is nog steeds om ooit weer een huis vol gezonde planten te hebben. Alleen… dit huis werkt niet altijd mee. En de katten al helemaal niet. Vooral Hannah vindt dat bladeren bedoeld zijn om in te bijten. Mijn Spathiphyllum en Scindapsus zien eruit alsof ze een zware stapnacht achter de rug hebben.
Vandaag was de zolder aan de beurt. Vorig jaar hadden we die al bijna leeg gemaakt, want we komen er allebei niet zo makkelijk meer. Toch verdwijnen er steeds weer dingen naartoe onder het motto: “Wie weet wanneer we dat nog eens nodig hebben.” Nou, ik kan je vertellen: nooit. Weg ermee.
Ik vond twee tassen vol boeken over schilderen en tekenen. Leuk, maar ik gebruik ze nooit. Een bak vol kabels en laders waarvan niemand weet waar ze precies voor zijn. Het enige dat we zeker weten: we hebben er de afgelopen jaren niets uit gebruikt. Aan een haakje hing een hele bos oude sleutelhangers, maar die mogen niet weg van manlief. Jeugdsentiment, zegt hij. En ik snap het — maar alles wat we al een jaar (of jaren) niet gezien of gebruikt hebben, wil ik graag wegdoen. Het scheelt tenslotte een hoop schoonmaken, sjouwen en ergernis. Maar goed, ik ben de kwaadste niet — de sleutelhangers mogen blijven. Ze nemen tenslotte minder ruimte in dan zijn sentiment.
Ons huis moet praktischer en handelbaarder worden, zonder dat het zijn ziel verliest. Het mag best laten zien wie hier wonen en waar we van houden — maar dan graag zonder dat we eerst door een hindernisbaan van vergeten spullen moeten klauteren.
Blijf zacht


Geen opmerkingen:
Een reactie posten
Laat hier een berichtje achter: