Ochtendhumeur op pootjes

Het is nog schemerig buiten. Misschien net zes uur of zo. Heel langzaam dringt het tot me door.  “MRAAAAUWWW!” 

Met een zucht draai ik me om. Hij stopt zo vanzelf wel, denk ik.  

Zoiets noemen ze dus “wishful thinking”.

“MRAAAAUWWW!”  Nee Fred, ik wil nog even slapen.

“MRAAAAAAAUUUUUWWWWW!!!”

En daar is het hoor: hoppa, ochtendhumeur.  Sjagerijnig storm ik uit bed. Ik smijt wat brokjes in zijn bak, zet hem met bak en al in de ren.  “Zo. Zoek het maar even uit.”  

In mijn hoofd probeer ik te relativeren, maar mijn humeur doet niet mee. Verpest is het. Maar hoe komt dat eigenlijk? Dat je humeur zo bepaald wordt door hoe je wakker wordt?

Cortisol! 

Dat is de grote boosdoener.  Wat moeten we ook met dat goedje.  Maar zoals alles in ons lijf ergens goed voor is, is cortisol óók goed voor je.............Blijkbaar.

Cortisol is een stofje dat je lichaam zelf maakt. Het komt uit twee kleine “hoedjes” bovenop je nieren: de bijnieren.

Het helpt je echt met van alles:  

- je energie regelen  

- je slaap‑waakritme  

- je afweer  

- je stofwisseling  

En als je schrikt, je zorgen maakt of iets spannends moet doen, maakt je lichaam extra cortisol aan. Dat is handig, want dan heb je meteen energie om te reageren.  Eigenlijk is cortisol een soort“help‑me‑even‑door‑de-stress-heen”‑stofje.

’s Ochtends maakt je lichaam sowieso al extra cortisol aan om je wakker te krijgen.  Maar als je dan óók nog eens wordt wakker geschreeuwd door een kat…

dan gebeurt er dus dit:

“MRAAAAUWWW!” 

Ik schrik. PINGGG! cortisol omhoog. Mijn lichaam denkt: “O jee, er is iets! Actie!”  Mijn brein schiet in de ochtendpaniek-modus: “Waar is die kat? Waarom nu? Waarom ik? Waarom zó vroeg?”

En omdat cortisol eigenlijk bedoeld is om me rustig wakker te laten worden — beetje bij beetje — gaat het nu in één klap naar standje actie.  

En dat voelt… nou ja… als ochtendhumeur.

In kattentaal betekent “MRAAUW” gewoon:  “Het is ochtend. Ik leef. Jij leeft. Brokjes graag.” Dat voelt gewoon veel erger dan een wekker.  Een kat heeft geen snooze‑knop.  Kijkt niet op de klok.  Heeft geen respect voor mijn circadiaan ritme. En vindt vooral dat ik zijn personeel ben.

Dus terwijl mijn cortisol roept:  “Help, we moeten nú iets doen!”, roept mijn humeur: “Had dit niet een uurtje later gekund.”

Maar gelukkig zakt cortisol ook weer.  

En zodra Fred me overladen heeft met koppies, tevreden naast me gaat liggen slapen, ik mijn eerste koffie op heb, komt mijn lichaam weer terug in de ruststand en denk ik: “Ach ja… hij is ook wel weer lief.”

Zo begon mijn dag weer precies zoals Fred hem bedoeld had: met drama, brokjes en een lesje biologie.

Katten,.....je moet wel van ze houden. Toch?



Blijf zacht, ook als de ochtend even niet meewerkt.





De dag dat mijn zenuwstelsel ontslag mag nemen

Ik wist het al een tijdje: de buurvrouw gaat haar achtertuin aanpakken. Nieuwe terrassen, plantenbakken, alles strak en netjes. Gisteren ging het groen eruit, vandaag is het terras aan de beurt.

En natuurlijk wist ik óók wel dat daar een trilstamper bij komt kijken. Zo’n apparaat dat klinkt alsof iemand een kudde net beslagen paarden door een metalen container jaagt. Maar toch — ik was binnen drie minuten al overprikkeld.

Mijn eerste reactie: de radio aan.

Mijn tweede reactie, drie seconden later: de radio weer uit.

Blijkbaar dacht mijn brein dat herrie + herrie = rust. Wiskundig gezien een interessante poging, praktisch gezien een auditieve nachtmerrie.

Toen het lawaai eindelijk stopte, begon mijn lijf pas echt. Alles doet pijn. Mijn fibro-lijf is op zulke dagen net een dramatische diva die op de grond gaat liggen en gilt: “Ik kan echt niet werken onder deze omstandigheden! Ik wil zon! Wie heeft de warmte uitgezet?! Waar is mijn kleedkamer?!”

Nou ja, ze heeft een punt. Het frisse weer helpt ook niet. Mijn spieren verlangen naar zon en warmte alsof ze apart van mij geboren zijn op een tropisch eiland.

Ik wilde vandaag nog van alles doen — in huis, in de tuin, we zouden even weggaan. Maar mijn zenuwstelsel staat al uren in de aan-stand, mijn energie is gevlucht en mijn hoofd zit vol ideeën die nergens heen kunnen. Alsof er een hele vergadering in mijn hersenen plaatsvindt, maar niemand de notulen bijhoudt.

En dus zit ik hier op de bank. Pijn, moe, prikkelbaar, maar wel met uitzicht op een buurvrouw die straks een prachtig terras heeft.

Mijn dag ligt wonkie, maar haar tegels in elk geval niet.



Blijf zacht

(morgen is er weer een dag)




De ruimte tussen de woorden

Het is weer eens belachelijk vroeg wanneer Fred begint te drammen dat hij eten wil en naar buiten moet. Nog voordat ik beneden ben, schiet het door me heen dat ik iemands verjaardag ben vergeten. Dus na mijn kattenmoedersplicht stuur ik alsnog een berichtje.

Even later komt er een antwoord terug. Kort. “Dank U wel, mevrouw.”  

Wel met een emoji. Dat dan weer wel.

Maar nog voordat ik het scherm neerleg, voel ik iets in mij aanspannen. Een lichte druk in mijn borst, een oude reflex die sneller is dan mijn adem. Mijn hoofd vult het gat al op: Hij is vast geïrriteerd. Ik had gisteren moeten bellen. Misschien had ik anders moeten reageren.

Het gaat zo snel dat ik het zelf bijna niet merk — mijn brein zet een automatische ondertiteling aan onder een tragikomische film die nog niet eens begonnen is. De kamer is stil, maar in mij wordt het druk.

Ik kijk nog eens naar het berichtje en ergens weet ik: dit is niet de werkelijkheid. Dit is mijn snelheid.

Dit is het moment waarop ik mezelf betrap.  

Niet hard, niet verwijtend, maar alsof iemand een hand op mijn schouder legt en zegt: “Wacht even dame. Dit verhaal schrijf je zelf.”

Mijn gedachten rennen nog even door, uit gewoonte, maar het momentum is gebroken. De automatische piloot hapert. Er komt ruimte tussen het berichtje en mijn interpretatie — een dunne, maar voelbare scheur in het verhaal dat ik net nog geloofde.

Ik leg mijn telefoon neer en adem één keer dieper dan normaal. Niet om mezelf te kalmeren, maar om mezelf terug te halen.

Adem in, adem uit.

De stilte klinkt weer als stilte. De woorden “Dank U wel, mevrouw” worden weer gewoon woorden. Geen oordeel, geen lading, geen verborgen boodschap. Alleen een feit.

En in die vertraging voel ik hoe mijn lichaam ontspant, hoe mijn gedachten zachter worden, hoe de werkelijkheid weer terugkomt. Niet spectaculair, niet groots — maar precies genoeg om mezelf te bevrijden uit het verhaal dat ik bijna was gaan geloven.

Wat me steeds weer opvalt, is hoe weinig er nodig is om aannames te maken. Een gezichtsuitdrukking, een zin, een handgebaar — meer is er niet nodig om oude reflexen wakker te maken.

Gelukkig zie ik het vandaag snel. Geen groot inzicht, geen ingewikkelde oefening, maar een paar seconden eerlijk kijken.

Het is bijna olympisch hoe snel mijn hoofd verhalen maakt, en hoe zacht ze oplossen zodra ik ze durf te zien voor wat ze zijn: echo’s van vroeger, automatische bewegingen die me willen beschermen maar me soms juist van mezelf weghalen.

In die kleine vertraging neem ik mezelf weer bij de hand en denk: de werkelijkheid is vaak eenvoudiger dan mijn gedachten, en tegelijk rijker dan mijn aannames.

Misschien is dat wel de grootste rust die ik mezelf kan geven: de ruimte om niet meteen in te vullen, maar te blijven bij wat er werkelijk is.

Soms is dat alles wat nodig is.


Blijf zacht.





Hokjes

Het biologische mechanisme

Categoriseren is een oerfunctie. Je brein wil vooral weten: veilig of gevaarlijk, bekend of onbekend. Hokjes zijn dus eigenlijk primitief overlevingsgereedschap.  

Alleen… dat gereedschap is zo subtiel als een voorhamer. Het werkt snel, maar niet bepaald verfijnd.


Voor iedereen die niet in één vakje past — dus voor ons allemaal.

Ik las vanmorgen iets over homoseksualiteit en “wat dat met je doet”.  Alleen al die vraag. Wat moet het anders met je doen dan: mens zijn?  Maar goed — ik betrap mezelf er ook op. Ik ben net zo’n hokjesfabriek als ieder ander.

Eerlijk gezegd: je kunt het je brein niet eens kwalijk nemen. Het is geen neutrale databank, het is een overlevingsmachine. Zonder dat mechanisme zou je binnen een uur huilend onder een tafel liggen omdat je niet weet wat je met al die prikkels moet.

