Uren werk, nul resultaat… maar hé, de koffie was lekker



Vandaag heb ik mezelf weer eens getrakteerd op een fantastische tijdsbesteding: 

Namelijk urenlang mijn blog verbouwen. Klikken, slepen, twijfelen, opnieuw beginnen, zuchten, zelfs vloeken, nog eens slepen… om er uiteindelijk achter te komen dat hij eigenlijk al best prima was. Voor nu dan. Ooit maak ik er een meesterwerk van. Echt waar.................... Ooit.

Maar eerst wil ik ontdekken of er überhaupt mensen zijn die mijn blogs lezen. (Mocht je dit zien: gefeliciteerd, je bent nu officieel mijn publiek.)

Mijn kleine irritaties heb ik voorlopig even in de kast gezet. Dat was nodig, want mijn relatie met het internet en mijn laptop is .... laten we zeggen .... op zijn minst ingewikkeld. Een soort haat-liefdeverhouding waarbij ik de helft niet begrijp en de andere helft me bang maakt. Eén verkeerde klik en ik ben ervan overtuigd dat mijn laptop verandert in een soort digitale Bermuda-driehoek.

Maar goed: de blog leeft nog. En ik ook. Dus ik noem het een succesdag.

Blijf zacht




Eierdoppie in de tuin

Soms ligt er iets in je tuin dat je dag even stilzet. Een veertje, een slak, een verdwaalde sok van de buurman… maar dit keer was het een eierdoppie. Een piepklein, fragiel wiegje op een tuinstoel, nog nat van binnen. Er was dus nét een musje uit gekropen. En terwijl ik daar stond met dat breekbare schilletje in mijn hand, rolde de hele geschiedenis van onze buurtmussen zich weer uit in mijn hoofd — van virussen en versteende tuinen tot brutale kauwen en onhandige katten. 



De gloriedagen van de mussen

Toen wij hier dertien jaar geleden kwamen wonen, was de tuin een soort mussenwalhalla. Zeker vijftig stuks vlogen vrolijk kwetterend door de buurt. Niet zo gek: elke tuin had nog struiken, rommelhoekjes, insecten en andere dingen waar een mus blij van wordt.

Tot het Usutuvirus opdook. Iedereen kent het vooral vanwege de merels, maar de mussen kregen het net zo goed te verduren. In 2016/17 waren er grote uitbraken in Nederland en België, en sindsdien komt het virus bijna elk jaar terug. Het lijkt wel het decennium van de virussen — voor mens én dier. Van de vijftig mussen bleef na de eerste uitbraak minder dan de helft over.

Hoe je biodiversiteit wegtegelt

Alsof dat nog niet genoeg was, besloten meerdere buren hun tuinen te moderniseren. En wat dat betekent, weten we allemaal: 80% tegels, 20% plant, en het liefst eenjarigen, want die trekken minder enge beestjes aan. Voor de mussen bleef er weinig plek over. Gelukkig waren er ook buren die wél begrepen dat een tuin zonder planten eigenlijk gewoon een verharde binnenplaats is.

Charmante schurken met een missie

In onze buurt wonen twee kolonies: kauwen en roeken. Vooral de kauwen zijn brutale donderstenen. Na elk broedseizoen mogen we de woningbouwvereniging bellen om onze dakpannen weer recht te laten leggen. Ze doen namelijk alles — echt alles — om bij de nesten van de mussen te komen.

En als ze zelf jongen hebben, is het helemaal feest. Dan verandert de dakgoot in een soort lopende band van gevederde rovers op zoek naar snacks. Ik vrees dan ook dat het musje van het eierdoppie het niet heeft gered. Broertjes en zusjes waarschijnlijk evenmin.

Toch kun je ze niet zomaar weg wensen. Kauwen zijn slim, monogaam, sociaal en hebben zich perfect aangepast aan de mens. Bovendien zijn ze beschermd. Ze overnachten samen voor veiligheid en wisselen informatie uit door elkaar te observeren. Ziet een kauw dat een ander een goedgevulde maag heeft? Dan volgt hij hem de volgende dag om te zien waar dat buffet te vinden was.

De kattenbrigade

En dan lopen er hier in de buurt ook nog de nodige katten rond, waarvan er twee van ons zijn. Fred is gelukkig niet meer zo geïnteresseerd in jagen. Nico daarentegen vindt het prachtig, maar is er hopeloos onhandig in. Die jat liever worsten uit pannen bij de buren. Maar dat is weer een ander verhaal.

Het eierdoppie dat niet bleef bestaan

Dat eierdoppie op de tuinstoel… ik wilde het bewaren, maar het was zo fragiel dat het meteen uit elkaar viel. Jammer. Nu hoop ik dat er mij ooit zo’n schilletje wél gegund wordt; er zijn namelijk nog een paar lege vakjes in mijn natuurletterbak. En ergens gun ik dat musje dat haar kroost mag opgroeien en uitvliegen, zodat er weer wat vrolijk gefladder door de buurt gaat — dat kunnen we hier wel gebruiken.

Eigenlijk is dat precies waar het om draait: een buurt waar nog ruimte is voor leven dat niet door mensenhanden is gepland of ontworpen. Een buurt waar een musje gewoon mus mag zijn.

Een kleine oproep uit de tuin

We hoeven geen boswachter te worden om de natuur een handje te helpen. Een paar struiken, wat rommelhoekjes, een waterbakje of een paar inheemse planten kunnen al genoeg zijn om mussen, merels, bijen en andere buurtbewoners weer wat ruimte te geven. De natuur hoeft niet perfect te zijn — liever niet zelfs. Hoe minder strak, hoe meer leven.

En wie weet ligt er dan op een dag ook bij de buren zo’n minuscuul eierdoppie op een tuinstoel. Een klein teken dat de natuur, ondanks alles, altijd weer probeert opnieuw te beginnen.

Blijf zacht voor de natuur.




Een brief aan mijn lichaam (en iedereen die denkt dat ik alleen maar ziek ben).


Lief lijf,

Weet je, soms lijkt het alsof anderen denken dat mijn ziek-zijn mijn volledige identiteit is. Alsof ik een wandelende diagnose ben met een hobby. Maar nee hoor, ik ben véél meer dan dat. Ik ben een compleet mens, met dromen, humor, koppigheid en een voorkeur voor koffie die bijna religieus te noemen is.

Natuurlijk heb ik mij wel eens afgevraagd 'Waarom heb ik dit?"of 'Waar heb ik dit toch aan verdient?'Wat wil mijn lichaam mij dan vertellen? Luister ik wel goed? Heb ik zelf schuld aan mijn ziekzijn? Conclusie: Ik dacht het dus niet!

Laatst las ik een quote van Oprah Winfrey: “Health is a choice.” Nou, Oprah, ik heb nieuws voor je: Fout! Gezond eten, sporten, op tijd naar bed — dát zijn keuzes. Maar gezondheid zelf? Niemand wordt wakker en denkt: “Goh, laat ik vandaag eens een chronische aandoening proberen. Gewoon, voor de afwisseling.” Gezond zijn is een privilege. Een zegen zelfs. Iets waarvoor je elke dag best even dankbaar mag zijn, al is het maar in gedachten.

En dan die opmerkingen…  

“Ja, ik ben ook weleens moe.”  

“Je doet ook niet zoveel op een dag, hè?”  

Hoe vaak ik wel niet over mijn grenzen ben gegaan om maar ‘normaal’ te lijken. Om mee te doen. Om niet de zeurpiet van de groep te zijn. En elke keer betaalde ik de prijs: pijn, vermoeidheid, uitputting. En als ik dan eerlijk vertel wat er speelt, krijg ik óf een meewarige blik, óf de subtiele boodschap dat ik me aanstel. Heerlijk, die sociale finesse.

Maar weet je wat? Ik weiger nog langer in die slachtofferrol te kruipen. Ik ben niet minder waard dan iemand die “gezond” is. Mijn waarde zit niet in wat mijn lichaam wel of niet kan. Mijn waarde zit vanbinnen — warm, liefdevol, en hopelijk met een gezonde dosis verstand (al is dat laatste soms afhankelijk van de hoeveelheid slaap).

Beter worden zit voor mij niet in mijn lichamelijke situatie. Natuurlijk schreeuw ik weleens tegen het universum, maar wat levert dat op? Word ik daar beter van? Beter dan wie? Beter dan wat? En ja, ik begrijp heel goed dat anderen met een chronische ziekte soms aan het einde van hun latijn zijn. Vooral door opmerkingen van mensen die ogenschijnlijk kerngezond zijn. Maar hé — wie weet waar zij mee worstelen wat ik niet zie?

Lange tijd dacht ik: Als ik maar hard genoeg mijn best doe, word ik misschien beter en kan ik weer verder zoals vroeger. Maar inmiddels weet ik: dit ís mijn leven. Dit lichaam, inclusief de gebreken, verdient het om geleefd, gekoesterd en bemind te worden. Niet later. Nu.

Lief, lief lijf, 

Wat vraag jij elke dag een kracht van mij. Mijn hart gaat naar je uit. Ik neem mijn petje voor je af — voor mijzelf dus eigenlijk. Wat een strijd lever je, elke dag opnieuw. Ik straf je niet meer. Ik ben niet boos op je. Ik denk aan je, liefdevol. Ik reis met je naar een plek voorbij goed en fout, voorbij gezond en ziek, voorbij perfect en imperfect.

Blijf zacht, ook als het even niet meezit.  




Hoe ik mijn innerlijke drama‑queen soms op de achterbank zet

Wat ik me dus regelmatig afvraag: waarom handelen zoveel mensen vanuit angst?  

Ik ook hoor — ik ben echt geen spirituele ninja die altijd vanuit haar hart kiest. Soms voelt mijn hart meer als een slecht bereikbare klantenservice: “Al onze medewerkers zijn in gesprek, probeert u het later nog eens.”

Keuzes maken die écht bij mij passen vind ik soms nog knap ingewikkeld. Want ja… dan stel ik misschien iemand teleur. Of nog erger: dan faal ik. Tenminste, dat denk ik dan. Maar is dat eigenlijk wel zo?

