Mijn guilty pleasure: De Bondgenoten (ja, ik geef het toe)



Ik ga het maar gewoon bekennen: ik heb een guilty pleasure.  
Elke dag — echt élke dag — kijk ik naar *De Bondgenoten*.  

Voor wie het niet kent (of doet alsof): zestien mensen worden in een luxe loods gegooid, verdeeld in vier teams met kleuren en dieren alsof iemand bij de brainstorm dacht: *“Hoe maken we dit zo kinderfeestje-achtig mogelijk?”*  

We hebben de vossen (rood), de slangen (groen), de gieren (wit) en de haaien (blauw).  

Ze strijden om een goede uitgangspositie, waarna een knock-outsysteem bepaalt wie er na een maand met €100.000 naar huis gaat. Slechts één persoon wint. Eén.  

Dus dat hele “één voor allen” verandert binnen een week in “allen voor mijzelf, bedankt en tot ziens”.

En alsof dat nog niet genoeg drama is, moet er ook elke maand iemand vertrekken uit het slechtst presterende team. Met lege handen. *Dag hoor.*

Maar ik kijk dus niet voor het spel. Echt niet.

Ik kijk ook niet voor de deelnemers.  

Of voor de loods.  

Of voor de challenges.  


Nee, ik kijk voor het psychologische spel.  Want dát is pas entertainment.

In het begin zie je precies wat er gebeurt als je zestien mensen 24/7 bij elkaar opsluit:  

- Mensen die elkaar buiten niet eens een kopje suiker zouden lenen, worden ineens BFF’s.  

- Anderen gunnen elkaar het licht in de ogen niet.  

- En zodra het te gezellig wordt, gooit de regie een knuppel in het hoenderhok.  

  *“Oh, jullie hadden net vrede? Wacht even, hier is een twist.”*


De vaste rollen in de loods


Je kunt er bijna bingo van maken:


- Er is altijd iemand die gepest wordt.  

- En altijd iemand die het opneemt voor de gepeste.  

- Er is een leider.  

- En er zijn volgers die zichzelf liever in een hoekje vouwen dan een mening te uiten.  

- Je hebt de tactische masterminds.  

- En de spontane flapuiten die zonder nadenken iets roepen waardoor de hele groep ontploft.  

- Er zijn fysiek sterke deelnemers, mentaal sterke deelnemers, en mensen die denken dat ze beide zijn maar vooral heel hard overschatten.  

- En dan heb je de verrassingen: de stille muis die ineens een challenge wint alsof ze al jaren in het geheim trainen.

Kortom: het is een psychologisch pretpark.

Wat het nóg leuker maakt? - de kijkers

De reacties op social media. Mensen vormen keiharde meningen op basis van drie kwartier televisie per dag.  Drie kwartier.  Terwijl die bewoners 24 uur per dag met elkaar opgescheept zitten.  De regie knipt, plakt, filtert en serveert ons alleen de sappigste momenten.  Maar toch weten sommige kijkers *precies* wie “vals”, “nep”, “manipulatief”, “dom”, “heilig”, “slachtoffer” of “held” is.  Op basis van… ja, drie kwartier juicy tv.

Het blijft me verbazen.

Waarom ik blijf kijken?

Omdat het een soort mini-maatschappij is.  Een menselijk laboratorium.  Een spiegel die laat zien hoe verschillend we zijn — en hoe voorspelbaar soms ook.  

Om even eerlijk te zijn,  

Het is heerlijk om vanaf de bank te analyseren hoe iedereen zich gedraagt, terwijl ik zelf waarschijnlijk na drie dagen in een hoekje zou zitten te huilen met een dekentje en een zak chips.


Blijf zacht, ook voor mij.

Omaaaaa, we’ve got Google

“Ik kwam dit stukje dat ik vorig jaar schreef weer tegen en dacht: 
dat moet ik nog even met jullie delen.”


Logeren in Generatiekloofland: een weekend met onze puberkleinzoon.

Laat ik beginnen met een waarschuwing: wie denkt dat logeren met een bijna-twaalfjarige altijd “gezellig” betekent, heeft waarschijnlijk nog nooit een bijna-twaalfjarige over de vloer gehad. 