Dus wat doet je brein? 

Alles wat ook maar een beetje op elkaar lijkt, wordt in één bakje gegooid. Lekker efficiënt. Als je alles in nuance zou opslaan, zou je nog steeds staan te twijfelen of die leeuw misschien  gevaarlijk is, terwijl hij al aan je linkerbeen is begonnen.

Efficiënt, ja. Maar efficiëntie is niet altijd rechtvaardig.

Volgens mij begint het allemaal met taal. Alles heeft een label gekregen: man/vrouw, jong/oud, normaal/anders, wij/zij. Het maakt de wereld overzichtelijk, en overzicht voelt veilig.

Maar taal is ook een soort sociale liniaal. En sommige mensen gebruiken die liniaal alsof ze de klas moeten controleren.  

Liever de hamer dan de spijker — dat idee.

Waarom het soms zo benauwend voelt

Hokjes geven veiligheid, maar ze zijn meestal te klein. Je mag maar één ding zijn: gevoelig óf sterk, rationeel óf intuïtief, introvert óf extravert.  

Alsof je een soort menselijk keuzemenu bent. Je brein vergeet dan even dat je in tientallen hokjes tegelijk past — en soms in geen één.  En ik denk dat hoe meer je anderen in hokjes stopt, hoe minder rust je zelf hebt. Het is paniekmanagement in nette verpakking.

Groepsvorming werkt hetzelfde: wij horen bij elkaar, jij valt erbuiten.  

Taal dwingt ons in categorieën. Normen en waarden maken gedrag voorspelbaar, maar laten weinig ruimte voor nuance. En nuance is nou net waar de meeste mensen wonen.

Zijn hokjes dan helemaal niet handig?

Jawel. Voor systemen zijn hokjes fantastisch. Administratie, statistiek, beleid — allemaal dol op vakjes. Maar voor mensen zijn ze te klein geworden. We passen niet meer in één categorie, hoe graag sommige mensen dat ook zouden willen. En daar begint volgens mij de frictie.

Veiligheid voor alles

Hoe onzekerder iemand zich voelt, hoe meer hokjes hij nodig heeft om de wereld een beetje overzichtelijk te houden. Alsof je met labels kunt voorkomen dat het leven onverwachte bochten maakt. Maar hoe sneller en efficiënter alles moet, hoe meer we elkaar in vakjes duwen die eigenlijk allang te klein zijn. En voor je het weet zit je zelf ook weer te puzzelen waar je in hemelsnaam thuishoort — terwijl je dat natuurlijk allang wist.

En zo blijft er minder ruimte over voor het rommelige middengebied waar echte mensen leven.



Blijf zacht








Wat je pas later ziet

Ik heb altijd een soort ingebouwde leeftijdsvertaler gehad. Vraag me hoe een achtjarige denkt, en ik zit binnen twee seconden in een klaslokaal met stiften, kruimels en een onverklaarbare fascinatie voor glitters.  

Vraag me hoe iemand van tachtig denkt, en ik schuif net zo makkelijk door naar een leven vol herinneringen, wijsheid en een rug die af en toe kraakt als een oud houten trapje.

Mij verplaatsen in een ander gaat me goed af. Soms té goed.  

Er is een tijd geweest dat ik niet alleen meedacht, maar ook meehuilde. Als iemand verdriet had om een dierbare, voelde ik dat verdriet alsof het van mij was. Of ik die persoon nou kende of niet.  

Dat is het nadeel van een open hart: iedereen kan er zo naar binnen wandelen.  

Inmiddels heb ik geleerd de deur op een kier te zetten. Niet dicht — dat past niet bij me — maar wel met een soort vriendelijk kettinkje erop. Genoeg om te voelen, niet genoeg om kopje‑onder te gaan.  

Behalve bij kattenfilmpjes. Daar ben ik nog steeds reddeloos verloren.

Maar empathie heeft een gekke bijwerking: je kunt iemand volledig begrijpen, en toch doet het soms pijn.  Ik kan prima beredeneren waarom jongeren hun eigen leven leiden. Vrienden, sportclub, studie, werk, kinderen — het leven dendert door als een trein zonder remmen. En ouderen passen daar niet altijd in. Dat is niet erg. Dat hoort bij het leven. Maar begrijpen waarom iets gebeurt, betekent niet dat je het niet voelt.

En eerlijk is eerlijk: het werkt natuurlijk ook andersom. Als kind van een oudere zie ik het net zo goed gebeuren. Mijn moeder had haar eigen tempo, haar eigen rituelen, haar eigen wereld die soms mijlenver van de mijne lag. Ik begreep haar — ik voelde haar zelfs — maar dat betekende niet dat het altijd makkelijk was. Ook ik had fases waarin mijn leven te vol, te druk, te jong was om te zien wat er écht toe deed. En pas later, veel later, zag ik hoe zacht ze eigenlijk riep.

Je bent op een bepaalde leeftijd volwassen genoeg om je eigen leven te leiden, maar nog te jong om te zien wat er écht belangrijk is. Dat inzicht komt pas later, met de jaren.  

Met ervaringen. Met verliezen. Met liefde. Met de eerste keer dat je denkt: O ja… dit is waar het om draait.

En ergens vind ik dat troostrijk want de rust komt vanzelf. De prioriteiten verschuiven vanzelf.  

Tot die tijd doe ik gewoon wat ik altijd doe: meeleven, meedenken, en af en toe zachtjes glimlachen om hoe we allemaal onderweg zijn — in onze eigen leeftijd, op onze eigen manier.


Blijf zacht




Een tuin die ons voedt (en opvoedt)

Zo groeit hier van alles — planten, dieren, kruiden… en ook een beetje mijn geduld.

Toen we in 2012 in dit huis kwamen wonen, bestond onze tuin uit een stuk gras, zand, een paar tegels en een heleboel zevenblad. Drie weken lang hebben we stukje bij beetje de tuin schoongemaakt. Elk stukje grond werd gezeefd tot er geen zevenbladworteltje meer te vinden was.  

Dat we het ook gewoon hadden kunnen eten, wisten we toen nog niet. Maar goed — het moest er toch uit.  

We maakten in die beginjaren fouten waar je achteraf om moet lachen. Planten op de verkeerde plek. Planten die het gewoonweg niet deden. Planten die deden alsof ze het niet deden en vervolgens als gekken gingen woekeren.  

En dan de slakken. Vooral naaktslakken. We wilden ze niet doden — we zijn tenslotte geen moordenaars — dus elke ochtend en avond liep ik mijn rondje. Slakken oprapen, meenemen, en in het park weer vrijlaten.  

Het hielp niets. Ze kwamen gewoon terug. Waarschijnlijk sneller dan ik zelf kon lopen. En dat is knap.  

Ondertussen groeide de tuin door. 

Wij ook. We leerden wat werkte en wat niet. En ergens tussendoor besloten we dat we zelf ook wel eens iets uit de tuin wilden eten. Dus kwam er een kruidenborder. Eerst een paar sprietjes bieslook en een zielige peterselie, maar inmiddels plukken we vrolijk tijm, munt, salie en rozemarijn alsof we een eigen kookprogramma hebben.

Het blijft elke keer een klein wonder: dat iets wat je zelf in de grond stopt, later zomaar in je pan belandt.

Er kwam een egelhuis. Water voor de vogels. Een houtwal waar inmiddels een bosmuis woont. In de rotstuin zit regelmatig een pad. Misschien wel meerdere, maar dat weet ik niet zeker, ze melden zich niet bij onze receptie.  

Vanmorgen ontdekten we dat er een merel een nest bouwt in de meidoorn.  

En ineens vroegen we ons af: waarom zien we eigenlijk geen slakken meer?  

Nou, omdat onze tuin inmiddels een soort all-inclusive resort is voor dieren die onder andere slakken eten.  

Onder een struik vonden we wel honderd lege slakkenhuisjes. De bosmuis blijkt ze te verzamelen — waarschijnlijk voor zijn privécollectie. De pad lust ook wel een sappige slak. En de egel… die kraakt ze als chips. Wat weer fijn is voor de vogels, die het kalk van de huisjes goed kunnen gebruiken.  

En terwijl ik dit allemaal zie gebeuren, merk ik dat ik soms ongeduldig word. Van mij mag alles nu al groen, vol, weelderig en in bloei staan. Liefst tot eind oktober. Maar ja — de natuur heeft haar eigen tempo. En ik moet braaf mee in dat ritme.  

Toch genieten we elke dag. Eindelijk begint het ergens op te lijken. Al is er nog genoeg ruimte voor verbetering. We streven naar zoveel mogelijk biodiversiteit, maar wel op een manier die voor ons behapbaar blijft. We worden tenslotte niet jonger of fitter. Maar dat terzijde.  

De glansmispel staat nu prachtig in bloei en zoemt van de bijen, hommels en zweefvliegen. Voor de vlinders hebben we waardplanten neergezet. In het minuscule grasveldje van wel helemaal 1,5 bij 1,5 meter wonen gele mieren. In de bomen lopen twee keurige mierenwegen: één omhoog, één omlaag.  

Overal scharrelt wel iets. Vuurwantsen, kevertjes, spinnen, zweefvliegen in alle maten. Metselbijtjes in het insectenhotel én in de grond. Hommels onder potjes.  

Als je weet waar je moet kijken, heb je een complete dierentuin in je tuin — maar dan zonder schreeuwende bezoekers.  

Gelukkig blijven Hannah en Fred lekker in de ren. Zo hoeven de vogels en de muizen niet bang te zijn.  

En zo groeit hier van alles — planten, dieren, kruiden… en onze verwondering. Elke dag een beetje meer. En dat is precies genoeg.

En toch betrap ik mezelf er elke ochtend weer op dat ik ongeduldig sta te kijken of er al iets nieuws is uitgekomen, gegroeid, gevlogen of verhuisd. De tuin heeft haar eigen tempo. Ik leer het mijne ernaast.


Blijf zacht






De stoomkoffiebranderij van Doesburg.

Ik heb een zwak voor koffie — niet alleen om te drinken, maar ook om te ruiken. Als kind fietste ik elke ochtend langs koffiebranderij De Pelikaan in Zutphen. Die warme, geroosterde geur hing als een wolk boven de straat en nestelde zich ergens diep in mij. Daar, in dat kleine moment van thuiskomen voordat de schooldag begon, ontstond mijn liefde voor koffie. Sindsdien hebben plekken waar ooit koffie werd gebrand altijd een zachte aantrekkingskracht op me.

Er zijn plekken in een stad die je niet ziet, totdat je ze wílt zien. Plekken die zich pas openen als je vertraagt, als je bereid bent te luisteren naar wat stenen bewaren. In Doesburg is zo’n plek te vinden in de Heilige Geeststeeg — een smalle doorgang waar de tijd niet verdwijnt, maar blijft hangen. En precies daar staat een gebouwtje dat ooit de hele buurt naar koffie liet ruiken.

De steeg die naar koffie rook

Aan het begin van de twintigste eeuw was de Heilige Geeststeeg geen stille doorgang, maar een levendige ader van Doesburgs ambachtelijke hart. Terwijl de stad nog slaperig was, klonk er achter Koepoortstraat 25 al het zachte ritme van arbeid: het tjoek‑tjoek van een kleine stoommachine, het schrapen van jute zakken, het openen van zware luiken.

De geur

Wie ’s ochtends door de steeg liep, werd begroet door een warme, bijna zoete wolk van versgebrande koffie. Een geur die je niet alleen rook, maar die zich in je kleren nestelde, in je haar, in je herinnering. Een geur die vertelde dat de familie Van de Bold alweer aan het werk was.

Een familie die koffie ademde

De branderij werd in 1910 gebouwd door A. van de Bold, een winkelier met een kruidenierszaak aan de Koepoortstraat. Zijn zoon groeide op tussen de zakken groene koffiebonen, leerde de herkomst van elke partij kennen, wist welke bonen sneller brandden en welke klanten het liefst een donkere branding wilden.

In de bewaard gebleven administratieboeken — grootboeken, voorraadstaten, kasboeken — zie je hun wereld terug: Cafés die wekelijks bestelden, fluctuaties in de prijs van Java‑ en Santosbonen en zorgvuldige notities in de kantlijn: “Goede kwaliteit, iets langer branden.” Het zijn stille getuigen van een familie die koffie niet alleen verkocht, maar begreep.

Het gebouw dat meer vertelde dan het liet zien

Van buiten oogt de stoomkoffiebranderij bescheiden: rode baksteen, een schilddak, gietijzeren ramen. Maar wie omhoog kijkt, ziet de hijsbalk en de jufferkap — de werktuigen van een tijd waarin zakken van zestig kilo nog met de hand omhoog werden getakeld.

Binnen stond de stoombrander, een compacte machine die zuchtte en siste alsof ze een eigen karakter had. In 1924 werd ze vervangen door een elektrische variant. Efficiënter, zeker. Maar volgens oudere Doesburgers “een stuk minder romantisch”.

Een werkdag rond 1920

Stel je een ochtend voor.

De zoon van Van de Bold opent de luiken. Het licht valt in strepen naar binnen, stofdeeltjes dansen in de lucht. Hij giet een nieuwe lading bonen in de trommel. Eerst hoor je alleen het draaien. Dan komt de geur — langzaam, dan plots intens. En dan het mooiste moment: het kraken van de bonen, de *first crack*, het teken dat de koffie tot leven komt.

Buiten blijft een vrouw met een mand boodschappen even staan.  “Ah,” zegt ze, “ze zijn weer aan het branden.” Het is een geur die hoort bij Doesburg, net zo vertrouwd als de klokken van de Martinikerk.

De stilte na de branding

Zoals veel kleine bedrijven kreeg ook de stoomkoffiebranderij het moeilijk in de jaren dertig. Grotere branderijen, betere distributie, veranderende smaken — het werd steeds lastiger om als kleine speler te concurreren.

Maar het gebouw bleef.

Het werd niet gesloopt, niet verbouwd tot iets anders, niet opgeslokt door modernisering. Het bleef staan alsof het wist dat het ooit een monument zou worden. En dat werd het: Rijksmonument 513194, een van de best bewaarde voorbeelden van Doesburgse kleinschalige industrie.

Vandaag

Loop je nu door de Heilige Geeststeeg, dan zie je een stille gevel. De luiken zijn dicht, de hijsbalk hangt er nog. De letters mooi wit herschilderd. Het gebouw ademt nog steeds koffie, al is het alleen in de verbeelding.

Sommige gebouwen verdwijnen uit het dagelijks leven, maar niet uit het geheugen van een stad. De stoomkoffiebranderij is zo’n plek. Ze vertelt over vakmanschap, over een familie die koffie ademde, over een tijd waarin geur nog een signatuur was. Ze herinnert ons eraan dat geschiedenis niet alleen in grote verhalen zit, maar juist in de kleine — in een steeg, een hijsbalk, een geur die blijft hangen.

Misschien is dat juist wel het mooiste:  dat een plek die ooit zo gewoon was, nu een stille drager is van alles wat Doesburg ooit was — en nog steeds een beetje is.

De stoomkoffiebranderij raakt me om diezelfde reden. Elke keer dat ik door de steeg loop, merk ik dat mijn neus nog steeds zoekt naar iets wat verdwenen is: een geur die ooit zo vanzelfsprekend was, maar nu alleen nog in herinneringen bestaat.

Zo raken de koffie van mijn jeugd en de koffie van Doesburg elkaar even — in een stille steeg, bij een gebouw dat niet meer brandt, maar nog wel ademt.


Blijf zacht en geniet van je koffie





Beltane en ik - deel 2.

 Voor Wesley: Dank voor deze mooie ervaring

Soms moet je dingen gewoon ervaren om te weten of ze bij je passen.  
Een Beltane-viering bijvoorbeeld, met rituelen, aanroepingen en de hele rattaplan die daarbij hoort.  
Klinkt dat onaardig? Dat is niet zo bedoeld — het is gewoon eerlijk.

Ik was gisteren bij zo’n viering. En al snel merkte ik: dit is niet mijn manier.  
Ik vier Beltane liever op mijn eigen tempo, op mijn eigen plek, zonder het aanroepen van goden of windrichtingen. Misschien vinden sommigen dat “fout”, maar wat is er eigenlijk fout aan het vieren dat de zomer begint?

Mei is de maand van vruchtbaarheid. Alles staat in bloei.  
Bloei die nodig is om vruchten te maken.  
En om te kunnen bloeien is vereniging nodig — van mannelijk en vrouwelijk, van licht en donker, van aarde en lucht.  
Dat vieren we. Dat begrijp ik. Dat voel ik.

Maar daar stond ik dus, tussen liefdevolle, passievolle mensen die met hart en ziel Beltane vierden, en ik was de vreemde eend in de bijt.  
Ik keek naar het vuur — veilig in een vuurkorf, gelukkig — en dacht alleen maar: “Oh jee, dit is zó niet mijn ding.”

Toen kwam de geleide meditatie.  
“Fijn,” dacht ik nog. Ik mediteer graag.  
Maar ik kwam er niet in. Halverwege ben ik in gedachten naar mijn eigen veilige plek gegaan en heb met open ogen genoten van de omgeving. De vogels deden vrolijk hun eigen ding, en dat paste me beter dan de woorden die ik hoorde.

Wat ik wél mooi vond, was zien hoe anderen dit beleven.  
Mooie mensen, stuk voor stuk.  
De saamhorigheid, het diepe geloof in goden en godinnen — ik heb dat niet, maar ik kan er met respect naar kijken.

Ik geloof wel dat er íets is.  
Het universum heeft nog genoeg mysteries voor ons.  
En ik snap dat sommige mensen zeggen: “Het universum, de goden — dat is toch hetzelfde?”
Maar terwijl ik daar stond, merkte ik dat mijn manier van betekenis geven anders werkt.

Voor veel mensen is het universum een grote, onpersoonlijke kracht: iets dat beweegt en verbindt zonder bedoeling of voorkeur.  
De goden zien zij dan als persoonlijke verschijningsvormen van datzelfde geheel — symbolen, archetypen, verhalen die helpen om betekenis te geven.

In die visie is het universum de achtergrond,  
en zijn de goden de manieren waarop mensen daar een relatie mee kunnen voelen.

Zelf voel ik me het meest thuis bij dat eerste: een universum dat niet stuurt, maar simpelweg is.  
Geen boodschappen, geen kosmische planning — eerder een rustige achtergrond waar wij zelf betekenis in mogen leggen.

Zo blijven beide talen naast elkaar bestaan:  
de één zoekt nabijheid in goden,  
de ander vindt ruimte in het universum.  
Niet beter, niet slechter — gewoon twee manieren om richting te zoeken.

En toch… terwijl ik dit schrijf, hoor ik mezelf denken:  
“Margot, ben jij niet degene die engelen bedankt als je een veertje vindt?  
Ben jij niet degene die meteen opzoekt wat dubbele cijfers betekenen, of waarom een bepaald dier steeds op je pad komt?”

Misschien hoef ik dat niet te scheiden.  
Misschien is dat gewoon mijn eigen taal.  
Mijn eigen manier om het universum een klein beetje persoonlijk te maken — precies genoeg om er iets warms in te herkennen, zonder dat ik er een godennaam aan hoef te hangen.

Blijkbaar ben ik spiritueel genoeg om tekens te zien,
maar niet ritueel genoeg om er in koor bij te gaan staan.
En misschien is dat precies goed zo:
mijn manier van vieren is klein, stil en een beetje eigenwijs.
Een veertje dat opduikt, een vogel die net op tijd langsvliegt,
een getal dat even knipoogt.
Geen groot ritueel —
gewoon een universum dat stilletjes met me meeloopt.
En dat voelt helemaal goed zo.
Laat mij maar een solitaire heks zijn.


Blijf zacht








Nico: In de stilte loopt hij mee

○-15-04-2012---†-27-04-2026

Het contrast kon niet groter zijn. Een paar deuren verderop werd feest gevierd — Koningsdag, vrolijk en luid. Maar wij zaten huilend op de grond. Naast ons lag op een kleedje Nico. Hij had net zijn laatste adem uitgeblazen. Nico, onze lieve zonaanbidder, die soms zwart leek en dan weer chocoladebruin, die het liefst in je nek kroop wanneer hij kwam kroelen — ons mannetje met zijn eigen karakter en eigenaardigheden. We hebben twaalf jaar voor hem mogen zorgen. We hebben twaalf jaar van hem mogen genieten.

Nico bood liefde en gezelschap. Hij begroette ons enthousiast, troostte op moeilijke dagen en bracht structuur in ons leven. Zijn aanwezigheid vervulde onze dagen met kleine momenten van vreugde en verbinding. Nu hij er niet meer is, laat hij een diep gevoel van leegte achter. En met die leegte komen ook de gedachten: schuldgevoelens, twijfel of we het anders of meer hadden moeten doen. Afgewisseld met de opluchting dat hij niet meer hoeft te vechten en te lijden.

Nico kwam ’s nachts altijd even beneden manlief ophalen als die — wat hem betrof — te lang bleef zitten. Raar dat dat nu ineens niet meer is. Ik kon me soms enorm ergeren aan het krabben op het raam wanneer hij naar binnen wilde. Het liefst via de achterdeur naar buiten en vijf minuten later weer via de voordeur naar binnen. Nu zal ik dat eigenwijze gekrab missen.

En dan die keer dat hij thuiskwam met een hele, net gebakken verse worst. Hij legde hem parmantig op het pad, met een blik die zei: “Kijk eens wat ik heb gevonden.” Regelmatig heb ik hem een bot af moeten pakken dat hij ergens had gescharreld.

Nu blijft zijn plekje leeg en staat zijn bakje onaangeroerd in de kast. Wat is deze pijn toch vreselijk rauw. We hebben in het verleden vaker afscheid moeten nemen van een huisdier, en het is telkens weer een ingrijpende gebeurtenis. Ze maken immers deel uit van het gezin en schenken je onvoorwaardelijke liefde. We voelen het verdriet net zo intens, misschien wel intenser, dan bij het verlies van een dierbaar mens. Helaas wordt dit rouwproces niet altijd erkend door de buitenwereld, wat het soms extra moeilijk maakt.

Maar voor ons was hij familie. En dat blijft hij.

De dagen lijken nu vreemd stil. Alsof het huis zelf nog niet weet hoe het moet ademen zonder hem. Soms denk ik dat ik hem hoor — een zacht tikje tegen het raam, een sprongetje op de vensterbank, het ritme van zijn pootjes op de trap. Mijn hoofd weet dat het niet kan, maar mijn hart loopt achter. Rouw is blijkbaar ook dat: telkens opnieuw beseffen dat hij er echt niet meer is.

En toch… tussen alle tranen door duikt hij steeds weer op. In een gedachte, een herinnering, een geluid dat ik even voor hem aanzie. Soms voelt het alsof hij nog ergens om een hoekje zit te wachten, klaar om ons weer te verrassen met iets wat alleen Nico kon. Een onverwachte sprong op schoot. Een blik die meer zei dan woorden. Een buit die hij trots presenteerde alsof hij de jacht van zijn leven had voltooid.

Misschien is dat wel zijn laatste cadeau: dat hij zelfs nu nog kleine glimlachjes achterlaat. Dat hij ons herinnert aan hoe licht het leven soms kan zijn, zelfs wanneer het zwaar voelt. Dat hij, op zijn eigen eigenwijze manier, nog steeds een beetje bij ons is.

Misschien is dat wel gewoon genoeg voor vandaag.


“Lieve Nico, ga in licht.

Blijf in ons hart.

Wij dragen je mee.”



Blijf zacht.













Beltane en ik

Ik ben uitgenodigd voor een Beltane‑feest. En je mag best weten: ik vind dat spannend.  

Niet omdat ik bang ben voor mensen — ik stap heus wel op vreemden af. (Zij die het liefst in haar eigen bubbeltje zit, kan verrassend sociaal uit de hoek komen.)  

Nee, het is iets anders. Iets vurigs. Letterlijk.

Hoewel ik altijd al geïnteresseerd ben geweest in het oude en het spirituele, ben ik nooit echt een praktiserend type geweest. Hoe doe je dat ook, in je eentje? Nou ja, natuurlijk doe ik wel íéts. In de loop der jaren heb ik mijn eigen kleine ritueeltjes ontwikkeld. Ik lees veel, ik leer nog elke dag bij, en sommige rituelen vind ik heerlijk aards… terwijl andere me doen denken: oké, dit is wel héél veel wierook voor één mensenleven.  

Maar dat is niet erg. Je moet doen wat bij je past — dat roep ik al jaren.  

Meebewegen met de natuur zit tenslotte ergens in ons DNA. De één voelt dat wat sterker dan de ander, maar toch…

Beltane — een oud feest met een warm hart

Beltane komt uit de Keltische traditie en markeert het begin van de zomer. Het is een feest uit een tijd waarin het leven nog ritmisch meebewoog met de seizoenen. Het lengen van de dagen en het ontluiken van de natuur waren geen leuke bijkomstigheid, maar een belofte van leven, overvloed en hoop.

In heel Noordwest‑Europa vierden onze voorouders dit moment op hun eigen manier: met vuur, met dans, met rituelen die het leven en de liefde bezongen.  

Niet alleen de Kelten in Ierland en Groot‑Brittannië, maar ook Galliërs, Germaanse stammen en zelfs de Vikingen hadden hun eigen lentefeesten. Overal waar mensen dicht bij de natuur leefden, vierde men de kracht van de zon, de vruchtbaarheid van de aarde en de komst van licht en warmte.

Vandaag leven we in huizen van steen, met elektriciteit, agenda’s en deadlines. Maar ergens in ons brandt nog steeds dat oerverlangen: naar verbondenheid met de aarde, naar het vieren van het leven,  naar lachen onder de sterren en voelen hoe het bloed weer een beetje sneller stroomt.

En dan…het vuur

Zoals ik al zei: ik heb er veel over gelezen. En één ding komt steeds terug: vuur!. Misschien is dat wel waarom ik het zo spannend vind. Niet omdat ik bang ben voor onbekende mensen — dat komt wel goed. Maar vuur en ik… tja. We zijn geen natuurlijke match. Ik ben er als de dood voor. Geen idee waarom. Ik heb zelf nooit iets naars meegemaakt met vuur, maar ik heb wél gezien wat het kan aanrichten. Aan huizen, aan mensen, aan levens.

Tegelijkertijd weet ik dat vuur ook mooi is. Warm. Helend zelfs. Dus ik kijk er graag naar…maar wel op gepaste afstand. Het liefst een afstand waarbij ik nog net kan zien dat het vuur daar staat en ik hier.

Beltane als uitnodiging

En toch — Beltane nodigt mij uit. Om stil te staan bij wat in mij tot bloei wil komen. Wat ik wil voeden, laten groeien, laten stralen.

Het is een moment om verbinding te voelen met mijn lichaam, mijn verlangens, mijn creatieve energie.  Een viering van licht, speelsheid, levenslust en de kracht van verlangen.

Beltane gaat ook over liefde en vurig verlangen — niet alleen lichamelijk, maar ook spiritueel.  Verlangen als levensenergie, als innerlijk vuur dat richting geeft. Wat wakkert mijn passie aan? Waar gaat mijn energie van stromen?

Beltane herinnert me eraan dat ik mag stralen, mag voelen, mag genieten. Dat ik mag kiezen voor wat mij laat léven, in plaats van alleen maar overleven. 

En ach…als ik dan toch in het vuur moet kijken, dan maar in goed gezelschap niet waar?

Vertel eens: Wat wakkert jouw passie aan?


Blijf zacht




Vieren wat blijft

Voor Pa, honderddrie vandaag,

Mijn vader werd geboren op 24 april 1923 en overleed op 29 april 1997. Vierenzeventig jaar oud — te jong, als je het mij vraagt.

Hij maakte het zichzelf — en ons — soms behoorlijk moeilijk. Maar hij was mijn vader: een man met een bijna angstaanjagende hoeveelheid kennis. Je hoefde hem maar íets te vragen en het antwoord lag al klaar. En als hij het toevallig niet wist, dan had hij ergens een boek, knipsel of vergeeld artikel liggen waar het in stond. Zijn geheugen was fotografisch; hij wist precies in welke kast, in welke stapel, op welke bladzijde.

En dat was een wonder, want hij bewaarde álles. Stapels National Geographic en soortgelijke tijdschriften, vaak half uit elkaar geknipt omdat er weer een (klein)kind een werkstuk moest maken. Of omdat hij zelf plaatjes van een vogelsoort in een map had geplakt. Latijnse naam, Nederlandse naam, keurig geschreven. En dan zo’n golfjeslijntje eronder — voor het net. Alsof iemand anders zou denken: “Nou, dit is wel erg slordig hoor.”

