“Voel jij je nooit eenzaam?” vragen mensen soms. Ik kijk dan naar manlief, naar de drie katten, naar de tuin en denk:
Wanneer zou ik daar tijd voor moeten hebben dan?
Wanneer je online zoekt op “alleen zijn”, krijg je vooral artikelen die het zien als een probleem. Hoe je eenzaamheid kunt bestrijden, hoe je sociale isolatie herkent, hoe je meer contacten opbouwt. Maar dat wil ik helemaal niet.
Alleen zijn en eenzaamheid zijn twee totaal verschillende dingen. Eenzaamheid ken ik wel — of nou ja, ik dacht dat ik het kende. Ik kan me enorm “eenzaam” voelen in een zee van mensen, maar inmiddels vermoed ik dat dat meer met overprikkeling te maken heeft dan met eenzaamheid. Ik ben graag alleen. In mijn eigen bubbeltje. Met manlief en de katten. Af en toe een praatje online of met een buur op straat vind ik prima en gezellig. Maar ze moeten niet op de koffie komen.
Mensen zijn kuddedieren, zeggen ze. En als je daar buiten valt, ben je vreemd of zielig. Dat is toch raar? Ik mis andere mensen ook niet.
Het is een vraag die altijd met dezelfde bezorgde frons wordt gesteld. Alsof er ergens een onzichtbare norm bestaat die zegt dat een mens pas compleet is wanneer hij omringd wordt door een hele meute mensen, liefst pratend, liefst druk. En als je dat niet hebt, dan moet er wel iets mis met je zijn. Een leegte. Een gemis. Een soort sociaal gat dat opgevuld moet worden met koffieafspraken, verjaardagen en groepsappjes die nooit stilvallen.
Maar ik heb geen gat. Ik heb een huis. En een man die net zo graag in zijn eigen hoekje zit als ik. En drie katten die het concept eenzame ziel vooral verwarren met iemand die nog niet heeft gevoerd. En een tuin die elke dag iets nieuws laat zien, zelfs als ik er niet om vraag.
Eenzaamheid is een gevoel van tekort. Maar ik leef in een overvloed aan rust.
Soms zitten manlief en ik in dezelfde kamer, ieder verdiept in iets anders. Hij in een verhaal op de laptop, ik in een zin die maar niet wil landen. De stilte tussen ons is geen leegte, maar een soort zachte deken. Een gedeeld zwijgen dat meer zegt dan welk gesprek dan ook. Samen alleen zijn — het is een kunstvorm die je niet leert, maar die je langzaam ontwikkelt als je ontdekt dat nabijheid niet altijd geluid nodig heeft.
Toch blijft de buitenwereld het lastig vinden. “Maar mis je dan geen mensen?” Nee. Ik mis hooguit mijn stukje kaas dat ik vergeten ben te kopen. Of een kat die zich weer eens in de kast heeft verstopt. Maar mensen? Nee hoor. Ik heb precies genoeg mensen. En precies genoeg stilte.
Misschien is dat het echte misverstand: dat stilte gelijkstaat aan eenzaamheid. Terwijl stilte voor mij juist de plek is waar alles samenvalt. Waar ik kan horen wat ik denk. Waar ideeën ontstaan. Waar ik mezelf niet hoef uit te leggen.
Er zijn zeker momenten dat ik onder de mensen ben. Ik ben niet wereldvreemd. Ik kan heus praten, lachen, luisteren. Maar ik hoef het niet elke dag. Niet elke week. Soms niet eens elke maand. Mijn sociale batterij is meer een zonnepaneel: werkt uitstekend, maar alleen als ik genoeg tijd in de luwte krijg.
Dus nee, ik ben niet eenzaam. Ik ben thuis. In mijn huis, in mijn hoofd, in mijn leven. En dat is precies waar ik wil zijn.
Waar vind jij je eigen stilte?
Blijf zacht en oordeel niet te snel