Wat angst met ons doet (en waarom dat soms best handig is)

Er is natuurlijk de reële angst: de soort die voorkomt dat je jezelf van een klif af werpt omdat het water er zo idyllisch blauw uitziet. Je lijf gaat dan in de bekende vecht-of-vlucht-modus: hartslag omhoog, spieren strak, zintuigen op scherp. Niet per se gezellig, maar wel nuttig.

Dan heb je de angst voor dingen die niet levensbedreigend zijn, maar wel rete‑spannend. Podiumangst bijvoorbeeld. Je staat niet op het punt om te sterven, maar je lijf denkt van wel. Spieren gespannen, concentratie weg, hersenen op vakantie.

En dan is er nog de angst voor het onbekende. De meest hardnekkige van allemaal. Die blijft bestaan zolang je haar blijft geloven.

Kan angst ook iets opleveren?

Jazeker. Angst is soms gewoon een wegwijzer met de tekst: “Hier valt nog wat te leren.”  

Stel dat ik een speech moet geven voor 150 man. Ik weet precies hoe dat voelt: klamme handjes, knoop in mijn maag, het liefst onder een stoel kruipen. Maar als ik het tóch doe, kan ik ontdekken dat het eigenlijk best gaaf is. Of dat het helemaal niks voor mij is — ook goed, dan weet ik dat voortaan.

Waar angst vandaan komt

We worden allemaal geboren met een basispakketje angst: harde geluiden, vallen, plotselinge bewegingen. De rest leren we onderweg.

“Praat niet met vreemden.” → vreemden zijn eng.

“Pas op dat je niet valt.” → ik stap nooit meer op een fiets.

En dan leven we nu ook nog eens in een tijd waarin angst bijna een soort nationale hobby is geworden. Media die roepen dat alles gevaarlijk is: elkaar, eten, het weer, de toekomst. Alles moet gecontroleerd worden. En hoe meer controle, hoe banger we worden.

Dus… wat nu?

Misschien is het leven inderdaad gewoon een groot ganzenbord. Soms sla je linksaf terwijl rechts beter was. Soms moet je terug naar start. Soms zeg je “Nee” — het engste woord in het woordenboek — en ontstaat er ineens ruimte.

Angst roept bij mij vaak “Pas op!”, alsof ik op het punt sta mezelf van een klif te werpen, terwijl ik meestal gewoon een nieuwe afslag neem op het levensganzenbord. Bij mij heet dat stemmetje trouwens Fiepje — een goedbedoelende maar nogal dramatische innerlijke omroepster die overal gevaar ziet, zelfs bij iets simpels als linksaf slaan. Soms luister ik even, soms zucht ik diep en ga ik terug naar start met een mok koffie, en soms voel ik me een ware rebel als ik “Nee” durf te zeggen. Maar hoe dan ook: ik blijf gooien met mijn dobbelsteen en kijk wel waar ik uitkom. Ik zet Fiepje voorlopig in de gevangenis. Twee beurten overslaan.

En jij, welk vakje durf jij deze week te zetten ondanks dat hardnekkige “Pas op!” in je hoofd?

Blijf zacht



Als je dag begint vóór jij dat doet

 Soms begint mijn dag eerder dan ik zelf van plan was. Soms praat mijn hoofd harder dan goed voor me is. En soms… zit Fiepje — mijn innerlijke bemoeial — al op mijn schouder voordat ik mijn eerste koffie heb gehad. Hier schrijf ik over dat soort dagen. Over het leven zoals het komt: rommelig, grappig, vermoeiend, liefdevol en vooral echt.

Ik deel wat er door mijn hoofd raast, wat me raakt, wat me frustreert en wat me laat lachen. Geen perfecte plaatjes, geen gladgestreken verhalen. Gewoon ik, met koffie in mijn hand en een bonkend hoofd als het moet. En Fiepje. Altijd Fiepje.

Welkom in mijn wereld.

Vandaag begon mijn dag al om 05.10 uur. Niet omdat ik zo’n uitgesproken ochtendmens ben, maar omdat mijn brein blijkbaar vond dat er bovenin nodig verbouwd moest worden. Met kleine oogjes en een dreunend hoofd strompel ik naar beneden. Niet wakker, nauwelijks aan. Eerst maar even buiten staan: diep ademhalen, water drinken. Meestal helpt dat—zuurstof en vocht door dat lijf. Maar nee, vandaag niet. Bij elke stap bonkt mijn hoofd alsof er een fanfare in mijn schedel is neergestreken.

En moe… zó moe. Maar ja, er lopen hier drie bazige viervoeters rond die bij de minste reuring al beginnen te roepen: Eten! Buiten! Eten! Buiten! En zodra ze buiten staan, willen ze alweer naar binnen. Dus eerst mijn ochtendplichten maar afgevinkt. Daarna vond ik dat er meer vocht in moest. Koffie is ook vocht, toch?

Alleen was mijn hoofdpijn inmiddels zo heftig dat ik op de bank ben gaan liggen met een pijnstiller die twee keer zo zwaar was als normaal. Pas om half tien werd ik weer wakker. De koffie was inmiddels koud.

Gelukkig hebben we zo’n ouderwets koffiezetapparaat dat in no-time nieuwe zet. Gewoon met een filter. Geen bonenmachines of dure cups waar koffie uitkomt die, naar mijn mening, nauwelijks te drinken is. Het liefst ga ik terug naar ouderwets opgieten—dat blijft toch de allerlekkerste. Ik snap heus dat mensen druk zijn en zo’n luxe apparaat aanschaffen. Cup erin, knopje aan, altijd ‘verse’ koffie. Maar bij die cups heb ik toch mijn twijfels. Altijd dat rare schuimlaagje. En dan die apparaten die ook nog melk opschuimen voor je cappuccino of espresso macchiato. Por favor! Je bent je eigen barista. Met een beetje geluk tover je zelfs een hartje in je melkschuim. Leuk op een terrasje, maar thuis wil ik gewoon koffie. Met een klein beetje melk. Lactosevrij, anders protesteert het darmgestel.

Ondertussen is mijn vochthuishouding weer op peil, maar mijn hoofdpijn vindt het beter dat ik de rest van de dag met mijn ogen dicht doorbreng. Terwijl ik zo zit, raast mijn brein vrolijk door: Je moet de afwas nog doen. Je zou ook kunnen strijken. Stofzuigen is geen overbodige luxe. Opruimen! Ook een leuk idee. Ik wou dat ze een keer d’r bek hield.

Oh ja, heb ik jullie al verteld dat mijn innerlijke stemmetje Fiepje heet?  

Fiepje. Ik haat haar en ik hou van haar. Ze heeft me vaak genoeg behoed voor erger, maar minstens zo vaak dramt ze over van alles. Kun je niet beter dit? Zou je dat wel doen? Zit daar iemand op te wachten? Vandaag vindt ze dat ze zich extra moet laten horen. Maar ik luister niet. Dit keer win ik het van Fiepje.

Dus blijf ik nog even zitten. Met mijn ogen dicht. Tot mijn brein weer wat rustiger wordt. En dan… heel misschien… zal ik voorzichtig naar Fiepje luisteren en de afwas doen. Maar voor nu staat die afwas er nog prima bij, ligt de was heerlijk schoon op een stapel en mag de stofzuiger morgen weer aan de bak.

Daaaag Fiepje… ga jij maar weer slapen.


Blijf zacht.            



Van farao tot feesttaart.

Hoe wonderlijk is het eigenlijk dat een oeroud ritueel van farao’s, geesten en maanoffers uiteindelijk heeft geleid tot… slingers van de HEMA en een plakje cake met koffie.


Soms vraag ik mij ineens iets af.  

Gisteravond bijvoorbeeld. Manlief en ik hadden zomaar — zoals wel vaker — een gesprekje over van alles en nog wat. Hoe we erop kwamen weet ik niet meer, maar op een gegeven moment hadden we het over verjaardagen. Manlief en ik vieren onze verjaardag eigenlijk niet meer.

Men vond onze verjaardag in het verleden niet belangrijk genoeg en daarom zijn we maar helemaal gestopt met een feestje organiseren. (Dat klinkt zieliger dan het is hoor)  We hebben ons erbij neergelegd.

Maar eigenlijk is het best gek dat wij in Nederland duidelijk verjaardag zeggen, terwijl Duitsers en Engelsen het - vertaald - hebben over een geboortedag.  

En dan plopt er een vraag op die wat mij betreft nader onderzoek verdient:  

Waar komt de term “verjaardag” eigenlijk vandaan?

Heb je je ooit afgevraagd wat je nou precies viert op je verjaardag? Je geboortedag? Dat je weer een jaar dichter bij een rollator bent? Of gewoon een sociaal geaccepteerde reden om taart te eten vóór 12:00?

Het antwoord hangt af van waar je woont — én van duizenden jaren aan tradities.

Het mooie is dat zowel kaarsjes uitblazen als zingen oeroude rituelen zijn die we tegenwoordig heel vanzelfsprekend vinden, maar die ooit diepe symbolische betekenissen hadden. Ze komen uit een mix van magie, religie, psychologie en sociale traditie.

In Nederland vieren we vooral dat de tijd genadeloos verder tikt.  

We zeggen dingen als “je wordt 30” of “je bent weer een jaar ouder”. De nadruk ligt dus op het ouder worden, niet op de geboorte zelf. Gezellig,............. toch?

In Zuid-Europa, Amerika en Azië vieren ze juist je geboorte. Daar is het meer: “Hoera, je bent op deze dag op aarde gedropt!” 

Bij ons is het eerder: “Sterkte, er is weer een jaar voorbij.”

De geschiedenis van verjaardagen is verrassend rijk en veel ouder dan de meeste mensen denken. Het is eigenlijk een verhaal over religie, macht, astrologie, angst voor geesten én… taart.

De eerste verjaardagen waren niet voor gewone mensen

In het Oude Egypte (ca. 3000 v.Chr.) vierde de farao niet zijn geboorte, maar zijn kroning. Men geloofde dat hij op dat moment “geboren werd als god”. Dat was dus de eerste vorm van een verjaardag: een ritueel van status en goddelijkheid.