Mijn vader, ik mis hem nog vaak. Soms onverwacht, soms precies op de momenten dat ik hem hier naast me zou willen hebben. Wat had ik graag nog één keer met hem door de Fraterwaard gefietst. Of gewoon samen in de achtertuin gezeten, zwijgend tevreden. Ik had het hem — en mezelf — zo gegund. Maar het liep anders. Hij moest lang strijden tegen die rotziekte kanker. Moe gestreden verloor hij zijn gevecht, vijf dagen na zijn verjaardag.

Het prachtige boek over alle uilensoorten ter wereld dat ik hem cadeau gaf, heeft hij nooit kunnen inkijken. Hij was toen al te ziek. Jaren later gaf ik het in zijn nagedachtenis aan mijn oudste zus, de echte vogelaar van de familie. Bij haar ligt het beter. Net zoals het bij hem gelegen zou hebben.

Vlak voordat hij met pensioen zou gaan, kreeg hij de diagnose die alles verpestte. Hij had zóveel plannen. Alle kinderen de deur uit, zeeën van tijd, een jaarkaart van de NS al besteld. Hij wilde Nederland zien. Samen met mijn moeder. Lekker met z’n tweeën op pad, mooie herinneringen maken. Maar van dat alles kwam niets terecht.

In plaats daarvan lag hij — in mijn herinnering bijna van de ene op de andere dag — half uit elkaar op de IC in Utrecht. Er ging van alles mis. Hij moest bestraald worden, hij werd zwakker, wanhopiger, maar hield zich moedig staande.

Op een dag, de dag na mijn verjaardag, ging ik naar hem toe omdat hij niet meer naar mij kon komen. We hebben lang gepraat en gelachen. De dag erna schreef ik dit gedicht:


 Je lacht maar,  

 je bent verdrietig.  

 Ik zie wel door dat masker heen.  

 Je lacht maar,  

vaak zie je het niet meer zitten.  

 Ik lach met je mee,  

 dat houdt je, denk ik, op de been.  

 Je houdt je zó moedig.  

 Maar ik zie  

 je zou het het liefst willen uitschreeuwen.  

 Je lacht, terwijl ik weet dat  

 je liever zou huilen.  

***   

 Toe maar,  

 schreeuw maar,  

 huil maar.  

 Ik ben bij je.


Vandaag zou hij — als hij nog leefde — jarig zijn. Honderddrie jaar. Hatsjekidee!!

Straks halen we gebak en vieren we het leven.

En Pa… je bent van harte uitgenodigd. We zetten een stoel voor je klaar.


Blijf zacht


Wanneer je brein zegt: “Kom maar, ik kan dit”.........

 ............. en je lijf zegt: “Ik zal je eens laten zien wat overmoed is.”

Zelfs na 44 jaar chronische pijnen trap ik er soms nog steeds in.  

Gisteren bijvoorbeeld. De ramen moesten nodig gelapt worden — en omdat onze bank precies zo staat dat elke ramenlapper spontaan een WA-verzekering zou willen afsluiten, moest ik met één voet op de leuning en de andere op de vensterbank gaan staan. Met mijn ene hand het kozijn vast, met de andere het raam. Een soort huis-tuin-en-keuken-acrobatiek waar ze bij Cirque de Soleil jaloers op zouden zijn.

En omdat ik al dagen best goed ging, dacht ik: dit doe ik even in een handomdraai.  

Nou, die handomdraai heeft me vanmorgen bijna de adem benomen. De spieren over mijn schouderbladen protesteren zo luid dat ik even dacht dat er iets mis was met mijn longen. Ademhalen doet zeer. Lachen doet zeer. Denken doet zeer. Kortom: mijn plan om vandaag lekker verder te gaan kan de prullenbak in.

Waarom trap ik daar toch steeds in?

Omdat je lichaam en je brein niet in dezelfde tijdlijn leven. Mijn brein onthoudt vooral de goede dagen.  Op zo’n dag denkt het: “Hé, ik kan dit! Ik ben toch niet zó beperkt.” Mijn lichaam onthoudt vooral de klappen.  En die komen pas later — als een vertraagde rekening van dingen die ik nooit besteld heb maar wel moet betalen.

Die ramen lappen is geen gebrek aan ervaring.  Het is hoop + menselijkheid + een vleugje koppigheid.  En precies die combinatie heeft me al 44 jaar door de pijn heen geholpen.

Ik wil ook gewoon meedoen met het leven.

Niet altijd hoeven plannen, doseren, nadenken.  Soms wil ik gewoon een raam lappen zonder strategisch overleg met mijn lijf.

Goede dagen voelen verraderlijk normaal.  Mijn lichaam fluistert dan niet: “Pas op.” Het zwijgt.  En ik denk: “Misschien kan het vandaag wél.”

En nu?

Nu mag ik rust nemen zonder schuldgevoel.  Warmte op de pijnplekken, zacht bewegen, en vooral: niet doen alsof ik gefaald heb.

Want eerlijk is eerlijk: die ramen zijn wél mooi schoon.  

Dat telt ook.

Zelfs na 44 jaar geloof ik nog steeds in mogelijkheden, niet in beperkingen.  Dat mijn lijf daar niet altijd aan meewerkt… tja. Daar kan ik weinig aan doen. Of nou ja — jaaaa hoor, natuurlijk kan ik daar iets aan doen.  Dit soort klusjes aan anderen vragen, bijvoorbeeld. Ik had manlief kunnen vragen maar die worstelt al een paar dagen met een verrot tuinhek, splinters en een klemblaar. En ik had ook kunnen wachten op iemand anders. Maar dat zit nu eenmaal niet in de aard van het beestje.

En dus stond ik gisteren te stuntelen op bank en vensterbank — en zit ik nu met de gebakken peren. 

Maar goed, iemand moet het leven toch een beetje glans geven niet waar?


Blijf zacht, vooral voor jezelf





Een column die geen column werd


Dat is toch gek hè: je denkt dat je een prachtidee hebt voor een column. En voor je het weet zit je met je lappie op schoot, hup naar mijn vriendje Co. Twee vragen, simpele verwachting: dit wordt een lekker scheef verhaal. Maar nee hoor.

De werkelijkheid had er geen zin in.

Ik dacht dus echt dat veel meer mensen van het koningshuis af willen.
Maar wat blijkt? Nederland is helemaal niet zo uitgesproken. We zijn geen vurige monarchisten, maar ook geen massale republikeinen. We hangen een beetje in het midden — typisch Nederlands. En ironisch genoeg eten zelfs de anti‑monarchisten gewoon een oranje tompouce.

Co zei het al:

We vieren Koningsdag niet uit liefde voor de koning, maar omdat we dol zijn op rommelmarkten, laf bier en gezelligheid.

Waarom ik dan toch dacht dat de verhoudingen schever zouden zijn?

Omdat ik vaak lees en hoor hoe negatief er over het koningshuis wordt gepraat. We zijn nu eenmaal een volkje met meningen.

Helemaal mee eens, soms doen ze domme dingen.

En ja, ze kosten bergen met geld.

Maar het alternatief spreekt me eerlijk gezegd niet zo aan. Van mij mogen ze blijven, want laten we eerlijk zijn al die bezoekjes die onze koning en koningin brengen aan het buitenland leveren ons vaak ook wat op.

En dan zijn daar nog de peilingen.

Volgens Ipsos is de mening van 1000 mensen genoeg om uitspraken te doen over 18 miljoen Nederlanders. Statistisch klopt dat vast allemaal, maar mijn boerenverstand fronst toch even. Je kunt mij niet vertellen dat iedereen met een migratieachtergrond ook netjes is meegenomen.

Maar goed — dit terzijde.

Ik wilde dus eigenlijk een spectaculair stukje schrijven over hypocrisie. Maar dat blijkt dus best mee te vallen — behalve dan misschien bij de oranje‑tompouce‑etende anti‑monarchisten.

En zo bleef er van mijn spectaculaire columnidee precies niks over. Behalve dan een verhaal over hoe een columnidee soms gewoon weigert mee te werken. 

Ik ga aan de koffie. 

Tot de volgende.


Blijf zacht, ook in je meningen





Zorgen of geen zorgen – dat blijft de vraag

Ik kan me soms behoorlijk zorgen maken als het om onze kinderen gaat.
 Lees: Fred, Nico en Hannah. 

Nu gaat het al een weekje niet zo lekker met Nico. Hij is lange uren weg, eet weinig — tenminste thuis; wat hij ergens anders doet weten we niet — en eenmaal thuis zondert hij zich af. Hij heeft weer een paar flinke knokpartijen gehad buiten de tuin en dat zal hem zo langzamerhand parten gaan spelen. Want laten we wel wezen: het lieve beest is al veertien jaar en dat knokken zal hem best wat energie kosten. Misschien is hij zelfs wel verslagen en moet hij zijn gekrenkte trots verwerken. Ik weet het niet. Maar dát ik mij daar zorgen om maak, is een feit.

Zorgen maken we ons allemaal wel eens, toch? Financiële zorgen, weer een rekening op de mat (voor de jongeren: dat was vroeger, toen alles nog lekker analoog was). Zorgen over een ziek kind of ouder. Zorgen over dat gekke geluidje dat de auto ineens maakt. Zorgen over van alles en nog wat.  

Maar waar komt dat eigenlijk vandaan, je zorgen maken?

Als eerste denk ik dan: je kunt je geen zorgen maken als je niet empathisch bent. Maar dat geldt alleen als het om dieren of andere mensen gaat, toch? Ik dook dus maar weer eens het net op.

Al snel ontdekte ik dat we met z’n allen weer met onze vingers naar onze voorouders kunnen wijzen. Zij weer hoor! Altijd als er iets met emoties voorbij komt, duiken die voorouders op. 

Maar ik zal je vertellen: we moeten ze dankbaar zijn. Echt hoor. Zonder voorouders geen zorgen.

Doordat onze voorouders continu gefocust waren op het afspeuren van bedreigingen, ontwikkelde zich in ons brein een onderdeel dat de amygdala wordt genoemd. Het is het angstcentrum, dat vlak bij je geheugencentra ligt. Zoek dat maar eens op.  

Deze amygdala is altijd het eerste ‘station’ in jouw brein dat reageert op een situatie. Het doet — laten we zeggen — een eerste snelle veiligheidscontrole. Het scant jouw onmiddellijke omgeving op potentiële bedreigingen en gaat vervolgens in je herinneringen op zoek naar verwante gevaren.  

De amygdala is dus voortdurend op zoek naar mogelijk gevaar en is daarbij sneller dan je bewuste brein. Knap hè? Zodra ze iets als bedreigend inschat, activeert ze razendsnel de vecht-, vlucht- of bevriesreactie.  

Hoewel vooral bekend van angst, speelt de amygdala ook mee bij boosheid, verdriet, plezier en agressie. Maar dat terzijde.

Volgens mij is die amygdala gewoon een paniekzaaier.  

Je vindt een rekening op de mat. Meteen gaan de alarmbellen rinkelen.

Wat als het nou een hele hoge is? Wat als ik straks mijn rekeningen niet meer kan betalen? Dan krijg ik schulden. Dan zetten ze me het huis uit en moet ik op straat gaan wonen. En omdat ik op straat woon krijg ik geen geld meer, want dat gaat zo in Nederland. En als ik geen geld heb kan ik geen eten meer kopen. En als ik geen eten meer kan kopen ga ik doooooood.  

Pffffooooh… adem in, adem uit.

Eigenlijk is je lichtelijk zorgen maken ook gewoon een heel handige tool.  Een lichte ongerustheid kan je attent maken op iets dat aandacht nodig heeft.  Bijvoorbeeld: “Heb ik die afspraak wel goed ingepland?” → je checkt het → klaar.  Het kan je helpen voorbereiden: een beetje zorgen kan je aanzetten tot plannen, nadenken, risico’s inschatten.  Bijvoorbeeld: “Wat als het regent?” → je neemt een paraplu mee.  Het laat zien dat je betrokken bent: zorgen om iemand anders is vaak een vorm van liefde of verantwoordelijkheid.  

Het maakt dat je oplet, helpt, aanwezig bent.  

En het zorgt ervoor dat je je grenzen beter kunt aangeven: soms voel je via zorgen dat iets niet klopt of te veel wordt. Dat is je systeem dat zegt: “Let even op jezelf.”

Maar er is ook een andere kant van de medaille.  

Zorgen worden namelijk onhandig en behoorlijk uitputtend wanneer je gaat piekeren zonder actie. Wanneer je gaat overdrijven wat mis kan gaan, kan het je verlammen in plaats van activeren. Als je zorgen niet meer in verhouding staan tot de situatie. Of als ze gaan over zaken waar je geen invloed op hebt. Dan wordt zorgen maken soms een probleem.

In het geval van Nico kan ik mijn zorgen beter even in het verste hoekje van het fietsenrek parkeren. Die komt er wel weer bovenop. Zoals altijd.  

En ik? Ik adem gewoon even met hem mee.


Blijf zacht




De stilte die niet leeg is

“Voel jij je nooit eenzaam?” vragen mensen soms. Ik kijk dan naar manlief, naar de drie katten, naar de tuin en denk: 

Wanneer zou ik daar tijd voor moeten hebben dan?

Wanneer je online zoekt op “alleen zijn”, krijg je vooral artikelen die het zien als een probleem. Hoe je eenzaamheid kunt bestrijden, hoe je sociale isolatie herkent, hoe je meer contacten opbouwt. Maar dat wil ik helemaal niet.

Alleen zijn en eenzaamheid zijn twee totaal verschillende dingen. Eenzaamheid ken ik wel — of nou ja, ik dacht dat ik het kende. Ik kan me enorm “eenzaam” voelen in een zee van mensen, maar inmiddels vermoed ik dat dat meer met overprikkeling te maken heeft dan met eenzaamheid. Ik ben graag alleen. In mijn eigen bubbeltje. Met manlief en de katten. Af en toe een praatje online of met een buur op straat vind ik prima en gezellig. Maar ze moeten niet op de koffie komen.

Mensen zijn kuddedieren, zeggen ze. En als je daar buiten valt, ben je vreemd of zielig. Dat is toch raar? Ik mis andere mensen ook niet.

Het is een vraag die altijd met dezelfde bezorgde frons wordt gesteld. Alsof er ergens een onzichtbare norm bestaat die zegt dat een mens pas compleet is wanneer hij omringd wordt door een hele meute mensen, liefst pratend, liefst druk. En als je dat niet hebt, dan moet er wel iets mis met je zijn. Een leegte. Een gemis. Een soort sociaal gat dat opgevuld moet worden met koffieafspraken, verjaardagen en groepsappjes die nooit stilvallen.

Maar ik heb geen gat. Ik heb een huis. En een man die net zo graag in zijn eigen hoekje zit als ik. En drie katten die het concept eenzame ziel vooral verwarren met iemand die nog niet heeft gevoerd. En een tuin die elke dag iets nieuws laat zien, zelfs als ik er niet om vraag.

Eenzaamheid is een gevoel van tekort. Maar ik leef in een overvloed aan rust.

Soms zitten manlief en ik in dezelfde kamer, ieder verdiept in iets anders. Hij in een verhaal op de laptop, ik in een zin die maar niet wil landen. De stilte tussen ons is geen leegte, maar een soort zachte deken. Een gedeeld zwijgen dat meer zegt dan welk gesprek dan ook. Samen alleen zijn — het is een kunstvorm die je niet leert, maar die je langzaam ontwikkelt als je ontdekt dat nabijheid niet altijd geluid nodig heeft.

Toch blijft de buitenwereld het lastig vinden. “Maar mis je dan geen mensen?” Nee. Ik mis hooguit mijn stukje kaas dat ik vergeten ben te kopen. Of een kat die zich weer eens in de kast heeft verstopt. Maar mensen? Nee hoor. Ik heb precies genoeg mensen. En precies genoeg stilte.

Misschien is dat het echte misverstand: dat stilte gelijkstaat aan eenzaamheid. Terwijl stilte voor mij juist de plek is waar alles samenvalt. Waar ik kan horen wat ik denk. Waar ideeën ontstaan. Waar ik mezelf niet hoef uit te leggen.

Er zijn zeker momenten dat ik onder de mensen ben. Ik ben niet wereldvreemd. Ik kan heus praten, lachen, luisteren. Maar ik hoef het niet elke dag. Niet elke week. Soms niet eens elke maand. Mijn sociale batterij is meer een zonnepaneel: werkt uitstekend, maar alleen als ik genoeg tijd in de luwte krijg.

Dus nee, ik ben niet eenzaam. Ik ben thuis. In mijn huis, in mijn hoofd, in mijn leven. En dat is precies waar ik wil zijn.

Waar vind jij je eigen stilte?


Blijf zacht en oordeel niet te snel



Tok tok tok — over bijgeloof en andere zekerheden


Van zwarte katten tot afkloppen op hout — bijgeloof komt in alle vormen en maten. We gebruiken het om geluk naar ons toe te lokken en ongeluk op afstand te houden. Het geeft ons het gevoel dat we, heel even, grip hebben op het leven. Alsof het universum een soort klantenservice heeft waar je met drie tikjes op hout een spoedmelding kunt indienen.




Ik denk dat de meesten van ons het wel eens gedaan hebben: even tok tok tok op onbewerkt hout.  

Ik ook. Gisteren nog. Zonder erbij na te denken.  

Ik tikte zelfs op een houten deurpost waarvan ik niet eens zeker weet of hij écht van hout was. Maar hé — bijgeloof is flexibel.

Maar waarom doen we dat eigenlijk?

Mensen die zeggen dat ze níet bijgelovig zijn, geloof ik nooit helemaal. Bewust of onbewust doen we allemaal wel iets om het lot een handje te helpen. Vrijdag de 13de? Ongeluk. Een klavertje vier? Geluk.  

Zelf heb ik jarenlang geen foto’s van mensen durven weggooien, omdat ik ervan overtuigd was dat ik ze daarmee ongeluk bezorgde. Mijn huis was op een gegeven moment een soort opvangcentrum voor vergeten gezichten. Als ik ooit een fotoalbum had laten vallen, had ik waarschijnlijk een kettingreactie van rampspoed veroorzaakt.

Mijn oma van mijn vaders kant spande de kroon. Zwarte kat over de weg? Zij liep een straatje om. Ladder op de stoep? Geen haar op haar hoofd die eronderdoor ging.  

Er was eens een dag dat mijn opa per ongeluk het zoutpotje omstootte.  

“Ohhhh,” jammerde mijn oma, “nu komt er ruzie.”  

Waarop mijn opa doodkalm de suikerpot omkieperde:  

“Zo, nou is het weer goed.”  

Wij hebben er jarenlang om gelachen. Mijn oma niet. Die nam dat heel serieus. 

En toch blijft die vraag hangen:  

Waarom hebben we bijgeloof?

Bijgeloof is ontstaan omdat mensen behoefte hadden aan verklaringen voor het onverklaarbare. Angst voor het onbekende, verlangen naar controle, de wens om het leven een beetje voorspelbaar te maken. Het zijn tradities die van generatie op generatie worden doorgegeven, soms zonder dat we nog weten waarom.  

Het is eigenlijk de oeroude versie van “ik doe dit omdat mijn moeder het ook deed”.

En het bestaat overal.  

In Marokko beschermt de hand van Fatima.  

In Frankrijk dragen ze op nieuwjaarsdag kleding met stippen — misschien voor geluk, misschien omdat iedereen nog half slaperig is en gewoon iets vrolijks wil aantrekken.  

In Turkije hangt het blauwe oog aan deuren en kettingen om kwade blikken tegen te houden.  

Daar gaan ze ervan uit dat elke blik een soort energetische laserstraal is die je leven kan saboteren. Het blauwe oog fungeert dan als een soort kosmische zonnebril.

In Nederland komt veel bijgeloof uit het christendom of de Romeinse tijd. Maar ook in de oudheid probeerden mensen al de goden gunstig te stemmen. In de middeleeuwen sloeg dat door naar angst voor hekserij. In de renaissance kwam de wetenschap op, en nam het bijgeloof iets af — maar verdwenen is het nooit.  

We zijn er gewoon te goed in geworden om het te verpakken als “traditie”, “gezelligheid” of “je weet maar nooit”.

Je zou bijna denken dat bijgeloof in onze genen zit.  

Maar ik denk dat we het vooral leren.  En misschien… vinden we het stiekem ook gewoon leuk.  Het maakt het leven net een beetje magischer.  

En zeg nou zelf: wat is er mis met een beetje magie? Misschien is dat wel het mooiste bijgeloof van allemaal.


Blijf zacht




De witte schim van Kamperland

Het stond ineens overal in het nieuws: een dode baloega op het strand bij Kamperland. Voor het eerst sinds 1966 zou er weer zo’n spookachtig witte walvis voor de Nederlandse of Belgische kust zijn gezien. Opmerkelijk, want baloega’s horen thuis in arctische wateren waar het water kouder is dan hier.                                      

                                 

Volgens Stichting ReddingsTeam Zeedieren ging het om hetzelfde dier dat dagen eerder was gezien bij Callantsoog. En als zij zeggen dat het waarschijnlijk om die baloega gaat, dan knikt men meestal instemmend. Maar daar zijn ze echt niet op hun achterhoofd gevallen. Het dier werd naar de Universiteit Utrecht gebracht om te onderzoeken waaraan het gestorven was.

En toen bleek: het was helemaal geen baloega. Het was een Risso-dolfijn.

In eerste instantie dacht ik: dat is toch wel een verschilletje. Maar eigenlijk is de vergissing heel begrijpelijk. Het dier had dagenlang in zee gedreven. Dan verdwijnen de uiterlijke kenmerken waar je normaal op let: kleurpatronen, vinnen, littekens. Een Risso is normaal grijs, met een huid vol krassen alsof hij een leven lang met een doos scheermesjes heeft geworsteld. Een baloega is helder wit. Als de kleur van een Risso vervaagt, blijft er dus iets over dat verdacht veel op een baloega lijkt. De huid laat los, vinnen verdwijnen als eerste, gasvorming vervormt het lichaam. Wat je ziet, is niet meer wat het was.

De echte aanwijzingen zitten dan onder de huid. Botten liegen niet. De schedel vertelt bijna alles — en het gebit is de ultieme handtekening. Risso’s hebben geen boventanden en slechts een paar ondertanden. Baloega’s hebben keurig rijen tanden in boven- en onderkaak. Niet zo veel als een tuimelaar, die er gerust honderd in zijn mond kan hebben, maar toch aanzienlijk meer dan een Risso. In dit geval was het verschil meteen duidelijk.

De doodsoorzaak was niet meer vast te stellen; ook van binnen was het dier te ver aangetast.

En zoals altijd wanneer er iets aanspoelt, brak op social media een storm los. Men vond dat er te laat was ingegrepen, of juist te vroeg, of dat het allemaal anders had gemoeten. Iedere toetsenbordheld(in) had een mening, en meestal niet de meest vriendelijke. Experts werden in de reacties vakkundig met de grond gelijk gemaakt door mensen die nog nooit een dolfijn van dichtbij hadden gezien, laat staan een ontbindende.

Ik lees dat soort discussies vaak met stijgende verbazing. Social media zijn dé plek geworden waar mensen publiekelijk praten over wat er in de wereld gebeurt. Het heeft een belangrijke functie, maar het is ook een broedplaats voor desinformatie, harde oordelen en polarisatie. Het lijkt soms meer op een strijdtoneel dan op een gesprek.

En dan denk ik: dit was toch een bijzondere vondst. Een dier dat een lange reis maakte, een vergissing die begrijpelijk was, een les in kijken voorbij het oppervlak.  

Misschien kunnen we hier vooral van leren dat wat we denken te zien, niet altijd is wat er werkelijk ligt. En dat een beetje verwondering ons soms verder brengt dan een mening.

Waarvan akte.


Blijf zacht om je heen kijken.











De Drogist in de Witte Jas

Zoals zoveel hanzesteden heeft ook Doesburg een rijk verleden. Ik volg nu al een tijdje een facebook groep die in die geschiedenis van Doesburg duikt en de laatste paar dagen komen er berichten voorbij die extra raken. Dit is er zo één:

Hoe één man een stad verbond — en hoe zijn verlies Doesburg voorgoed veranderde.



Een vertrouwd gezicht in een onzekere tijd

Op een frisse ochtend in april 1944 opende Philippus Gastelaars zijn drogisterij aan de Koepoortstraat zoals hij dat al jaren deed. De oorlog drukte zwaar op Doesburg, maar in zijn winkel hing nog altijd dezelfde geur van kamfer, zeep en kruidenmengsels. Mensen kwamen er niet alleen voor pleisters en poeders; ze kwamen voor hém. Voor de man in de witte jas die luisterde, geruststelde en soms zelfs even meeliep naar een zieke buur.

Hij was een ankerpunt in een tijd waarin bijna niets meer vaststond.

Twee mannen aan de deur

Rond het middaguur klopten twee jonge mannen op de deur. Hun jassen nat van de regen, hun ogen scherp en onrustig. Ze vroegen niet om aspirine. Ze vroegen om hulp.

Philippus kende hen niet. Maar hij kende de blik. De oorlog had hem geleerd dat sommige mensen niet konden wachten, niet konden terugkeren, niet konden uitleggen. Hij liet hen binnen. Zonder vragen.

In de achterkamer, tussen de geur van kruiden en voorraadpotten, probeerden de mannen hun ademhaling te verbergen. Philippus ging terug naar de toonbank en vulde een potje met talkpoeder, zijn handen net iets te onrustig om het routine te noemen.

De stad sluit zich

Niet veel later vulde de straat zich met laarzen. De Sicherheitsdienst omsingelde de omgeving alsof ze precies wisten wat er binnen gebeurde. Een schot klonk achter het huis — een van de mannen had geprobeerd te vluchten. Philippus verstijfde. Hij wist wat dat geluid betekende.

De deur werd opengegooid. Uniformen stroomden de winkel binnen. Ze vonden de tweede man in een kast. En ze vonden Philippus, die niet vluchtte, niet vocht, niet loog.

Hij zei alleen:  

"Ze vroegen om hulp."

Diezelfde avond werd hij naar Avegoor gebracht, het SS‑opleidingscomplex bij Rheden. Zonder proces. Zonder afscheid. Zonder kans.

Hij werd die avond geëxecuteerd.

**********

De stad die stiller werd

De stad die stiller werd

In de dagen na zijn dood hing er een vreemde stilte over Doesburg. Niet de stilte van onwetendheid, maar die van een stad die te veel wist en niet durfde te spreken. De drogisterij bleef dicht; het bordje Gesloten hing scheef, alsof iemand het haastig had opgehangen. Mensen vertraagden hun pas als ze erlangs liepen.

Wat er achter die deur gebeurde, wist bijna niemand. Dat de SS het huis had verzegeld. Dat Gerarda niet eens meer naar binnen mocht en tijdelijk werd opgevangen bij haar zoon aan de Meipoortstraat. Dat het maanden zou duren voordat ze terug kon.

En dat haar dochter, toen ze eindelijk weer naar binnen mocht om schoon te maken, in een hoek van de slaapkamer een verdroogd bosje fresia’s vond — de bloemen die Philippus haar vijf dagen eerder had gegeven, op hun trouwdag. Een klein, stil gebaar dat de tijd had overleefd. Het bosje is altijd bewaard gebleven.

Achter die deur zat dus niet alleen een gezin dat een man, een vader, een echtgenoot had verloren. Er zat een vrouw die haar huis kwijt was, haar veiligheid, haar toekomst. En een stad die wist dat dit niet zomaar een dood was, maar een breuklijn.

Fluisteringen en schuld

Op de markt werd zijn naam niet hardop genoemd. Mensen fluisterden, keken om zich heen, en fluisterden dan nog zachter.  "Hij had ze alleen maar geholpen.",   "Hij was geen verzetsman."

In die fluisteringen zat ook schuld.  

Want iedereen wist dat Philippus precies deed wat zij zelf misschien ook zouden hebben gedaan — of hadden willen doen — als twee bange mannen op hun deur hadden geklopt.

De buurt die zorgde

De vrouwen uit de straat begonnen stilletjes eten te brengen. Een pan soep. Een schaal aardappelen. Een brood dat “toch over was”.  Niemand zei waarom.  Niemand hoefde het te zeggen.Het was hun manier om te zeggen:  We kunnen hem niet terugbrengen, maar we laten jullie niet alleen.

Een naam die bleef

Na de oorlog besloot Doesburg dat zijn naam niet mocht verdwijnen.  De Beitelstraat werd omgedoopt tot de Philippus Gastelaarsstraat.  Niet als eerbetoon aan een verzetsheld, maar aan een goede man.  Een man die deed wat juist was, zonder zichzelf als held te zien.

**********

Waarom dit verhaal mij raakt

Wat mij zo treft in het verhaal van Philippus Gastelaars is hoe klein zijn daad eigenlijk was — en hoe groot de gevolgen. Hij deed wat ieder mens zou willen geloven dat hij zou doen: iemand helpen die bang is. Geen heroïsche plannen, geen wapens, geen grootse woorden. Gewoon menselijkheid. En juist dat maakt zijn verhaal zo pijnlijk en zo mooi. Het laat zien hoe kwetsbaar goedheid is in tijden van geweld, maar ook hoe diep de sporen zijn die een zachtmoedig mens kan nalaten in een gemeenschap. Doesburg verloor een drogist, maar ook een stukje van zijn hart.

