Luister maar goed

 

Hoewel het gemis er altijd al is geweest, wordt het met de jaren wel erger. Ik wilde hem nog zo graag van alles vertellen… mijn vader… zijn mening horen, met hem discussiëren. Manlief aan hem voorstellen, hem vertellen hoe goed het met me gaat.

Vannacht kwam hij langs in een droom. Hij stond in zijn kamer, voorovergebogen over de grote tafel die in het midden stond. De kamer stond blauw van de rook, maar ik vond het niet erg. Het hoorde bij hem. Er lag een groot vel papier op tafel. Met een liniaal en een zwarte fineliner was hij zorgvuldig een streep aan het zetten, twee eerder gemaakte vakken met elkaar verbindend. Hij vertelde enthousiast over het allerkleinste knaagdiertje ter wereld, ergens — God mag weten waar. En dat hij ontdekt had dat het waarschijnlijk helemaal geen familie was van de allergrootste ter wereld. Hij wist het nog niet zeker… maar leuk was het wel. Met grote zorg schreef hij de naam van het diertje in één van de vakjes. In het Latijn, uiteraard. Tussen haakjes de Nederlandse naam eronder. Afgemaakt met zorgvuldig geplaatste golfjes eronder. Dat stond netjes. Ik wilde hem wat zeggen. Ik deed mijn mond open, maar hij hoorde me niet en ging verder.

Over een nieuw ontdekte stam ergens in een ondoordringbaar oerwoud. Hoe ze ontdekt waren en hoe ze leefden.

Weer wilde ik wat zeggen. Ik deed mijn mond open, maar hij hoorde me niet.

Hij ging verder over een schilderij dat ontdekt was bij een boer in Rusland. Dat dat schilderij miljoenen waard was. Hij had er een plaatje van gevonden. Hoe langer je ernaar keek, hoe meer je ontdekte. Hij vond het eigenlijk wel mooi.

Ik wilde hem er wat over zeggen, maar hij hoorde me niet. Ik stond op en wilde de kamer uit lopen. Op het moment dat ik bij de deur was, voelde ik zijn fragiele hand op mijn arm om me tegen te houden, maar toen ik mij omdraaide, staarde ik in een lege kamer.

Met een misselijk gevoel en pijn op mijn borst werd ik wakker.

Daarna zat ik hier aan de koffie, denkend aan hem en aan die droom, en aan het feit dat ik hem nooit meer iets zou kunnen vertellen.

Ineens kwam het besef dat ik dat best kan. In mijn hoofd. Misschien komt het ergens vanzelf wel over. Wie weet. 

Af en toe zal ik hem wat vertellen.


Dag Pa… ik hou van je.

Luister maar goed, dan hoor je me.

Blijf zacht, Margot

Elke generatie heeft een blinde vlek — ook de onze.

Toen wij nog zonder internet konden leven

Ik zie ze vaak langskomen: die stoere berichtjes en reels over hoe wij, generatie X, toch maar mooi alle ontberingen van vroeger hebben overleefd. En ja hoor, ik behoor er zelf ook toe. Wij hadden geen internet, geen mobieltjes, geen vriendjes met messen of andere ellende in hun broekzak. Wij speelden gewoon buiten. We kregen ruzie, maakten het weer goed, en haalden vriendjes thuis op — en als die niet thuis bleken te zijn, dan verzonnen we ter plekke wel een nieuw levensdoel. Verveling? Dat deden we met toewijding.

Er werd binnen gerookt, in de auto gerookt, en gordels waren meer een vrijblijvende suggestie dan een veiligheidsmaatregel. Had ik gedoe met een leerkracht, dan was de conclusie meestal simpel: eigen schuld, dikke bult. En toch… we leven nog.

De spiegel die we liever overslaan

Tegenwoordig lees ik minstens zo vaak hoe verdorven de jeugd van nu wel niet is. Ze vechten, schelden, zijn brutaal, stelen en wat al niet meer. Maar dan komt bij mij toch een oprechte vraag bovendrijven: wie heeft die kinderen eigenlijk opgevoed?  Als onze eigen jeugd zó geweldig was, waarom hebben we dat dan niet massaal doorgegeven?

En dan kom ik dit citaat tegen:

“De jeugd heeft tegenwoordig een sterke hang naar luxe, slechte manieren, minachting voor het gezag… Jonge mensen staan niet meer op als een oudere binnenkomt, spreken hun ouders tegen, houden niet hun mond in gezelschap en tiranniseren hun leraren.”

Socrates. Rond 400 voor Christus. Dus ja — de jeugd was toen óók al naar de knoppen. Gelukkig maar.

Iedere generatie haar eigen blinde vlek

Het lijkt erop dat oudere generaties altijd twijfelen aan de kwaliteiten van de jongere. Het is een soort traditie, net als gourmetten met kerst of klagen over het weer. Elke generatie heeft haar eigen blinde vlekken, maar ziet die van de ander haarscherp.

Mijn generatie groeide op in een wereld waarin gezinsvormen veranderden en de eerste technologische revoluties zich aandienden. Beide ouders waren vaker aan het werk of anderszins druk, waardoor zelfstandigheid bijna vanzelfsprekend werd. Werkzekerheid was minder stabiel dan voorheen; wij X’ers leerden al jong hoe je soepel schakelt tussen kansen en risico’s.

Misschien is dat wel de kern: iedere generatie doet het met de wereld die zij aantreft. En die wereld verandert sneller dan wij soms kunnen bijbenen.

Ik denk dat het tijd is dat we stoppen met wijzen, en beginnen met kijken. Écht kijken.

Wat zie jij als je écht naar de jeugd van nu kijkt?


Blijf zacht