In het Oude Perzië stonden ze bekend om hun grote verjaardagsfeesten voor koningen en edelen. Volgens Herodotus (Euhhhh… wie?)  kregen de rijken enorme banketten op hun geboortedag.

Verjaardagen zijn dus eigenlijk begonnen als een elitefeest.

In veel oude culturen geloofde men dat op de dag van je geboorte boze geesten extra actief waren. Daarom kwamen mensen samen om je te beschermen: ze maakten lawaai (muziek, klappen, roepen) en brachten offers of gaven geschenken om de geesten gunstig te stemmen.  

Een soort ouderwetse visite, *lang zal ze leven* zingen en cadeautjes geven. Het idee was: hoe meer mensen en lawaai, hoe veiliger je bent.

De Grieken brachten offers aan Artemis, de godin van de maan. Ze maakten ronde taarten (als de maan) en zetten er brandende kaarsen op.  

De rook van net uitgeblazen kaarsen bracht wensen naar de goden en het licht hield kwade geesten weg. Dit lijkt sterk op onze moderne verjaardagstaart.

De Romeinen vierden de eerste echte verjaardagen voor 'gewone' mensen. Ze vierden de verjaardagen van mannen (vrouwen kwamen pas veel later — hebben wij weer) en de stichting van Rome werd als verjaardag van de staat gevierd. Ze gaven cadeaus, hielden feesten en schreven verjaardagen op in kalenders.

Christenen zagen verjaardagen eerst als heidens vanwege astrologie en afgoderij. Pas toen de kerk heiligendagen ging vieren en de geboorte van Jezus een feestdag werd (Kerstmis), begonnen verjaardagen langzaam geaccepteerd te raken. Vanaf de middeleeuwen werd het steeds normaler om iemands verjaar- of geboortedag te vieren.

In de 18e eeuw ontstond in Duitsland het *Kinderfest*: een speciaal verjaardagsfeest voor kinderen, mét taart, kaarsjes uitblazen en een wens doen. Dit is de directe voorloper van de verjaardag zoals wij die nu kennen.

Vanaf de 19e en 20e eeuw kregen mensen meer vrije tijd, meer geld en verspreidden westerse gebruiken zich wereldwijd. Zo werd de verjaardag een universeel ritueel — al blijft de betekenis per cultuur verschillen.

Dus wanneer je voortaan je verjaardag of je geboortedag viert, denk dan eens aan…  

...hoe je eigenlijk deelneemt aan een eeuwenoude mix van magie, mythologie, cultuur, taart, en een vleugje existentiële paniek — en dat allemaal omdat iemand ooit besloot dat jij geboren moest worden.

Misschien moeten manlief en ik het maar weer gewoon gaan vieren. Met z'n tweetjes. Lekker knus. Voor de traditie.

***********

En als je denkt dat je klaar bent met nadenken over verjaardagen, geef ik je op de valreep nog even een kleine taalkundige wereldreis:

Engels & Duits: Die zeggen gewoon: geboortedag.  Nuchter, duidelijk, geen poespas. Alsof ze willen zeggen: “Je bent er ooit uitgekomen, dat vieren we. Punt.”

Frans & Portugees:  Anniversaire en aniversário:  Klinkt meteen alsof je een glas champagne hoort knallen.  Zij herdenken je bestaan alsof je een kleine nationale feestdag bent.

Spaans & Italiaans: Cumpleaños en compleanno:  Je “volmaakt” weer een jaar.  Alsof je een soort menselijke jaargang wijn bent die elk jaar net iets beter moet worden.

Scandinavië: Födelsedag, fødselsdag, syntymäpäivä: Allemaal varianten op: “Je bent geboren. Gefeliciteerd. Neem een koekje.”  Praktisch volk.

Centraal- en Oost‑Europa: Urodziny, narozeniny, születésnap:  Geboortedag, maar dan met meer medeklinkers dan je mond aankan.  Warm, maar stevig.

Turks, Arabisch, Hindi, Japans, Koreaans, Swahili, Indonesisch:  Allemaal varianten op: dag van geboorte.  Heel eerlijk, heel direct.  Alsof ze zeggen: “We vieren dat je er bent. Dat is genoeg.”

En wij, Nederlanders?  

Wij vieren dat je “verjaart”. Alsof je een kaas bent. 

Blijf zacht.


Mijn guilty pleasure: De Bondgenoten (ja, ik geef het toe)



Ik ga het maar gewoon bekennen: ik heb een guilty pleasure.  
Elke dag — echt élke dag — kijk ik naar *De Bondgenoten*.  

Voor wie het niet kent (of doet alsof): zestien mensen worden in een luxe loods gegooid, verdeeld in vier teams met kleuren en dieren alsof iemand bij de brainstorm dacht: *“Hoe maken we dit zo kinderfeestje-achtig mogelijk?”*  

We hebben de vossen (rood), de slangen (groen), de gieren (wit) en de haaien (blauw).  

Ze strijden om een goede uitgangspositie, waarna een knock-outsysteem bepaalt wie er na een maand met €100.000 naar huis gaat. Slechts één persoon wint. Eén.  

Dus dat hele “één voor allen” verandert binnen een week in “allen voor mijzelf, bedankt en tot ziens”.

En alsof dat nog niet genoeg drama is, moet er ook elke maand iemand vertrekken uit het slechtst presterende team. Met lege handen. *Dag hoor.*

Maar ik kijk dus niet voor het spel. Echt niet.

Ik kijk ook niet voor de deelnemers.  

Of voor de loods.  

Of voor de challenges.  


Nee, ik kijk voor het psychologische spel.  Want dát is pas entertainment.

In het begin zie je precies wat er gebeurt als je zestien mensen 24/7 bij elkaar opsluit:  

- Mensen die elkaar buiten niet eens een kopje suiker zouden lenen, worden ineens BFF’s.  

- Anderen gunnen elkaar het licht in de ogen niet.  

- En zodra het te gezellig wordt, gooit de regie een knuppel in het hoenderhok.  

  *“Oh, jullie hadden net vrede? Wacht even, hier is een twist.”*


De vaste rollen in de loods


Je kunt er bijna bingo van maken:


- Er is altijd iemand die gepest wordt.  

- En altijd iemand die het opneemt voor de gepeste.  

- Er is een leider.  

- En er zijn volgers die zichzelf liever in een hoekje vouwen dan een mening te uiten.  

- Je hebt de tactische masterminds.  

- En de spontane flapuiten die zonder nadenken iets roepen waardoor de hele groep ontploft.  

- Er zijn fysiek sterke deelnemers, mentaal sterke deelnemers, en mensen die denken dat ze beide zijn maar vooral heel hard overschatten.  

- En dan heb je de verrassingen: de stille muis die ineens een challenge wint alsof ze al jaren in het geheim trainen.

Kortom: het is een psychologisch pretpark.

Wat het nóg leuker maakt? - de kijkers

De reacties op social media. Mensen vormen keiharde meningen op basis van drie kwartier televisie per dag.  Drie kwartier.  Terwijl die bewoners 24 uur per dag met elkaar opgescheept zitten.  De regie knipt, plakt, filtert en serveert ons alleen de sappigste momenten.  Maar toch weten sommige kijkers *precies* wie “vals”, “nep”, “manipulatief”, “dom”, “heilig”, “slachtoffer” of “held” is.  Op basis van… ja, drie kwartier juicy tv.

Het blijft me verbazen.

Waarom ik blijf kijken?

Omdat het een soort mini-maatschappij is.  Een menselijk laboratorium.  Een spiegel die laat zien hoe verschillend we zijn — en hoe voorspelbaar soms ook.  

Om even eerlijk te zijn,  

Het is heerlijk om vanaf de bank te analyseren hoe iedereen zich gedraagt, terwijl ik zelf waarschijnlijk na drie dagen in een hoekje zou zitten te huilen met een dekentje en een zak chips.


Blijf zacht, ook voor mij.

Omaaaaa, we’ve got Google

“Ik kwam dit stukje dat ik vorig jaar schreef weer tegen en dacht: 
dat moet ik nog even met jullie delen.”


Logeren in Generatiekloofland: een weekend met onze puberkleinzoon.

Laat ik beginnen met een waarschuwing: wie denkt dat logeren met een bijna-twaalfjarige altijd “gezellig” betekent, heeft waarschijnlijk nog nooit een bijna-twaalfjarige over de vloer gehad. 

Wij wel. Drie dagen lang. En hoewel we zielsveel van hem houden — echt waar — ontdekten we opnieuw dat er tussen onze wereld en die van hem een kloof gaapt waar je met gemak een intercity in kwijt kunt.

Wij wonen in een van de rustigste wijken van ons toch al serene stadje. Zo rustig dat onze kleinzoon bij aankomst verzuchtte:  “Nou hè hè, ik zag eindelijk een fietser door de straat.” Dat zegt dus echt álles.

De strijd tussen energie en… tja, leeftijd

We weten dat we hem bezig moeten houden. Alleen is onze energie beperkt en zijn interesses… hoe zal ik het zeggen… buitenaards. Dus hing hij op de bank, telefoon in de hand, kijkend naar filmpjes die voor ons net zo begrijpelijk zijn als een werkbouwkundige handleiding in het Mandarijn. En dan die spelletjes — ik vermoed dat zelfs computerexperts niet weten wat daar gebeurt.

Hij houdt van auto’s. En niet zo’n beetje ook. Hij weet er meer van dan wij ooit zullen weten. Wij weten vooral hoe je er eentje start en van A naar B rijdt.

Buiten is hij veeleisend. Door de stad lopen betekent volgens hem automatisch recht op een cadeautje. Of op z’n minst iets te snoepen. Lopen zelf is al een straf. Zijn liefde voor auto’s is dus niet geheel toevallig.

Musea? Saai.  

Speeltuin? Kinderachtig.  

Dingen die wij leuk vinden? Schouders ophalen.

Creatieve oplossingen (die hij niet ziet zitten)

“Oma, ik verveel me.”  

“Ga de buurt verkennen.” — Geen zin. 

“Lees een boek of een Donald Duck.” — Nehh.  

“Maak een tekening.” — Schouders ophalen. 

“Zal ik een kleurboek voor volwassenen pakken? Dan kleuren we samen.” — Grijns. Rare oma.

Uiteindelijk opperde ik:  

**“Ga lekker in de tuin zitten en voor je uit staren.”**  

Dat heeft namelijk een doel. Alleen begrijpt hij dat nog niet. (En dat is oké. Dat komt later. Hoop ik.)

Lego dan? Nee. De set is niet compleet. En fantasie heeft hij niet nodig, zegt hij.  

“Omaaaaaa, we’ve got Google.” ~Zucht.~ Grijns.

De redding: auto’s, natuurlijk

Manlief nam hem mee naar een autobedrijf vol dure bolides.  

Dát was een gouden zet. Meneer straalde. Eindelijk iets dat wél binnen zijn interessegebied viel.

Maar eerlijk is eerlijk: het was veel. En zwaar. Tenminste, ík vond het zwaar. Manlief leek het iets makkelijker af te gaan, ondanks het feit dat hij nog herstellende is van een flinke Ménière‑aanval. —Respect.

Het leeftijdsverschil voelt soms als een diepe ravijn. Hij begrijpt ons niet, wij hem niet. En dat is oké. Maar vermoeiend is het wel.

Tot slot: even bijkomen

Nu zitten we hier, in alle rust, samen bij te komen. De volgende logeerpartij mag even wachten. Niet omdat we hem niet leuk vinden — integendeel — maar omdat generatiekloofreizen nu eenmaal hersteltijd vereisen. Wie weet… misschien leert hij ooit dat gewoon zitten en om je heen kijken je hersenen stimuleert. Dat nietsdoen soms het beste is wat je kunt doen.  

Waarom pubers doen wat ze doen (in het kort)

Voor wie zich afvraagt waarom een bijna‑twaalfjarige soms zucht alsof hij een fulltime baan heeft: het ligt niet aan jou. Het ligt aan zijn brein. Dat is namelijk druk bezig met een complete verbouwing — terwijl hij het nog gewoon moet gebruiken. De afdeling nadenken, plannen en logisch doen is nog in de steigers, maar de emotie- en prikkelzoekmachine draait al op volle toeren.

Daarom is TikTok geweldig, auto’s fantastisch, en een museum… nou ja… meh. En waarom hij zegt dat hij geen fantasie heeft? Dat heeft hij wél, maar Google is sneller en kost minder moeite.

Kortom: het is geen onwil, het is biologie. En soms ook gewoon pure puber-poëzie.


Blijf zacht, ook als je elkaar niet meer zo goed begrijpt


We eten spruiten vandaag.........

Ik herinner me nog levendig hoe vreselijk ik spruitjes vond als kind.  

(Precies hetzelfde verhaal als met witlof… dat ik nu overigens met liefde naar binnen schuif. Mensen veranderen, hè.)

Alleen al de geur wanneer mijn moeder de deksel van de pan optilde. BÁH! 

En dan die marteling aan tafel: spruitje voor spruitje naar binnen werken, bijna kokhalzend, terwijl mijn moeder zei: “Nog drie. Je kunt het.”  Alsof ik de Mount Everest beklom.

Waarom lusten zoveel kinderen eigenlijk geen spruitjes?

We worden allemaal geboren met ingebouwde smaakvoorkeuren.  Zoet? Heerlijk.  Bitter en zuur? Alarmfase rood!

Heel vroeger — echt héél vroeger — wisten mensen instinctief wat veilig was om te eten. Bittere planten waren vaak giftig, zoete bessen meestal niet. Dat oerinstinct zit nog steeds in ons systeem. Dus wanneer een kind een spruitje proeft, denkt het brein:  “PAS OP! Bitter! Giftig! Wegwezen!”

En dan hebben kinderen ook nog eens veel meer smaakpapillen dan volwassenen. Die zitten bij hen overal in de mond, terwijl wij volwassenen ze vooral nog op de tong hebben.  

Kortom: wat wij ‘een licht bittertje’ noemen, komt bij kinderen binnen als een soort culinair luchtalarm.

Je zou dus kunnen zeggen dat kinderen geboren worden met een uitstekend werkend beschermingsmechanisme.  (En dat wij volwassenen dat mechanisme vrolijk negeren.)

Maar waarom stinken die dingen zo?

Omdat er — hou je vast — S‑methyl‑L‑cysteïne‑sulfoxide in zit.  

Ja, ik weet het. Het klinkt alsof iemand met zijn hoofd op het toetsenbord is gevallen.

Het is een zwavelhoudende verbinding die voorkomt in ui‑achtigen zoals ui, knoflook, prei en bieslook.  Maar óók in spruitjes, broccoli, bloemkool, witte kool, boerenkool en koolrabi.  

Kortom: alles wat kinderen verdenken van kwade bedoelingen.

Ik ben het klassieke voorbeeld.

Als kind vond ik al die groenten automatisch verdacht en waarschijnlijk levensgevaarlijk.  Maar als volwassene?  Ik sla alle alarmsignalen compleet in de wind. Sterker nog: ik eet ze met liefde.  (Meestal zelfs vrijwillig.)

Leuk weetje om mee af te sluiten

Sinds de jaren ’90 zijn spruitenrassen bewust gekruist op minder bittere en minder zwavelige eigenschappen.  Dus als je vroeger spruiten vies vond, is de kans een stuk groter dat je ze nu wél lekker vindt.


En zo niet… dan kun je altijd nog doen alsof.  

Voor de kinderen.  

Of voor de gezelligheid. 


Blijf zacht. 




Kruisdominantie: het leven met een hybride brein.

Waarom mijn brein links schrijft maar rechts denkt.....

Ik heb mijn hele leven al een fascinatie gehad voor handschriften. 

Als kind kon ik uren bladeren in boeken en schriften vol sierlijke krullen en elegante letters. Het ene handschrift nog mooier dan het andere. Mijn eigen handschrift vind ik eerlijk gezegd niet zo bijzonder, maar er is wél iets opvallends aan mij (dat heeft ooit iemand gezegd, dus het telt): ik kan heel makkelijk van handschrift veranderen.

Op school deed ik dat regelmatig — tot grote frustratie van mijn leraren. Op een gegeven moment kreeg ik zelfs te horen dat ik daarmee moest stoppen, omdat ze niet meer zeker wisten of ik mijn opdrachten wel zelf had gemaakt. Complimenten kreeg ik dan weer wél: ik schreef namelijk heel netjes. Dat talent heb ik van mijn ouders; vooral mijn moeder had een prachtig handschrift.

In ons gezin is het trouwens een interessante verdeling: een paar broers en een zus schrijven schitterend, en een paar… laten we zeggen: functioneel. Maar die hebben dan weer andere geweldige talenten. Ik ben de enige die links schrijft, al ben ik niet volledig links. Ik heb wat ze noemen kruisdominantie. Dat betekent dat ik bijvoorbeeld niet met links kan gooien of een bal kan wegschoppen — dat gebeurt allemaal met rechts.

Mijn oma van moeders kant spande echter de kroon: zij kon perfect simultaan spiegelschrijven. Vooral haar handtekening was indrukwekkend. Legde je de gewone en de spiegelversie op elkaar, dan waren ze bijna identiek. Ze was linkshandig geboren, maar dat mocht vroeger niet, dus moest ze leren schrijven met rechts. Haar brein loste dat op door rechts normaal te schrijven en links in spiegelbeeld — maar wel in exact hetzelfde handschrift. Een vroege, volledig handmatige vorm van beeldbewerking.

En dan nu weer terug naar mij

Veel mensen denken dat ik ook “links denk” — nee, we hebben het hier niet over politiek. 

Er wordt vaak gedacht dat rechtshandigen mij dingen niet goed kunnen voordoen, maar dat is voor mij geen enkel probleem. Mijn brein schakelt razendsnel om. Doe je mij met je rechterhand voor hoe ik moet haken, dan vertaalt mijn hoofd dat automatisch naar links.

Mijn laptopmuis bedien ik met links, maar hij staat gewoon ingesteld op rechts. Bijna alles is gemaakt voor rechtshandigen, dus ik heb me — net als mijn oma — daarop aangepast. Anders zou ik nu waarschijnlijk nog steeds proberen een schaar te begrijpen.

Ik gebruik dus mijn motoriek → links, en mijn cognitieve mapping → rechts. Dat is kruisdominantie, maar dan op taakniveau. Mijn hersenen hebben geleerd:

- linkerknop = primaire actie  

- rechterknop = secundaire actie  

Ik ben dus een rechtsdenker geworden. 

Of misschien was ik het al — wie zal het zeggen.

Veel mensen hebben een dominante hersenhelft voor bepaalde taken. In mijn geval betekent het niet dat ik letterlijk “met rechts denk”, maar dat mijn taakstrategie rechtsdominant is, terwijl mijn motorische uitvoering linksdominant is. Dat is een vorm van functionele kruisdominantie.

Mijn systeem werkt eigenlijk prima: mijn hersenen hebben een soort hybride besturingssysteem gebouwd dat voor mij efficiënt is. Linkerhand = beweging. Rechterhand = knoplogica. Het gaat zo: ik gebruik een rechtshandige schaar met links: volgens de standaard niet ideaal, maar mijn brein maakt er gewoon zijn eigen handleiding bij.

Is dat dan altijd handig?

Je zou denken van wel, maar nee. Soms kost het extra energie om nieuwe motorische taken onder de knie te krijgen. En bij dingen die heel sterk op rechtshandigen gericht zijn, kan ik me behoorlijk onhandig voelen. Alsof ik ineens twee linkerhanden heb — ironisch genoeg.

Maar over het algemeen is het geen beperking. Het is eerder een unieke manier van omgaan met de wereld. Een soort ingebouwde creatieve workaround. 

Iedereen heeft zo zijn eigen manier van bewegen, denken en doen. Dit is de mijne. Anders, maar functioneel. En soms zelfs best handig. Ik zou het in ieder geval niet anders willen.

Blijf zacht


Tommie Tomke

Er woont een winterkoning in onze tuin.

Nerveus springt hij door het struikgewas. Zijn staartje continu opwippend laat hij zijn zang horen. 

