Beltane en ik - deel 2.

 Voor Wesley: Dank voor deze mooie ervaring

Soms moet je dingen gewoon ervaren om te weten of ze bij je passen.  
Een Beltane-viering bijvoorbeeld, met rituelen, aanroepingen en de hele rattaplan die daarbij hoort.  
Klinkt dat onaardig? Dat is niet zo bedoeld — het is gewoon eerlijk.

Ik was gisteren bij zo’n viering. En al snel merkte ik: dit is niet mijn manier.  
Ik vier Beltane liever op mijn eigen tempo, op mijn eigen plek, zonder het aanroepen van goden of windrichtingen. Misschien vinden sommigen dat “fout”, maar wat is er eigenlijk fout aan het vieren dat de zomer begint?

Mei is de maand van vruchtbaarheid. Alles staat in bloei.  
Bloei die nodig is om vruchten te maken.  
En om te kunnen bloeien is vereniging nodig — van mannelijk en vrouwelijk, van licht en donker, van aarde en lucht.  
Dat vieren we. Dat begrijp ik. Dat voel ik.

Maar daar stond ik dus, tussen liefdevolle, passievolle mensen die met hart en ziel Beltane vierden, en ik was de vreemde eend in de bijt.  
Ik keek naar het vuur — veilig in een vuurkorf, gelukkig — en dacht alleen maar: “Oh jee, dit is zó niet mijn ding.”

Toen kwam de geleide meditatie.  
“Fijn,” dacht ik nog. Ik mediteer graag.  
Maar ik kwam er niet in. Halverwege ben ik in gedachten naar mijn eigen veilige plek gegaan en heb met open ogen genoten van de omgeving. De vogels deden vrolijk hun eigen ding, en dat paste me beter dan de woorden die ik hoorde.

Wat ik wél mooi vond, was zien hoe anderen dit beleven.  
Mooie mensen, stuk voor stuk.  
De saamhorigheid, het diepe geloof in goden en godinnen — ik heb dat niet, maar ik kan er met respect naar kijken.

Ik geloof wel dat er íets is.  
Het universum heeft nog genoeg mysteries voor ons.  
En ik snap dat sommige mensen zeggen: “Het universum, de goden — dat is toch hetzelfde?”
Maar terwijl ik daar stond, merkte ik dat mijn manier van betekenis geven anders werkt.

Voor veel mensen is het universum een grote, onpersoonlijke kracht: iets dat beweegt en verbindt zonder bedoeling of voorkeur.  
De goden zien zij dan als persoonlijke verschijningsvormen van datzelfde geheel — symbolen, archetypen, verhalen die helpen om betekenis te geven.

In die visie is het universum de achtergrond,  
en zijn de goden de manieren waarop mensen daar een relatie mee kunnen voelen.

Zelf voel ik me het meest thuis bij dat eerste: een universum dat niet stuurt, maar simpelweg is.  
Geen boodschappen, geen kosmische planning — eerder een rustige achtergrond waar wij zelf betekenis in mogen leggen.

Zo blijven beide talen naast elkaar bestaan:  
de één zoekt nabijheid in goden,  
de ander vindt ruimte in het universum.  
Niet beter, niet slechter — gewoon twee manieren om richting te zoeken.

En toch… terwijl ik dit schrijf, hoor ik mezelf denken:  
“Margot, ben jij niet degene die engelen bedankt als je een veertje vindt?  
Ben jij niet degene die meteen opzoekt wat dubbele cijfers betekenen, of waarom een bepaald dier steeds op je pad komt?”

Misschien hoef ik dat niet te scheiden.  
Misschien is dat gewoon mijn eigen taal.  
Mijn eigen manier om het universum een klein beetje persoonlijk te maken — precies genoeg om er iets warms in te herkennen, zonder dat ik er een godennaam aan hoef te hangen.

Blijkbaar ben ik spiritueel genoeg om tekens te zien,
maar niet ritueel genoeg om er in koor bij te gaan staan.
En misschien is dat precies goed zo:
mijn manier van vieren is klein, stil en een beetje eigenwijs.
Een veertje dat opduikt, een vogel die net op tijd langsvliegt,
een getal dat even knipoogt.
Geen groot ritueel —
gewoon een universum dat stilletjes met me meeloopt.
En dat voelt helemaal goed zo.
Laat mij maar een solitaire heks zijn.


Blijf zacht








Geen opmerkingen:

Een reactie posten

Laat hier een berichtje achter: