Vieren wat blijft

Voor Pa, honderddrie vandaag,

Mijn vader werd geboren op 24 april 1923 en overleed op 29 april 1997. Vierenzeventig jaar oud — te jong, als je het mij vraagt.

Hij maakte het zichzelf — en ons — soms behoorlijk moeilijk. Maar hij was mijn vader: een man met een bijna angstaanjagende hoeveelheid kennis. Je hoefde hem maar íets te vragen en het antwoord lag al klaar. En als hij het toevallig niet wist, dan had hij ergens een boek, knipsel of vergeeld artikel liggen waar het in stond. Zijn geheugen was fotografisch; hij wist precies in welke kast, in welke stapel, op welke bladzijde.

En dat was een wonder, want hij bewaarde álles. Stapels National Geographic en soortgelijke tijdschriften, vaak half uit elkaar geknipt omdat er weer een (klein)kind een werkstuk moest maken. Of omdat hij zelf plaatjes van een vogelsoort in een map had geplakt. Latijnse naam, Nederlandse naam, keurig geschreven. En dan zo’n golfjeslijntje eronder — voor het net. Alsof iemand anders zou denken: “Nou, dit is wel erg slordig hoor.”

Mijn vader, ik mis hem nog vaak. Soms onverwacht, soms precies op de momenten dat ik hem hier naast me zou willen hebben. Wat had ik graag nog één keer met hem door de Fraterwaard gefietst. Of gewoon samen in de achtertuin gezeten, zwijgend tevreden. Ik had het hem — en mezelf — zo gegund. Maar het liep anders. Hij moest lang strijden tegen die rotziekte kanker. Moe gestreden verloor hij zijn gevecht, vijf dagen na zijn verjaardag.

Het prachtige boek over alle uilensoorten ter wereld dat ik hem cadeau gaf, heeft hij nooit kunnen inkijken. Hij was toen al te ziek. Jaren later gaf ik het in zijn nagedachtenis aan mijn oudste zus, de echte vogelaar van de familie. Bij haar ligt het beter. Net zoals het bij hem gelegen zou hebben.

Vlak voordat hij met pensioen zou gaan, kreeg hij de diagnose die alles verpestte. Hij had zóveel plannen. Alle kinderen de deur uit, zeeën van tijd, een jaarkaart van de NS al besteld. Hij wilde Nederland zien. Samen met mijn moeder. Lekker met z’n tweeën op pad, mooie herinneringen maken. Maar van dat alles kwam niets terecht.

In plaats daarvan lag hij — in mijn herinnering bijna van de ene op de andere dag — half uit elkaar op de IC in Utrecht. Er ging van alles mis. Hij moest bestraald worden, hij werd zwakker, wanhopiger, maar hield zich moedig staande.

Op een dag, de dag na mijn verjaardag, ging ik naar hem toe omdat hij niet meer naar mij kon komen. We hebben lang gepraat en gelachen. De dag erna schreef ik dit gedicht:


 Je lacht maar,  

 je bent verdrietig.  

 Ik zie wel door dat masker heen.  

 Je lacht maar,  

vaak zie je het niet meer zitten.  

 Ik lach met je mee,  

 dat houdt je, denk ik, op de been.  

 Je houdt je zó moedig.  

 Maar ik zie  

 je zou het het liefst willen uitschreeuwen.  

 Je lacht, terwijl ik weet dat  

 je liever zou huilen.  

***   

 Toe maar,  

 schreeuw maar,  

 huil maar.  

 Ik ben bij je.


Vandaag zou hij — als hij nog leefde — jarig zijn. Honderddrie jaar. Hatsjekidee!!

Straks halen we gebak en vieren we het leven.

En Pa… je bent van harte uitgenodigd. We zetten een stoel voor je klaar.


Blijf zacht