Onvoorstelbaar hoeveel geluid zo’n klein beestje kan produceren. Ik las ergens zelfs 90 decibel! Ter vergelijking: dat is ongeveer zo hard als het geluid van een draaiende blender. 

Met zijn kleine puntige, iets kromme, snaveltje peutert hij insecten en andere kleine diertjes uit de smalste spleetjes. Af en toe, ter afwisseling, wat zaadjes. Dat moet veel en de hele dag, want al doet zijn naam vermoeden dat hij winterhard is, dat is hij dus eigenlijk helemaal niet. In de winter hebben ze het best moeilijk om warm te blijven. Daarom moeten ze de hele dag eten om de koude winternachten te kunnen overleven. Ik las ergens dat ze in een koude nacht wel 10% van hun lichaamsgewicht kunnen verliezen. 

Als ik dat zou doen, zou ik de volgende ochtend direct een taart bestellen om het te vieren.

Afin, de hele dag eten is dus van levensbelang. Wanneer we een strenge winter hebben, kan de helft van onze populatie sterven en het duurt jaren — soms wel vijf — voordat hun aantal weer op peil is. Je zou denken dat zo’n kleintje het daarom wat rustiger aan zou doen, maar nee. Hij hupt nerveus door de tuin, ondertussen luid zingend: “Dit hier is mijn tuin, waag het niet om je hier te laten zien.”  

Een koning is het wel.

Ik sta naar hem te kijken en denk: straks is het voorjaar, dan ga je helemaal los. Dan ga je aan de slag met het bouwen van nesten. Meerdere nesten ja. Want hij bouwt er soms wel vier. Mooie kleine bolletjes, bekleed met mos, haartjes en kleine takjes. 

De winterkoningin kiest dan de mooiste uit. Ondertussen probeert meneer een tweede en eventueel een derde dame te strikken. Anders staan die nesten toch maar leeg. Zonde toch.

We hebben een takkenmuurtje gebouwd tegen de muur van de schuur. Struiken eromheen en voldoende nestmateriaal in de buurt. Ik vermoed dat meneer daar overwinterd heeft. Of hij daar dan ook een van zijn nestjes zal bouwen, weet ik niet. Ik hoop het wel. Maar ja… eerlijk is eerlijk… Fred en Nico banjeren ook regelmatig door de tuin, soms vriendjes en vriendinnetjes uit de buurt meenemend. Dus of het verstandig is, is de vraag.

In ieder geval blijven we ervoor zorgen dat hij genoeg plekjes heeft om eten, nestmateriaal en schuilplekjes te vinden.

Tommie

Ik heb hem Tommie genoemd. De naam past bij hem.

Eigenlijk weet ik ook niet waarom wij mensen zo nodig van alles en nog wat namen moeten geven. Ik denk dat het komt doordat je, wanneer je een dier een naam geeft, er medeleven ontstaat — misschien omdat het het ‘persoonlijker’ maakt. Ik heb hem een naam gegeven, dus is hij van mij… zoiets?

En laten we eerlijk zijn, wanneer manlief vraagt waar ik naar kijk en ik antwoord “naar een winterkoningman in de tuin” of “naar Tommie”, wat klinkt beter?

Dus ik sta naar Tommie te kijken en kan een glimlach niet onderdrukken. Zo’n leuk, klein, venijnig beestje. Een dondersteentje kan het zijn. Tien gram aan vechtlust als het erop aankomt.

In de natuur staat de winterkoning symbool voor kracht, creativiteit en moed om je stem te laten horen — ook als de omstandigheden niet ideaal zijn. Juist in de zomer, wanneer het leven gonst van energie, laat hij zich horen om mij eraan te herinneren dat er altijd ruimte is voor mijn eigen geluid.

Dit kleine vogeltje laat mij zien dat ook in donkere tijden mijn innerlijk licht mag stralen. Hij nodigt mij uit om trouw te blijven aan mijn eigen stem.

En Tommie vertelt me: blijf zingen, blijf groeien, blijf leven vanuit jouw hart.

en vergeet niet...Blijf zacht

Sokrebellie

Er zijn van die dagen waarop je denkt: ik ga even een stukje wandelen. Een frisse neus, een beetje beweging, niks ingewikkelds. Tenminste… dat dacht ik. Totdat ik besloot om laarzen aan te trekken. Niet van die gezellige, wijduitlopende laarzen waar je zo in glijdt. Nee hoor. Ik had natuurlijk die andere aan. Die paardenmeisjeslaarzen, waar je eerst je skinny jeans in moet proppen alsof je een boa constrictor terug in zijn terrarium probeert te duwen.

En dan begint het. Het Grote Hijsen.

Eerst een plekje zoeken om te zitten — want dit soort drama doe je niet staand. Laars uit. Sokken ophijsen. Met veel gedoe, want je skinny jeans even laten zakken zou eigenlijk het handigst zijn, maar ja… dan sta je dus op straat in je onderbroek. En hoewel ik veel kan hebben, is dat toch net een brug te ver.

Je vraagt je misschien af hoe een sok überhaupt kan afzakken als alles eromheen strak staat als een vacuümverpakking. Nou, dat zal ik je vertellen: deze sok had zijn pensioen allang verdiend. Je kon nog net niet de krant door de hiel lezen. En dan die maten tegenwoordig: op het label staat 39–42, maar in werkelijkheid is het meer 37,5 met grootheidswaanzin.

Daar komt bij dat mijn Hollandse kuiten — die ik koester, maar die wel degelijk aanwezig zijn — mij dwingen laarzen te kopen die eigenlijk een maatje te groot zijn. Gevolg: een losse hiel die bij elke stap mijn sok naar beneden trekt alsof hij een eigen ontsnappingsplan heeft. Mijn briljante idee om de sok dan maar over mijn broek te trekken, tussen laars en stof in, bleek vooral theoretisch briljant.

Twintig minuten. Zolang duurde het voordat ik eindelijk kon beginnen aan mijn wandeling. Had ik net zo goed terug naar huis kunnen lopen voor andere sokken. Maar nee, eigenwijs als ik ben, liep ik door. Misschien kruipt hij vanzelf weer omhoog, dacht ik nog hoopvol.

Maar nee.

De sok koos de weg van de minste weerstand: richting tenen. Daar vormde hij een compacte, irritante sokbol die me dwong letterlijk met kromme tenen te lopen. Dus opnieuw: plekje zoeken. Laarzen uit. Sokken uit. Laarzen aan. Sokken in de dichtstbijzijnde vuilnisbak. En toen, met koude voeten in veel te ruime laarzen, ben ik maar terug naar huis gesjokt.

Die wandeling? Die kon me ondertussen gestolen worden.

Blijf zacht, ook als het even niet lukt


Ochtenddienst in Huize Beumer: waar de katten de baas zijn

Er zijn huishoudens waar de dag rustig begint. Een wekker die zachtjes piept, een slok koffie, misschien zelfs een momentje stilte. En dan heb je Huize Beumer — waar de dagstart wordt geregisseerd door drie katten met ieder hun eigen agenda, voorkeuren en duidelijke mening over hoe jij je ochtend zou moeten indelen. Jij hebt daar weinig over te zeggen.

Welkom in mijn ochtendritueel. Of, zoals de katten het noemen: de dagelijkse personeelsbriefing.


De brullende wekker genaamd Fred

Het is nog donker wanneer ik wakker schrik van een geluid dat het midden houdt tussen een oerkreet en een operazanger die zijn warming-up doet. Dat is Fred. Fred wil iets. En Fred wil dat nu. Eten. Naar buiten. Of allebei. De volgorde maakt hem niet uit, zolang het maar onmiddellijk gebeurt.

Gisteravond ben ik vroeg naar bed gegaan — een hele dag hoofdpijn doet dat met een mens — maar Fred had daar geen boodschap aan. Toch bleek het, toen ik beneden kwam, helemaal niet zo extreem vroeg te zijn. Sterker nog: hij had zich keurig gedragen. (Ik ken namelijk ook de vier-uur-of-half-vijf-ochtenden. Dan voel je je net een zombie met een kattenabonnement.)

Na een aai over zijn koppie en een welverdiend compliment kreeg hij zijn ontbijt en de deur naar buiten. Nico sloot zich aan bij de ochtendploeg en kreeg dezelfde behandeling. Hannah keek het allemaal aan met de blik van iemand die dacht: “Ze kruipt zo weer terug in bed.” En eerlijk? Dat was nog niet eens zo’n gek idee.

Ik probeerde het. Een half uurtje. Tot Fred — alias Meneer de Directeur — weer stond te zeuren dat hij naar binnen wilde. En ja hoor, plichtsgetrouwe dienares als ik ben, hees ik mezelf weer uit bed om hem binnen te laten.

Negeren, zoals alle kattenexperts adviseren? 

Vergeet het maar. Fred houdt dat rustig anderhalf uur vol. En met buren die hun slaap nodig hebben, is een brullende kattenwekker om vier uur ’s ochtends geen optie. Deze jaren ’50-woningen zijn namelijk gehorig genoeg om zijn ochtendaria perfect door te geven.

Binnenpret voor Hannah: de brokjes-speurtocht

Omdat Hannah alleen in de kattenren komt, moet ze binnenshuis worden uitgedaagd. Dus leg ik onder andere regelmatig een brokjes-spoor door de woonkamer. Zodra ze binnenkomt, gaat ze op zoek — compleet met lieve miauwtjes en tussendoor een paar kopjes tegen mijn benen. Ze is inmiddels zo ervaren dat ik steeds creatiever moet worden met verstopplekjes. Het is bijna een escape room, maar dan met snacks.

Nico en Fred hebben hun avontuur buiten al gehad. Nico kruipt nog even bij manlief in bed, Fred installeert zich op zijn vaste stoel en Hannah loopt haar route nog drie keer na om zeker te weten dat ze niets gemist heeft.

En dan, heel even, is er rust in Huize Beumer. De katten zijn tevreden, de koffie staat klaar, de gordijnen zijn open en ik heb mijn bammetje en pijnstillers binnen. De dag kan beginnen.

Tenminste… tot Fred besluit dat hij tóch weer iets wil.


