Tussen glimlach en kruimel (Deel 2)

 Ik en Mijn 206 Botten (We Doen Ons Best)

Blijf zacht in je lijf dat soms weigert


Soms ben ik verdrietig om alles wat ik niet (meer) kan. Niet elke dag hoor — meestal red ik me prima. Maar soms… ja, soms. Dan zit ik te klooien met een pot pindakaas alsof ik auditie doe voor een slapstickfilm. Deksels die vroeger gewoon plop deden, zitten nu vast alsof ze met industriële lijm zijn dichtgelast. Zonder hulpmiddel krijg ik ze niet meer open. En dan voel ik me even zo’n soort tragikomische superheld: De Vrouw Die Een Pot Niet Open Kreeg.

En dan zijn er die dagen — soms weken — dat ik geen potlood of penseel aanraak. Niet omdat ik geen zin heb, maar omdat mijn lijf besluit dat creativiteit vandaag even niet aan de orde is. Mijn handen willen wel, maar de rest van mijn lichaam is dan druk bezig met een soort permanente, onvrijwillige ademhalingscursus. Hyperventileren zonder dat ik het doorheb. En van dat gepuf krijg ik dan weer hoofdpijn. Het is een soort kettingreactie, maar dan zonder de glamour.

Er zijn ook dagen dat ik zo moe ben dat ik nauwelijks van de bank af kom. Mensen die mij kennen, zien mij als die altijd vrolijke, goedlachse vrouw die het leven niet al te serieus neemt. Maar de drie mensen die mij écht kennen — en dat zijn er inderdaad maar drie — weten dat er achter die lach soms pijn en verdriet schuilgaat.

Maar ik laat het niet mijn leven bepalen. Iedereen heeft wel iets dat niet zo lekker loopt. Maar als ik de hele dag “ach en wee” ga roepen, dan wordt mijn leven vanzelf één groot klaaglied. En wat blijft er dan nog over…? Precies. Niets waar je blij van wordt.

Dus ik kies — bewust — voor vrolijkheid, liefde, licht en geluk. Want ja, mijn lijf doet soms dingen die ik niet wil. Maar het doet óók nog heel veel dingen wél.

Ik heb, net als jij waarschijnlijk, 206 botten. Die houden me overeind, beschermen mijn 19 organen (negentien! Ik vind dat veel) en zorgen ervoor dat ik kan bewegen. In die botten zit beenmerg dat bloedcellen maakt. En dat bloed — zo’n vijf liter — vervoert zuurstof, voeding en afvalstoffen alsof het een hyperactieve postbode is die nooit koffie pauze neemt.

En dan mijn brein. Mijn interne supercomputer. Geen enkele mainframe kan daar tegenop. Zonder dat ding… nou ja, dan wordt het lastig.

En spieren! Het hart natuurlijk als belangrijkste. Als die ermee stopt, klopt er letterlijk niets meer. En dat alles wordt bij elkaar gehouden door mijn huid — het grootste orgaan dat ik bezit. Dat is toch eigenlijk een wonder.

Dus ja, soms ben ik verdrietig of boos om wat niet meer lukt. Dat mag. Ik mag vloeken, huilen, schreeuwen en stampvoeten als een peuter die zijn koekje niet krijgt. Maar ik blijf er niet in hangen.

Dan zeg ik tegen mezelf:
Hup. Haar los. Kroontje recht. En doorrrrr.

Blijf zacht 

Tussen glimlach en kruimel (deel 1)

 Over het leven achter de glimlach en de kruimels


Van vergelijken word ik dus écht een beetje ongelukkig. Ik heb ontdekt dat vergelijken ongeveer net zo gezond is als ontbijtkoek eten vóór het sporten: je denkt dat het kan, maar je eindigt vooral met spijt… en maagzuur. Online lijkt iedereen een leven te hebben dat rechtstreeks uit een reclamefolder komt. Stralende gezichten, perfecte vakanties, kinderen die nooit schreeuwen en partners die altijd lachen.

En ik? Ik zit soms gewoon op de bank in mijn pyjama, met een kruimel in mijn decolleté en een kat op mijn toetsenbord.

Maar goed — achter die vrolijke plaatjes gaat vaak een heel ander verhaal schuil.

Neem nou mijzelf. Ik kan lachen alsof ik auditie doe voor een tandpastareclame, maar ondertussen worstel ik al jaren met pijn, vermoeidheid en overprikkeling. Ik lach… maar soms huil ik ook. Niet dramatisch in de regen, hoor. Gewoon in de badkamer, zoals normale mensen.

Of neem die man die trots zijn nieuwste bouwproject post. Mooie foto, stoere pose. Wat je niet ziet: dat hij diezelfde ochtend te horen kreeg dat zijn werk “niet goed genoeg” was. U kunt wel gaan, meneer. Maar hé, eerst nog even een foto voor de socials.

Of dat kind dat tussen de vrolijke TikTok‑filmpjes door met zijn handen op zijn oren in de kast zit. Papa en mama schreeuwen weer tegen elkaar. Maar online? Online is alles “superleuk!!!”.

En dan kijk ik naar mijn eigen leven. Mijn rommelige, soms pijnlijke, soms zo prachtige leven. En ik denk: dit is het. Dit is wat ik heb. En hiermee moet ik het beste zien te doen.

Ik mag verdriet hebben. Ik mag schreeuwen, stampen, vloeken als het moet. En ja, ik mag heus wel eens vergelijken — ik ben ook maar een mens. Maar ik probeer mezelf eraan te herinneren dat er meer maskers in omloop zijn dan er mensen op deze aardkloot rondlopen.

En dat helpt. Soms een beetje. Soms veel.

En soms helemaal niet. Maar dan heb ik in elk geval nog een kat die op mijn toetsenbord gaat liggen alsof hij de Oppermentor van mijn leven is.

Blijf zacht