Wij wel. Drie dagen lang. En hoewel we zielsveel van hem houden — echt waar — ontdekten we opnieuw dat er tussen onze wereld en die van hem een kloof gaapt waar je met gemak een intercity in kwijt kunt.

Wij wonen in een van de rustigste wijken van ons toch al serene stadje. Zo rustig dat onze kleinzoon bij aankomst verzuchtte:  “Nou hè hè, ik zag eindelijk een fietser door de straat.” Dat zegt dus echt álles.

De strijd tussen energie en… tja, leeftijd

We weten dat we hem bezig moeten houden. Alleen is onze energie beperkt en zijn interesses… hoe zal ik het zeggen… buitenaards. Dus hing hij op de bank, telefoon in de hand, kijkend naar filmpjes die voor ons net zo begrijpelijk zijn als een werkbouwkundige handleiding in het Mandarijn. En dan die spelletjes — ik vermoed dat zelfs computerexperts niet weten wat daar gebeurt.

Hij houdt van auto’s. En niet zo’n beetje ook. Hij weet er meer van dan wij ooit zullen weten. Wij weten vooral hoe je er eentje start en van A naar B rijdt.

Buiten is hij veeleisend. Door de stad lopen betekent volgens hem automatisch recht op een cadeautje. Of op z’n minst iets te snoepen. Lopen zelf is al een straf. Zijn liefde voor auto’s is dus niet geheel toevallig.

Musea? Saai.  

Speeltuin? Kinderachtig.  

Dingen die wij leuk vinden? Schouders ophalen.

Creatieve oplossingen (die hij niet ziet zitten)

“Oma, ik verveel me.”  

“Ga de buurt verkennen.” — Geen zin. 

“Lees een boek of een Donald Duck.” — Nehh.  

“Maak een tekening.” — Schouders ophalen. 

“Zal ik een kleurboek voor volwassenen pakken? Dan kleuren we samen.” — Grijns. Rare oma.

Uiteindelijk opperde ik:  

**“Ga lekker in de tuin zitten en voor je uit staren.”**  

Dat heeft namelijk een doel. Alleen begrijpt hij dat nog niet. (En dat is oké. Dat komt later. Hoop ik.)

Lego dan? Nee. De set is niet compleet. En fantasie heeft hij niet nodig, zegt hij.  

“Omaaaaaa, we’ve got Google.” ~Zucht.~ Grijns.

De redding: auto’s, natuurlijk

Manlief nam hem mee naar een autobedrijf vol dure bolides.  

Dát was een gouden zet. Meneer straalde. Eindelijk iets dat wél binnen zijn interessegebied viel.

Maar eerlijk is eerlijk: het was veel. En zwaar. Tenminste, ík vond het zwaar. Manlief leek het iets makkelijker af te gaan, ondanks het feit dat hij nog herstellende is van een flinke Ménière‑aanval. —Respect.

Het leeftijdsverschil voelt soms als een diepe ravijn. Hij begrijpt ons niet, wij hem niet. En dat is oké. Maar vermoeiend is het wel.

Tot slot: even bijkomen

Nu zitten we hier, in alle rust, samen bij te komen. De volgende logeerpartij mag even wachten. Niet omdat we hem niet leuk vinden — integendeel — maar omdat generatiekloofreizen nu eenmaal hersteltijd vereisen. Wie weet… misschien leert hij ooit dat gewoon zitten en om je heen kijken je hersenen stimuleert. Dat nietsdoen soms het beste is wat je kunt doen.  

Waarom pubers doen wat ze doen (in het kort)

Voor wie zich afvraagt waarom een bijna‑twaalfjarige soms zucht alsof hij een fulltime baan heeft: het ligt niet aan jou. Het ligt aan zijn brein. Dat is namelijk druk bezig met een complete verbouwing — terwijl hij het nog gewoon moet gebruiken. De afdeling nadenken, plannen en logisch doen is nog in de steigers, maar de emotie- en prikkelzoekmachine draait al op volle toeren.

Daarom is TikTok geweldig, auto’s fantastisch, en een museum… nou ja… meh. En waarom hij zegt dat hij geen fantasie heeft? Dat heeft hij wél, maar Google is sneller en kost minder moeite.

Kortom: het is geen onwil, het is biologie. En soms ook gewoon pure puber-poëzie.


Blijf zacht, ook als je elkaar niet meer zo goed begrijpt