Blijf zacht




“Tussen begrijpen en voelen: mijn weg naar loslaten”

Soms komt een oud verhaal ineens opnieuw tot leven. Niet omdat je iets nieuws ontdekt, maar omdat je het eindelijk écht voelt. Dat overkwam mij toen ik vanmorgen terugrekende hoe mijn moeder, nog geen vijfendertig jaar oud, al acht kinderen had groot te brengen — grotendeels alleen. Het zette iets in beweging. Een oud verdriet, een nieuw inzicht, en de vraag die al zo lang onder mijn huid zit: 

hoe laat je los wat zo diepgeworteld is?

Ik heb nooit kinderen gewild. Mijn moeder had er acht. Negen eigenlijk, als je de miskraam van zes maanden meerekent. Vanmorgen zat ik eens te rekenen hoe en wanneer iedereen geboren is. En ineens sloeg het me om het hart. Natuurlijk wist ik het allemaal al, maar het besef kwam nu pas echt binnen.

Tussen mij en mijn broer boven mij zit vijf jaar. Mijn moeder was negentien toen ze haar eerste kind kreeg, mijn oudste zus. Een jaar later, op haar twintigste, verloor ze een kindje na zes maanden zwangerschap. Het jaar daarna werd mijn oudste broer geboren. En vervolgens raakte ze drie jaar achter elkaar zwanger. Ze was pas vierentwintig toen ze al vijf kinderen had om voor te zorgen. En dat deed ze grotendeels alleen. Mijn vader werkte aan de andere kant van het land en was alleen in de weekenden thuis.

Kun je het je voorstellen: op zo’n jonge leeftijd vijf kinderen opvoeden, in je eentje, terwijl je ook nog een miskraam moet verwerken… ook in je eentje.

Toen ze negenentwintig was, kwam ik – ‘zei de gek’ – en daarna volgden er nog twee kinderen. Ik noem mezelf altijd de eerste van de tweede generatie, omdat er vijf jaar tussen zit. En zo voelt het vaak ook. Met mijn oudere broers en zus heb ik nooit echt een diepe band gehad. Niet zo vreemd, want toen ik me net bewust werd van het feit dat ik überhaupt broers en een zus had, was mijn zus al het huis uit. Met mijn jongere broer en zus heb ik ook geen echte verbinding. We gingen allemaal onze eigen weg.

Mijn vader was geen slechte man, maar hij dronk. Meer dan goed was voor hem en voor ons. Op een gegeven moment kon mijn moeder het niet meer aan en vertrok ze. Niet voorgoed, maar ze had rust nodig. Adempauze. Ik denk dat ik een jaar of tien was, maar eerlijk gezegd weet ik het niet precies. Veel jeugdherinneringen ben ik kwijt. Wat ik wél weet, is dat ze van de ene op de andere dag weg was. 

Wat heb ik me in de steek gelaten gevoeld.

Ik vertel dit omdat ik probeer te begrijpen waar sommige dingen die mijn moeder deed en zei vandaan kwamen. En ik merk dat ik het eigenlijk heel goed begrijp, vooral wanneer ik me probeer te verplaatsen in haar leven, haar omstandigheden.

En toch is daar die boosheid. Dat onbegrip. Dat verdriet. Het lukt me maar niet om het los te laten. Mijn gevoel en verstand staan lijnrecht tegenover elkaar.

Mijn moeder is inmiddels bijna 90 en erg fragiel. Ik wil niet met boosheid, verdriet en onbegrip afscheid van haar moeten nemen. Maar een gesprek met haar heeft geen zin meer. Ik wil haar dat ook niet aandoen. Wat kan ze er nog mee? Moet ik verantwoordelijk zijn voor het feit dat zij straks misschien met een rotgevoel – of zelfs schuldgevoel – overlijdt? 

Nee, dat denk ik niet.


Dus moet ik er zelf mee dealen. Maar hoe? Hoe laat je los wat zo diepgeworteld is.


Reflectie:

loslaten is geen knop, maar een beweging

Wat ik langzaam begin te begrijpen, is dat loslaten niet betekent dat je vergeet. Het betekent ook niet dat je goedpraat wat pijn heeft gedaan. Loslaten is eerder een beweging dan een beslissing. Een verschuiving van vasthouden aan het verleden naar ruimte maken voor jezelf in het heden.

Misschien begint loslaten met erkennen dat het kind dat ik toen was, nooit heeft gekregen wat het nodig had — en dat de volwassene die ik nu ben, dat wél mag ontvangen. Van mezelf. In mijn eigen tempo.

Misschien begint het met mildheid.

Met zachter kijken.

Met toestaan dat twee dingen tegelijk waar kunnen zijn: dat mijn moeder het zwaar had, en dat ik pijn heb.

En misschien is dat genoeg om langzaam, stukje bij beetje, de greep te laten verslappen.


Loslaten is geen eindpunt.

Het is een richting.

En ik ben onderweg.


Blijf zacht

Theezakjeswijsheid en bloeiende inzichten"

 Hoe een simpele vraag over bloemen leidde tot een ode aan Moeder Natuur.


Je kent ze wel. Die theezakjes met een labeltje eraan. Niet zomaar een labeltje met een merk of smaak, nee — eentje met een vraag. Soms luchtig, soms verrassend diep. Geen Kant of Nietzsche hoor, maar toch: af en toe zit er eentje tussen die je even laat stilstaan. 

Zoals vandaag.

"Wat is jouw lievelingsbloem?"

Klinkt simpel, toch? Maar ik zat daar met mijn dampende kopje thee en dacht: tja… wat ís eigenlijk mijn lievelingsbloem? Geen idee. Ik vind er zoveel mooi. De één vanwege z’n kleur, de ander om z’n geur, en weer een ander omdat-ie eruitziet als een kunstwerkje van Moeder Natuur zelf. En laten we eerlijk zijn: ze heeft haar best gedaan. Echt hoor, petje af.

Natuurlijk zijn er ook bloemen die ik wat minder waardeer. Kunstmatig gekleurde exemplaren bijvoorbeeld — sorry, maar dat voelt alsof je een Rembrandt met neonverf overschildert. Zo heeft Moeder Natuur dat niet bedoeld. En wat zij bedenkt, is meestal spot-on. Neem nou bloemen die precies de juiste insecten aantrekken. Sommige beestjes zijn zó goed aangepast dat je ze bijna niet van de bloem kunt onderscheiden. 

Staaltje camouflage level: expert.

Bloemen zijn dus niet alleen mooi, ze zijn ook onmisbaar. Ze bieden voedsel aan bijen, vlinders en andere bestuivers. Zonder bloemen geen nectar, zonder nectar geen insecten, en zonder insecten… geen vogels. Het domino-effect van de natuur. En wist je dat wilde bloemen ook de bodem gezond houden? Ze zijn basically de huisartsen van het ecosysteem.

Maar goed, terug naar die vraag. Wat is mijn lievelingsbloem? Vandaag zijn dat de Camellia sinensis en kamille. Waarom? Omdat ze samen verantwoordelijk zijn voor het heerlijke kopje thee dat ik nu zit te drinken. 

Ja ja, ik drink ook wel eens thee. En blijkbaar filosofeer ik er ook van.

Blijf zacht en geniet van je thee en van bloemen.

“Liefde heeft geen kalender nodig”

Valentijnsdag is weer begonnen hoor: de dag waarop heel Nederland collectief in een roze wolk wordt geduwd door de commercie. Rozen, chocolade, hartjesballonnen… als je niet meedoet, ben je blijkbaar een soort liefdesbarbaar. Nou, ik dus. En ik leg je graag uit waarom.

Valentijnsdag: de jaarlijkse commerciële liefdesinfuusdag

Het is weer Valentijnsdag. 

En eerlijk? Ik heb er dus he-le-maal niets mee. Het voelt als zo’n feest dat ooit ergens in Amerika is ontsnapt, op een vliegtuig is gesprongen en hier is geland met een koffer vol rozen, chocolade en hysterisch veel roze confetti. En wij? Wij hebben het massaal omarmd alsof het een nationale verplichting is. Koop je geen bos rozen waar je een hypotheek voor nodig hebt, of een ballon in de vorm van een hart zo groot als je auto, dan hoor je er blijkbaar niet meer bij. Wat mij betreft: commerciële pseudoromantische onzin.

In de jaren ’90 ging Amerika er nog eens extra hard tegenaan. Alles moest groter, zoeter, duurder en vooral… nóg meer. En natuurlijk deden wij Nederlanders vrolijk mee. Tegenwoordig zijn winkels al weken van tevoren omgetoverd tot een soort roze suikerspinhel: overal ‘love’, glitter en kitsch. Je zou bijna denken dat 14 februari een nationale feestdag is waar we ons maanden op moeten voorbereiden.

En dan die artikelen die beweren dat Valentijnsdag zó leuk en zó liefdevol is. Ja hoor, liefdevol voor de portemonnee van ondernemers misschien. En alsof dat nog niet genoeg is, krijg je als single ook nog even te horen dat je vandaag heeeeel zielig bent. Wie heeft dat eigenlijk ooit bedacht?

Want laten we eerlijk zijn: liefde is toch niet “Ik hou van jou, want kijk, ik heb een doos pralines gekocht bij de duurste plaatselijke chocolaterie”? Mijn man en ik laten elkaar elke dag merken dat we van elkaar houden. Met een knuffel, een zoen, een subtiele aanraking of gewoon door te zeggen: “Ik hou van jou” of “Blijf jij maar lekker zitten, schat, ik pak dit wel even.” Dat is liefde. Niet een verplicht nummer op 14 februari.

Wil je écht iets romantisch?

Dump je kinderen twee dagen bij opa en oma en ga samen een weekend weg. Heb je daar een speciale dag voor nodig? Natuurlijk niet. Plan het gewoon eens in de zoveel tijd. Of nog beter: spontaan. Dat is pas romantiek.

