Ik wist het al een tijdje: de buurvrouw gaat haar achtertuin aanpakken. Nieuwe terrassen, plantenbakken, alles strak en netjes. Gisteren ging het groen eruit, vandaag is het terras aan de beurt.
En natuurlijk wist ik óók wel dat daar een trilstamper bij komt kijken. Zo’n apparaat dat klinkt alsof iemand een kudde net beslagen paarden door een metalen container jaagt. Maar toch — ik was binnen drie minuten al overprikkeld.
Mijn eerste reactie: de radio aan.
Mijn tweede reactie, drie seconden later: de radio weer uit.
Blijkbaar dacht mijn brein dat herrie + herrie = rust. Wiskundig gezien een interessante poging, praktisch gezien een auditieve nachtmerrie.
Toen het lawaai eindelijk stopte, begon mijn lijf pas echt. Alles doet pijn. Mijn fibro-lijf is op zulke dagen net een dramatische diva die op de grond gaat liggen en gilt: “Ik kan echt niet werken onder deze omstandigheden! Ik wil zon! Wie heeft de warmte uitgezet?! Waar is mijn kleedkamer?!”
Nou ja, ze heeft een punt. Het frisse weer helpt ook niet. Mijn spieren verlangen naar zon en warmte alsof ze apart van mij geboren zijn op een tropisch eiland.
Ik wilde vandaag nog van alles doen — in huis, in de tuin, we zouden even weggaan. Maar mijn zenuwstelsel staat al uren in de aan-stand, mijn energie is gevlucht en mijn hoofd zit vol ideeën die nergens heen kunnen. Alsof er een hele vergadering in mijn hersenen plaatsvindt, maar niemand de notulen bijhoudt.
En dus zit ik hier op de bank. Pijn, moe, prikkelbaar, maar wel met uitzicht op een buurvrouw die straks een prachtig terras heeft.
Mijn dag ligt wonkie, maar haar tegels in elk geval niet.
Blijf zacht
(morgen is er weer een dag)
