Tommie Tomke

Er woont een winterkoning in onze tuin.

Nerveus springt hij door het struikgewas. Zijn staartje continu opwippend laat hij zijn zang horen. 

Onvoorstelbaar hoeveel geluid zo’n klein beestje kan produceren. Ik las ergens zelfs 90 decibel! Ter vergelijking: dat is ongeveer zo hard als het geluid van een draaiende blender. 

Met zijn kleine puntige, iets kromme, snaveltje peutert hij insecten en andere kleine diertjes uit de smalste spleetjes. Af en toe, ter afwisseling, wat zaadjes. Dat moet veel en de hele dag, want al doet zijn naam vermoeden dat hij winterhard is, dat is hij dus eigenlijk helemaal niet. In de winter hebben ze het best moeilijk om warm te blijven. Daarom moeten ze de hele dag eten om de koude winternachten te kunnen overleven. Ik las ergens dat ze in een koude nacht wel 10% van hun lichaamsgewicht kunnen verliezen. 

Als ik dat zou doen, zou ik de volgende ochtend direct een taart bestellen om het te vieren.

Afin, de hele dag eten is dus van levensbelang. Wanneer we een strenge winter hebben, kan de helft van onze populatie sterven en het duurt jaren — soms wel vijf — voordat hun aantal weer op peil is. Je zou denken dat zo’n kleintje het daarom wat rustiger aan zou doen, maar nee. Hij hupt nerveus door de tuin, ondertussen luid zingend: “Dit hier is mijn tuin, waag het niet om je hier te laten zien.”  

Een koning is het wel.

Ik sta naar hem te kijken en denk: straks is het voorjaar, dan ga je helemaal los. Dan ga je aan de slag met het bouwen van nesten. Meerdere nesten ja. Want hij bouwt er soms wel vier. Mooie kleine bolletjes, bekleed met mos, haartjes en kleine takjes. 

De winterkoningin kiest dan de mooiste uit. Ondertussen probeert meneer een tweede en eventueel een derde dame te strikken. Anders staan die nesten toch maar leeg. Zonde toch.

We hebben een takkenmuurtje gebouwd tegen de muur van de schuur. Struiken eromheen en voldoende nestmateriaal in de buurt. Ik vermoed dat meneer daar overwinterd heeft. Of hij daar dan ook een van zijn nestjes zal bouwen, weet ik niet. Ik hoop het wel. Maar ja… eerlijk is eerlijk… Fred en Nico banjeren ook regelmatig door de tuin, soms vriendjes en vriendinnetjes uit de buurt meenemend. Dus of het verstandig is, is de vraag.

In ieder geval blijven we ervoor zorgen dat hij genoeg plekjes heeft om eten, nestmateriaal en schuilplekjes te vinden.

Tommie

Ik heb hem Tommie genoemd. De naam past bij hem.

Eigenlijk weet ik ook niet waarom wij mensen zo nodig van alles en nog wat namen moeten geven. Ik denk dat het komt doordat je, wanneer je een dier een naam geeft, er medeleven ontstaat — misschien omdat het het ‘persoonlijker’ maakt. Ik heb hem een naam gegeven, dus is hij van mij… zoiets?

En laten we eerlijk zijn, wanneer manlief vraagt waar ik naar kijk en ik antwoord “naar een winterkoningman in de tuin” of “naar Tommie”, wat klinkt beter?

Dus ik sta naar Tommie te kijken en kan een glimlach niet onderdrukken. Zo’n leuk, klein, venijnig beestje. Een dondersteentje kan het zijn. Tien gram aan vechtlust als het erop aankomt.

In de natuur staat de winterkoning symbool voor kracht, creativiteit en moed om je stem te laten horen — ook als de omstandigheden niet ideaal zijn. Juist in de zomer, wanneer het leven gonst van energie, laat hij zich horen om mij eraan te herinneren dat er altijd ruimte is voor mijn eigen geluid.

Dit kleine vogeltje laat mij zien dat ook in donkere tijden mijn innerlijk licht mag stralen. Hij nodigt mij uit om trouw te blijven aan mijn eigen stem.

En Tommie vertelt me: blijf zingen, blijf groeien, blijf leven vanuit jouw hart.

en vergeet niet...Blijf zacht

Sokrebellie

Er zijn van die dagen waarop je denkt: ik ga even een stukje wandelen. Een frisse neus, een beetje beweging, niks ingewikkelds. Tenminste… dat dacht ik. Totdat ik besloot om laarzen aan te trekken. Niet van die gezellige, wijduitlopende laarzen waar je zo in glijdt. Nee hoor. Ik had natuurlijk die andere aan. Die paardenmeisjeslaarzen, waar je eerst je skinny jeans in moet proppen alsof je een boa constrictor terug in zijn terrarium probeert te duwen.

En dan begint het. Het Grote Hijsen.

Eerst een plekje zoeken om te zitten — want dit soort drama doe je niet staand. Laars uit. Sokken ophijsen. Met veel gedoe, want je skinny jeans even laten zakken zou eigenlijk het handigst zijn, maar ja… dan sta je dus op straat in je onderbroek. En hoewel ik veel kan hebben, is dat toch net een brug te ver.

Je vraagt je misschien af hoe een sok überhaupt kan afzakken als alles eromheen strak staat als een vacuümverpakking. Nou, dat zal ik je vertellen: deze sok had zijn pensioen allang verdiend. Je kon nog net niet de krant door de hiel lezen. En dan die maten tegenwoordig: op het label staat 39–42, maar in werkelijkheid is het meer 37,5 met grootheidswaanzin.

Daar komt bij dat mijn Hollandse kuiten — die ik koester, maar die wel degelijk aanwezig zijn — mij dwingen laarzen te kopen die eigenlijk een maatje te groot zijn. Gevolg: een losse hiel die bij elke stap mijn sok naar beneden trekt alsof hij een eigen ontsnappingsplan heeft. Mijn briljante idee om de sok dan maar over mijn broek te trekken, tussen laars en stof in, bleek vooral theoretisch briljant.

Twintig minuten. Zolang duurde het voordat ik eindelijk kon beginnen aan mijn wandeling. Had ik net zo goed terug naar huis kunnen lopen voor andere sokken. Maar nee, eigenwijs als ik ben, liep ik door. Misschien kruipt hij vanzelf weer omhoog, dacht ik nog hoopvol.

Maar nee.

De sok koos de weg van de minste weerstand: richting tenen. Daar vormde hij een compacte, irritante sokbol die me dwong letterlijk met kromme tenen te lopen. Dus opnieuw: plekje zoeken. Laarzen uit. Sokken uit. Laarzen aan. Sokken in de dichtstbijzijnde vuilnisbak. En toen, met koude voeten in veel te ruime laarzen, ben ik maar terug naar huis gesjokt.

Die wandeling? Die kon me ondertussen gestolen worden.

Blijf zacht, ook als het even niet lukt