Natuurlijk moet iedereen zelf weten of en waarom ze Valentijnsdag vieren. Maar hoe oprecht is een liefdesverklaring die moet plaatsvinden op een datum die door een paus, Gelasius I, zo’n 1530 jaar geleden is bedacht en door de commercie handig wordt uitgebuit? Waarom niet op een dag die wél betekenis heeft? Zoals in ons geval 17 juni — onze trouwdag. Daarom vieren mijn man en ik geen Valentijnsdag omdat het moet, maar op elke andere willekeurige dag van het jaar.

Gewoon omdat we het menen. En omdat liefde geen kalender nodig heeft.

Blijf zacht voor elkaar

Fibromyalgie en ik: een ingewikkelde relatie.

Over een lichaam dat zijn eigen regels maakt en mij vergeet te informeren 

 Wat je niet ziet, maar wat er wél is

Fibromyalgie en ik: een ingewikkelde relatie. Niet omdat het geen deel van mijn leven is, maar omdat ik er zelf meestal niet bepaald een polonaise van ga lopen. Misschien vind ik het te confronterend, misschien ben ik er gewoon een beetje klaar mee — wie zal het zeggen.

Maar goed, vanmorgen vroeg struikelde ik over een blog van iemand die al op haar 17de de diagnose kreeg. Zeventien! Ik kreeg ’m ruim tien jaar later pas, terwijl mijn klachten al rond mijn 16de begonnen. Mijn enkels, polsen, heupen, schouders en vooral mijn knieën waren toen al in volledige dramamodus. Ik hoefde mijn knieën maar aan te kijken en ze deden pijn. Stootte ik ze ergens tegenaan, dan zaten ze meteen vol vocht. Alsof ze een eigen kuuroord runden.

De omstandigheden thuis waren destijds niet bepaald ideaal om aandacht te besteden aan mijn klachten. En omdat fibromyalgie toen nog klonk als iets dat je verzon om onder de gymles uit te komen, werd ik vooral niet serieus genomen. “Het zit tussen je oren,” was de diagnose van dienst. Mijn huisarts probeerde me op mijn 20ste zelfs antidepressiva aan te smeren. Eh… nee bedankt.

Ik heb van alles geprobeerd: acupunctuur, fysiosport, alternatieve dingen waarvan ik nu niet eens meer weet hoe ze heetten. Niets hielp. Het enige dat wél verschil maakte, was leren omgaan met mijn tijd en mijn lijf. Niet sexy, wel effectief.

Vijf jaar geleden dacht ik even dat ik dé oplossing had gevonden: meer bewegen! Dus ik schreef me in bij de fysiosport. In het begin ging het prima, maar na een tijdje merkte ik dat mijn herstel en mijn trainingen elkaar begonnen te overlappen. Oftewel: ik herstelde gewoon niet. Aanpassen hielp niet. Minder vaak gaan hielp niet. Uiteindelijk was ik alleen nog maar bezig met trainen, herstellen, niet herstellen en weer opnieuw beginnen. Ik was er helemaal klaar mee. Dus ik stopte.

Nu beweeg ik als het kan, en niet als het niet kan. Simpel. En eerlijk gezegd: ik heb er vrede mee. Zodra het weer warmer wordt, doet mijn lijf het meestal beter en word ik vanzelf actiever. Ik vertrouw daar inmiddels op.

In die blog van vanmorgen las ik ook dat zij soms twijfelt aan de diagnose. Dat herken ik zó. Die beroemde triggerpoints? Ik heb ze niet allemaal. En zeker niet elke dag. Soms lijkt het alsof ze verhuizen. Dan doet plek A ineens niks meer, maar plek B besluit spontaan auditie te doen voor een rol in een drama-serie. Maar nooit allemaal tegelijk. Dus ja, ook ik twijfel wel eens.

Maar om nou tegen iedereen te zeggen dat ik lijd aan de ziekte van Ze-weten-het-niet…

Blijf zacht voor je lijf


Note:

Wil je haar blog bekijken kijk dan eens op Gelukkig de 13de




Moe zijn is ook gewoon een fulltime baan

Mijn hoofd wil marathons lopen, maar mijn lijf heeft zich aangemeld voor een langdurige zitcursus. Over loslaten, stofnesten en ziteelt — ja, dat lees je goed.

Ik ben heus niet altijd die positiviteitsgoeroe die iedereen denkt dat ik ben. Echt niet. Ik word ook gewoon gallisch van die vage buikpijn die al dagenlang besluit mijn huisgenoot te zijn. En die vermoeidheid… daar word ik dus óók moe van. Het is niet eens mijn hoofd dat moe is — was het maar zo’n feest. Dan kon ik gewoon de luiken dichtgooien en de boel de boel laten. Maar nee hoor, het is mijn lichaam dat weer eens in staking is. Zonder onderhandelingen, zonder duidelijke waarschuwing. Of nou ja, misschien wel maar ik koos er weer eens voor dat te negeren.

Elke keer als ik denk: nu ga ik eens flink de boel aan kant maken, zegt mijn lijf in alle talen: “Succes ermee, maar zonder mij.” Ik ben gewoon moe van het moe zijn. Zoveel plannen, zoveel ideeën, en nul uitvoering omdat mijn lijf de rem erop houdt. Om te huilen, bijna.

Maar dát gaan we dus niet doen!

Ik weiger mijn humeur te laten afhangen van een lichaam dat zich gedraagt als een peuter die zijn schoenen niet aan wil. Ja, het stof ligt hier inmiddels flink grijs te wezen. En ja, een sopje hier en daar zou geen overbodige luxe zijn. En natuurlijk kan ik manlief vragen om wat dingen te doen — wat hij overigens met liefde en best goed doet. Maar hij doet het wel… op zijn mans. En veel vrouwen weten precies wat ik daarmee bedoel.

Daar ligt voor mij dus nog een levenslesje: loslaten.

Let it be. Laat het gaan.

Laat gaan dat het niet NU wordt gedaan. Laat gaan dat het anders wordt gedaan dan jij zou doen. Laat gaan dat jij nu even niet kan — straks wel weer. Laat gaan.

En ondertussen denkt iedereen waarschijnlijk dat ik gewoon een dikke kont heb. Nou, dat is dus voor de helft pure ziteelt.

Dus ja, het is even behelpen. Mijn lijf doet zijn eigen ding, mijn hoofd wil van alles, en het huis… tja, dat ligt geduldig te verstoffen. Maar ik laat het los. Straks kan ik weer meer, straks komt de energie terug. En tot die tijd? Dan kweek ik gewoon nog wat extra ziteelt. Je moet toch íets.


Blijf zacht, ook als het allemaal even niet lukt


“Stel… je hele leven staat in het teken van discipline, ambitie en succes.”

 



“Stel… je hele leven staat in het teken van discipline, ambitie en succes.”

Je hebt een verloofde.

Hij heeft zijn vermogen opgebouwd met boksen en influencen.

Maar hij is meer dan alleen een bokser en influencer. Hij heeft zijn fortuin ook vergroot door slimme zakelijke keuzes. Hij richtte verschillende succesvolle bedrijven op. Deze ondernemingen brachten niet alleen nieuwe kansen, maar ook aanzienlijke inkomsten. Daarmee heeft hij zijn vermogen flink vergroot en zijn financiële toekomst veiliggesteld.

“Maar dit verhaal gaat niet alleen over hem — het gaat vooral over jou.”

Je wordt inmiddels niet alleen genoemd om je prestaties in de sport, maar ook om je financiële keuzes. Met een geschat vermogen tussen de €2,5 en €3,5 miljoen (sommige bronnen spreken zelfs van €5 miljoen) heb je je succes goed weten te verzilveren. Een groot deel van je inkomsten komt uit Instagram-samenwerkingen, maar een aanzienlijk deel heb je ook verdiend met je talent in de sport.

Je kon niet verder groeien bij de ploeg waarbij je was aangesloten, en koos daarom je eigen weg. Om te komen waar je wilde zijn, arriveerde je met een privévliegtuig. Daar vonden mensen wat van. Je wilde je volledig focussen op je aankomende sportprestaties en koos er daarom voor om nog even liever niet te praten met Jan en alleman. Ook daar vond men wat van.

Maar jij trok je er niets van aan en deed je eigen ding. Je stond je vrouw. En hoe! Goud! Een dikke neus naar iedereen.

Stel... jij bent nu die vrouw...  

Zou jij dit alles opgeven of anders doen omdat men er iets van vindt? 

Of zou jij, net als deze jonge vrouw, lekker genieten van wat het leven en je hard verdiende rijkdom je te bieden heeft.

Soms is het lef hebben om jezelf te blijven het grootste goud dat je kunt winnen.


Blijf zacht

Spijt is zinloos…


Ik heb helemaal niets met het woord spijt. Ik vind spijt een zinloze emotie. Het heeft geen enkele zin om ergens spijt van te hebben, want ik kan het verleden niet meer veranderen. En toch…

Had ik maar die opleiding gevolgd waar ik destijds zo enthousiast over was. Had ik maar anders gereageerd toen mijn oudste pleegdochter het huis uit ging. Was ik maar wat vaker voor mezelf opgekomen, in plaats van af te wachten wanneer de volgende klappen vielen.

Allemaal voorbeelden van spijt waarvan ik rationeel weet dat ze nergens op slaan. Want met wat ik toen wist — en kon, en durfde — handelde ik naar eer en geweten. En soms uit pure zelfbescherming. Dat ik daar nu spijt van heb, is eigenlijk best logisch. Maar het verandert niets.

Sterker nog: ik weet nu al dat ik over twintig jaar waarschijnlijk met mijn handen in het haar zit en denk: Hoe heb ik ooit gedacht dat dát een goed idee was? Zo werkt het leven. We zijn altijd wijzer in de toekomst dan in het moment zelf. Best irritant eigenlijk.

Met compassie terugkijken

Als het om spijt gaat, probeer ik mild te zijn voor wie ik toen was. Als ik handelde met de kennis en wijsheid die ik op dat moment had, dan levert spijt me nu geen zak op. Ik wist simpelweg niet beter.

En ja, ik zou liegen als ik zeg dat het me nooit heeft aangeknaagd. Natuurlijk wel. Soms jarenlang. Maar uiteindelijk kwam ik tot dezelfde conclusie: het levert me niets op behalve een rotgevoel. En daar heb ik geen behoefte aan.

