Strijken voor Gevorderden (of: waarom mijn brein alleen werkt met een strijkbout in de buurt)

 

Sommige mensen mediteren. Anderen doen yoga. Ik?  Ik strijk. Met een echte strijkbout. Op een echte strijkplank. In 2026.  Ik hoor je denken: “Wie doet dat nog?” Nou… ik dus. En met overtuiging.

Want ik heb geen wasdroger. Hier wappert de was nog ouderwets aan de lijn, alsof we in een charmante jaren‑’50 reclame wonen. En ja, dat is deels voor het milieu — ik ben tenslotte een verantwoord mens — maar vooral omdat zo’n droger energie slurpt alsof hij een all‑inclusive vakantie heeft gewonnen. En energie = geld. En geld = liever iets leuks dan een warme trommel lucht.

Maar goed, het strijken.  

Dat is mijn zen‑moment. Muziek aan, volume nét iets te hoog, en dan sta ik daar: al swingend aan de strijktafel. Even alleen ik, de muziek en een berg was die me passief‑agressief aanstaart.

Alleen… “je hoofd leeg maken” is een rare uitdrukking. Mijn hoofd wordt nooit leeg. Dat brein van mij draait altijd door, zelfs als ik denk dat ik zen ben. Terwijl ik sta te strijken, dans als een dronken olifant (ritmegevoel? Nooit gehad) en zing als een geschrokken kraai (geen talent, wel enthousiasme), komen de beste ideeën voorbij. Creatieve ingevingen, oplossingen voor problemen die ik niet eens heb, en soms zelfs een briljant plan voor de tuin.

Het is alsof mijn hersenen fluisteren:  “Ah, ze is afgeleid — snel, gooi er wat inspiratie tegenaan!”

En ik laat dat lekker gebeuren.  

Strijken is mijn goedkoopste vorm van therapie. Geen abonnement, geen app, geen coach die vraagt hoe dat voelt. Gewoon katoen, stoom en een beetje herrie.

Ondertussen ligt er alweer een stapel schone was klaar voor de strijkplank, maar ik wacht nog even. Ik heb net het rek volgehangen, en zodra dat droog is, heb ik een dubbele portie.

En dus ook een dubbele portie ik‑tijd.


Blijf zacht — in je was én in je hoofd.  (En ja, mijn was is écht zacht. Zelfs zonder wasverzachter. Milieudingetje.)




De laptop en ik: een ingewikkelde relatie

 

De laptop.

Hij hoeft heus geen kunstjes te doen. Geen salto’s, geen hologrammen, geen ingewikkelde menu’s die alleen door NASA‑ingenieurs begrepen worden. Nee hoor, hij moet gewoon doen wat ík wil. Punt. Zodra het te technisch wordt, verandert mijn brein spontaan in een soort mistige polder waar elk knopje verdwijnt in de nevel. En dan ben ik dus bang dat ik het hele apparaat laat crashen. (Is dat woord inmiddels eigenlijk al officieel Nederlands? Of lenen we het nog steeds illegaal uit de IT‑bibliotheek?)

Manlief.

Een schat. Echt waar. Hij staat altijd klaar om alles voor me op te lossen — ook als ik daar helemaal niet om gevraagd heb. Hij vindt het gewoon gezellig als ik het goed heb. Hihi.

Terug naar de laptop

Iemand heeft dat ding ooit voor me ingesteld, maar op zo’n manier dat hij automatisch aangaat zodra ik hem openklap. Alsof hij een overenthousiaste labrador is die roept: “IK BEN ER WEER! WAT GAAN WE DOEN?!”  

Ik vind dat dus onhandig. Iedereen kan zomaar overal bij, en ik kan niet eens rustig een artikel lezen zonder dat het scherm na drie minuten in een soort digitale winterslaap valt. Tenzij ik de muis blijf bewegen alsof ik een zenuwtrek heb.

Ik probeerde het aan te passen, maar na drie klikken was ik alweer de draad kwijt. “Laat maar,” mompel ik dan tegen mezelf, terwijl ik het apparaat dichtklap alsof ik een lastige peuter in de hoek zet.

Natuurlijk vraagt manlief wat er scheelt. Zijn interne radertjes beginnen meteen te zoemen. Maar ik was lichtelijk geïrriteerd, dus ik wuifde hem weg. “Nee, laat maar… ik kom er wel een keer achter. Anders ga ik wel naar het Seniorenweb of zo.”

Hij liet het los — dacht ik.

Het mailtje.

Even later vind ik een mail in mijn inbox met als onderwerp:

“Een hulpje, jij hulpbehoevende.”  

Ik heb hardop gelachen. Hij had tóch even voor me gegoogeld en stuurde een link naar een site vol oplossingen.

Ik heb gekeken. En nee hoor, ik snap er nog steeds geen reet van.

Maar ik heb hem bedankt, en we hebben samen smakelijk gelachen om zijn mailtitel.

En de laptop? Die kijkt me nu vanaf de tafel aan met die blik van: “Zullen we het nog eens proberen?”  

Misschien. Morgen. Of overmorgen. Of nooit.

Blijf zacht

De Dag Dat Ik Ontdekte Dat Ik Een Pannenkoekenheks Ben

Mijn ochtend begon zoals ochtenden bij mij wel vaker beginnen: met lezen, leren en een kop koffie die ik drie keer opnieuw moest opwarmen omdat ik steeds afdwaal. Terwijl ik zo wat zat te dwalen over het internet, struikelde ik over een heerlijke tekst met de titel “Waarom bakken heksen pannenkoeken?”  

En eerlijk: vanaf dat moment was ik verkocht.

Blijkbaar is de pannenkoek namelijk veel meer dan een snelle avondmaaltijd voor dagen waarop je geen zin hebt in gedoe. Nee, vroeger was het een ritueel van hoop. Rond begin februari waren de voorraadkasten leeg, de wintervoorraad graan bijna op, en de nieuwe oogst nog een verre droom.

En wat deden onze voorouders dan?

Iets wat ik persoonlijk alleen zou doen als ik écht wanhopig was: ze pakten het allerlaatste restje meel en maakten er pannenkoeken van.

Waarom?

Omdat die pannenkoek rond en goudgeel is — net als de zon.

Door dat laatste beetje graan te offeren en de zon symbolisch op hun bord te leggen, lieten ze aan de aarde weten: “Wij vertrouwen erop dat de lente terugkomt. Kom maar door met die warmte.”

En eerlijk, dat voel ik.

Als ik in januari of februari in mijn keuken sta te kloppen alsof ik auditie doe voor een bakprogramma, denk ik voortaan even aan dat oeroude ritueel. Want dan ben ik niet zomaar beslag aan het maken.

Nee, dan ben ik de zon aan het uitnodigen in mijn huis.

Ik zeg eigenlijk: “Kom maar hoor, overvloed. Ik geloof in je, zelfs nu mijn voorraadpotten vooral echo’s bevatten.”

Dus mocht iemand mij in de toekomst ooit “HEKS!!” naroepen, dan glimlach ik vriendelijk en zeg ik:

“Dank je wel voor het compliment.”

Want hé — als pannenkoeken bakken betekent dat ik een heks ben, dan ben ik er eentje met trots. 

En met stroop.

Blijf zacht, straks schijnt de zon weer