Misschien raakt het me juist omdat de wereld vandaag opnieuw vol situaties zit waarin gewone mensen voor buitengewone keuzes staan. Grenzen verschuiven, zekerheden brokkelen af, en overal duiken verhalen op van mensen die simpelweg proberen goed te doen in een tijd die dat steeds moeilijker maakt. Het verhaal van Philippus Gastelaars voelt daardoor niet als een bladzijde uit een ver verleden, maar als een stille waarschuwing én een herinnering: menselijkheid is nooit vanzelfsprekend, maar altijd noodzakelijk — juist nu.


Blijf zacht voor elkaar

 




Ochtendmagie

                      
Het begin van elke nieuwe dag vier ik als een klein momentje van magie. Gewoon even een momentje voor mijzelf alleen. Nadenken over het moois dat de dag misschien gaat brengen, wat mijn doelen zijn of wat voor leuks we op de planning hebben staan. De zon schijnt vanmorgen volop en ik geniet daar met volle teugen van. Vanaf de bank, want het lijf doet even niet mee vanmorgen. Misschien straks.

Ik heb wel al de vaatwasser in én weer uitgepakt. Mijn handen zijn vanmorgen erg stijf, want ondanks de heerlijke zon is het nog best fris. De weerapp zegt dat het negen graden is buiten, maar het voelt veel kouder. Dus heb ik alle afwas weer op het aanrecht gezet en ben ik met de hand gaan afwassen. Het warme water en de bewegingen zorgen ervoor dat mijn handen minder stijf en pijnlijk zijn.

Fred en Nico hebben hun rondje door de wijk gedaan, zijn netjes op de bak geweest en liggen nu met hun buikjes vol heerlijk te slapen. Hannah zit geïnteresseerd naar de hommels en de bijtjes in de tuin te kijken. Het is stil op straat. Heel stil. Je zou bijna denken dat wij de enige nog overgebleven inwoners van dit stadje zijn. Maar dat zal toch niet?

Dit is nou precies waarom ik het zo fijn vind hier te wonen. Ik hoef al die reuring van grote steden niet. Ik zou daar mega onrustig van worden. De rust en de stilte hier zijn precies waar ik goed op ga. Geen schreeuwerige buren, geen onafgebroken lawaai van verkeer, alleen maar het zoemen van de bijtjes en de hommels. Pure magie. De vogels doen het vanmorgen ook rustig aan. Een enkele mus vliegt af en toe door de tuin, maar verder is het stil.

Ik verwonder mijzelf soms over mijn eigen verwonderingen. Elke ochtend doe ik even mijn rondje door de tuin. Dan kijk ik hoe alles al aan het groeien is en ontdek ik steeds weer wat nieuws. Oh, daar is een takje bij aan het groeien. En daar, daar staat ineens een plantje in bloei. En ik zie alweer nieuwe blaadjes erbij. En wat gaat die plant goed. Ik merk dat ik wel een beetje ongeduldig begin te worden. Van mij mag alles al helemaal groen en in bloei staan. En dan het liefst tot eind oktober of zo. Maar goed, moedertje natuur heeft tijd nodig om haar perfectie uit te voeren. Dus moet ik gewoon afwachten wat zij doet. Ik ben heel braaf. 

Terwijl ik hier zo zit, loopt er een buurtbewoonster voorbij met haar hondje. Ze blijft even staan om te lezen wat er op de vlaggetjes staat geschreven die een buurman in de drollen op de stoep heeft geprikt. Er is hier, net als in de meeste gemeenten, een poepopruimplicht. De zakjes die je daarvoor kunt gebruiken, kan eenieder gratis ophalen bij de gemeente. Het hoeft dus geen belemmering te zijn die poep op te ruimen. Maar blijkbaar zijn er toch hondbezitters die het bukken al te veel van het goede vinden, laat staan dat ze ook nog eens het zakje moeten pakken, moeten bukken, oprapen, zakje dichtdoen én mee naar huis nemen om daar te dumpen.

En terwijl de dame in kwestie staat te lezen, verlicht haar hondje zich op het grasveldje naast een boom. Even kijkt ze om zich heen, alsof ze wil kijken of iemand haar ziet. Dan besluit ze toch maar een zakje uit haar jaszak te vissen en pakt keurig netjes de uitwerpselen van haar hondje op. Nog even kijkt ze achterom naar de vlaggetjes en loopt dan door. Ik kan het niet laten te denken dat ze het misschien had laten liggen als de vlaggetjes er niet hadden gestaan. Maar dat is een aanname… dat weet ik ook wel.

Ondertussen is de ochtend al bijna voorbij en ga ik eens kijken of er iets te doen valt in huis of in de tuin. Of zal ik eerst aan de koffie?

Ja, koffie. Goed idee.


Blijf zacht





Blikseminslag

Een paar jaar geleden hadden we steeds last van lekkage op ons dak. Meerdere keren stonden er stoere mannen boven ons hoofd te rommelen om de boel te herstellen. In eerste instantie dachten we dat vooral de kauwen de schuldigen waren — die kropen graag onder de dakpannen om mussennesten leeg te roven, en schoven daarbij van alles opzij. Maar uiteindelijk bleken een paar pannen in de loop der jaren gewoon doorgesleten.

Gisteravond lag ik in bed te luisteren naar het onweer en de regen. Op zulke momenten luister je automatisch óók of er niet ergens iets drupt op zolder. Maar gelukkig: alles bleef keurig droog.

Even later hoorde ik heel lang brandweersirenes. Er bleek een blikseminslag te zijn geweest in een prachtige rietgedekte woning net buiten de bebouwde kom. Zo zonde. Gelukkig is de hele woning niet verloren is gegaan. Maar vreselijk voor de bewoners. Hoe mooi ik rieten daken ook vind, ik zou er zelf geen nacht rustig onder slapen — vuur en ik zijn geen goede vrienden.

En toen dacht ik: hoe deden ze dat vroeger eigenlijk? Zichzelf én de stad beschermen tegen water, wind, vuur en andere vijanden?

***************

Soms loop ik door de binnenstad en denk ik: deze huizen weten meer dan wij. Ze hebben eeuwenlang wateroverlast, stormen, branden en belegeringen doorstaan. Rustig maar, ik heb dit al vaker meegemaakt, lijken ze te fluisteren.

Wij doen tegenwoordig ons best met tochtstrips, dubbel glas, dikke sloten en hoge schuttingen. Maar de Doesburgers van vroeger? Die waren pas vindingrijk.

Water als eeuwige huisgenoot

In een stad die tegen de IJssel aan leunt, was water nooit een abstract gevaar maar een dagelijkse gesprekspartner. Daarom kregen huizen hoge stoepen, forse drempels en kelders die mochten ademen. Oude kelders ventileerden niet voor de luxe, maar omdat anders de schimmel je tegemoet kwam.  

En dan die straatgoten: kleine open beekjes tussen de keien. Geen rommel, maar levensredders. Ze hielden voeten droog en funderingen heel. De stank moest je er alleen voor lief nemen.

Brand als schrikbeeld

In een tijd waarin iedereen met vuur speelde, was brand de grootste vijand. Dus kwamen er brandmuren, gemetselde schoorstenen en waterputten in binnentuinen. Alles om te voorkomen dat één vonk een hele straat opslokte. Je voelt het nog steeds als je langs die hoge zijmuren loopt: een stille waarschuwing uit een andere eeuw.

Indringers, stormrammen en smalle straten 

Doesburg was een vestingstad, en dat zie je. De straten zijn smal en kronkelig — niet omdat de middeleeuwse stedenbouwkundige een artistieke bui had, maar omdat vijanden er gek van werden. Ramen waren klein, luiken zwaar, deuren dik. Alles ademde: *kom maar, maar niet te dichtbij*.

Tocht, kou en de eeuwige wind langs de IJssel 

De Doesburgse wind is een personage op zichzelf. Daarom hadden huizen dubbele deuren, dikke pannen op steile daken en kieren gevuld met mos of vlas. Niet romantisch, maar noodzakelijk. Liet je dat na, dan bevroor je ’s nachts in je bed of waaide je van je dure chaise longue af.

Waarom je in de binnenstad geen rieten daken vond  

In de oude stadskern zag je vroeger geen riet. Dat had twee redenen.  

Ten eerste: brandgevaar. In zo’n dichtbebouwd gebied was riet vragen om ellende.  

Ten tweede: status. In de binnenstad woonden de gegoede burgers, en die woonden per definitie “onder de pannen”. Hoe meer dakpannen je je kon veroorloven, hoe hoger je stond op de sociale ladder. Vandaar ook de uitdrukking: die is onder de pannen.

Vandaag de dag

Nu stoppen we moderne technieken in oude muren: onzichtbare vochtkeringen, stalen verstevigingen, isolatie die niemand ziet. We beschermen de huizen — en tegelijk beschermen de huizen ons.  

We blijven repareren, verstevigen en verbeteren, omdat dat is wat mensen doen. En ergens tussen al die lagen zorg herinneren onze huizen ons eraan dat er altijd iets is dat overeind blijft, zelfs als het stormt. Misschien is dat wel de stille belofte van elk huis: dat het met ons meegroeit, en ons onderweg helpt herinneren dat veiligheid iets is wat we samen maken.

En terwijl ik dit schrijf, hoop ik vooral dat de bewoners van het afgebrande huis veilig zijn en snel weer een plek vinden die als thuis voelt. Want huis en haard verliezen… dat is een wond die je niet met een paar nieuwe dakpannen heelt.



Blijf zacht