Wat ik wél kan doen

Leren.

Groei komt niet uit perfecte keuzes, maar uit de momenten waarop we struikelen, botsen, falen of achteraf denken: Oei, dat had anders gekund.

Ik leer van mijn eigen fouten, en eerlijk is eerlijk, soms ook van wat ik vind dat anderen fout doen. Wat ik vind, hè — want wat voor mij een blunder lijkt, kan voor een ander juist heel logisch voelen. Zonder fouten geen leermomenten. Zonder leermomenten geen groei.

En als ik al een taak heb op deze aardkloot, dan is het dit: leren, groeien, wijzer worden, en die wijsheid delen. In de hoop dat iemand er iets aan heeft. 

Of dat jij in elk geval met een glimlach je dag vervolgt.

Blijf zacht 

Zestig en springlevend (nou jaaaa…)

Men zegt dat de jaren tussen de 60 en 70 het mooiste decennium van je leven zijn. Tenminste… dat wordt gezegd. Ik heb nog niemand gezien die er een officieel keurmerk voor heeft uitgegeven, maar goed — ik ben bereid het te geloven.

Elke levensfase komt met nieuwe uitdagingen, maar ergens tussen je zestigste en zeventigste schijnt er ineens van alles te verschuiven. Rimpels, prioriteiten, energielevels… noem maar op. De vraag is: hoe ga ik daarmee om? En vooral: hoe haal ik alles uit dit zogenaamd gouden decennium zonder mezelf te verliezen in gouden glitters die overal blijven plakken?

Van hoofd naar hart (en soms weer terug)

Ik merk dat ik steeds minder in mijn hoofd woon en steeds vaker in mijn hart. Alsof ik eindelijk de sleutel van die deur heb gevonden — hij lag waarschijnlijk al die tijd gewoon in mijn rommellaatje.

Ik kijk anders naar dingen. Dieper. Rustiger. Alsof ik nu pas klaar ben voor de betekenis van het leven, in plaats van alleen de gebruiksaanwijzing. En eerlijk? Het voelt een beetje vreemd, maar vooral prachtig. Ik ben gelukkiger dan ooit. En ik hoop dat dat voor meer zestigers geldt.

Herinneringen: welkom, maar geen logeerpartij meer

Wat ik ook merk: herinneringen mogen er zijn, maar ze hoeven niet meer elke dag op de bank te komen zitten met een kop koffie en een “Weet je nog…?”.

Ze bepalen mijn leven niet meer.

En dat geeft ruimte.

En rust.

En minder koffie.

De kleine dingen zijn ineens groot

Een wandelingetje.

Stilte in de ochtend. Schrijven zonder afleiding. Een merel die vindt dat hij de Pavarotti van de tuin is. Een kat die op schoot ligt alsof hij mij persoonlijk heeft gevonden.

Elke dag iets kleins, iets van mij. Het is bijna decadent hoe heerlijk dat voelt.

Zelfzorg, maar dan op mijn manier

Een beetje beter nadenken — of eigenlijk helderder denken — lukt me steeds vaker. Mijn energielevel is nog niet helemaal waar het wezen moet, maar ik heb goede hoop. Zodra de lentezon zich laat zien en het frisse groen weer opduikt, kom ik meestal vanzelf uit mijn jaarlijkse winterslaap. Ik ben net een beer, maar dan met een betere garderobe.

Bewuster leven, niet perfecter

Ik geniet meer van alles om me heen. Niet omdat alles perfect is — verre van, gelukkig maar — maar omdat ik bewuster ben. Van de mensen die ertoe doen. Van mijn lichaam en wat het nodig heeft. Van het leven dat precies bij mij past, in dit moment, in dit decennium.

Als dit het gouden decennium is… dan glimt het precies goed.


Blijf zacht

Waarom ik Copilot gebruik (en waarom dat helemaal oké is)

Over samenwerken met technologie zonder je authenticiteit kwijt te raken


Iedereen heeft een mening, ik ook.

We leven in een tijd waarin iedereen overal iets van vindt. Over politiek, over het weer, over de buurvrouw die weer haar kliko te vroeg buiten zet. En eerlijk is eerlijk: ik doe daaraan ook mee. Zo hebben we met z’n allen inmiddels ook een mening over het gebruik van Copilot. De één roept dat het de ondergang van de mensheid is, de ander ziet het als een soort digitale butler.

Ik beken schuld. Ik gebruik het ook.

Wanneer ik een stukje heb geschreven — ja, écht helemaal zelf, met mijn eigen brein en vingers — dan laat ik Copilot er even overheen gaan. Niet om mijn werk over te nemen, maar om te checken of mijn zinnen een beetje soepel lopen, of het geheel blogwaardig is en of ik niet per ongeluk een grammaticale ramp heb veroorzaakt.

Daarnaast vraag ik Copilot meestal om een illustratie en soms een pakkende (sub)titel te verzinnen. Waarom zou ik dat verbergen? Het is gewoon een handig hulpmiddel. Een slimme assistent. En ik blijf de redacteur én eindredacteur. Niet meer en niet minder.

Want laten we eerlijk zijn: het is niet verstandig om alles wat Copilot uitspuugt klakkeloos over te nemen. Soms komt er iets briljants uit, soms iets waarvan je denkt: heb jij vannacht wel geslapen? Het blijft tenslotte technologie — slim, maar niet alwetend. En het kent mij niet persoonlijk, dus ik moet altijd even checken of het klopt bij mijn stijl, mijn toon en mijn bedoeling.

Dus ja, ik gebruik Copilot. Maar het eindresultaat? Dat blijft gewoon van mij. Met mijn woorden, mijn humor, mijn stijl — alleen net even wat gladgestreken door mijn digitale hulpje.

Blijf zacht

Ik ben een echte wiki‑rabbit 🐇

 Hoe ik van pinguïns naar de planeet Mars hop.



Volgens het internet ben ik dus een wiki‑rabbit. Ik wist niet eens dat het een officiële soort was, maar blijkbaar hoor ik thuis in het digitale dierenrijk. En eerlijk? Ik voel me vereerd.


Mijn natuurlijke habitat: Wikipedia.

Mijn favoriete bezigheid: ergens beginnen en nergens eindigen.


Het gaat ongeveer zo:

Ik typ “pinguïns” in. Gewoon, omdat ik wil weten of ze nou écht zo trouw zijn als iedereen beweert. Maar Wikipedia is geen encyclopedie — het is een portaal naar een parallel universum. Voor je het weet klik ik op Humboldstroom, dan op saliniteit, dan op estuarium, dan op Theems, dan op getij, dan op George Howard Darwin (blijkbaar een mens, geen pinguïn), dan op Mars, en uiteindelijk beland ik weer bij Antarctica.

En dan denk ik: “Oh ja, pinguïns. Daar was ik ooit aan begonnen.”

Ik kan daar dus rustig een uurtje zoet mee zijn. Heerlijk lezen, leren, en om de paar minuten zo’n “Huh, dat wist ik niet!”‑momentje. Blijkbaar heet dat down the rabbit hole gaan.

Ik noem het liever: Margot in Wonderland.

En eerlijk? Ik duik er graag in, maar gelukkig klim ik er ook altijd weer vrolijk uit — klaar voor het volgende avontuur.

Blijf zacht 





De seizoenen en ik: een knipperlichtrelatie


Ik heb een ingewikkelde relatie met de seizoenen. Ik heb ze nodig, maar ik ben er ook altijd verrassend snel klaar mee. Alsof ik vier keer per jaar een blind date heb met iemand die in theorie geweldig is, maar na drie weken toch irritant begint te kauwen.


Voorjaar — mijn grote liefde (voor even)

De lente is mijn favoriet. Punt.

De deuren mogen weer open, de ramen ook, en ik doe alsof frisse lucht een levensstijlkeuze is. De zon laat zich weer zien, planten worden groen, lammetjes stuiteren rond alsof hun moeder caffeïne produceert i.p.v. melk, en de koeien mogen eindelijk weer naar buiten. Ik geniet. Intens.

Maar dan, na een paar weken:

“Oké lente, leuk geweest. Waar blijft de echte warmte? De zon die niet om de dag vrij neemt? Het groen dat niet halfslachtig doet?”

Ik ben blijkbaar een seizoensversneller: altijd klaar voor de volgende aflevering.

Zomer — het seizoen waarin ik buiten woon

En dan… zomer.

Heeeeerlijk.

Ik verhuis mijn hele bestaan naar buiten. Schrijven in het zonnetje, fietsen, uitstapjes, terrasjes — ik leef alsof ik een mediterrane levensstijl heb, maar dan met Nederlandse prijzen voor een cappuccino.

Tot het moment dat de natuur moe wordt.

De zon hangt er dan bij alsof hij een burn-out heeft, de warmte voelt plakkerig in plaats van zomers, en ik denk:

“Doe maar even een buitje. Of twee. Of een week.”

En dan weet ik: het is tijd.

Herfst — adembenemend mooi, maar wel graag kort

De herfst komt binnen met een kleurenpalet waar elke schilder jaloers op zou zijn. Ik vind het prachtig. Adembenemend zelfs.

Maar na een paar weken denk ik:

“Nou, kom maar weer door met die lente.”

Ja, ik sla de winter gewoon over. Zonder schaamte.

Winter — noodzakelijk kwaad met een dun laagje romantiek

Ik zal niet liegen: een vers laagje sneeuw maakt de wereld even magisch.

Maar daarna… nee.

Wintersport? Niet voor mij.

Vakantie? Doe ik toch al niet aan.

De winter is belangrijk voor de natuur — en misschien ook voor mij, al twijfel ik daar soms aan. Een periode van rust, naar binnen keren, niets hoeven. Dat klinkt prachtig, maar waarom moet het drie maanden duren? Wie heeft dat bedacht?

Mijn voorstel aan Moeder Natuur

Kunnen we niet gewoon… elke maand van seizoen wisselen?

Twaalf mini-seizoentjes per jaar.

Veel beter te behappen.

Veel minder kans op seizoensmoeheid.

En ik hoop dat jij — ja, jij die dit leest — daar stiekem ook wel blij van wordt.


Blijf zacht, ook als het regent