Het is rond 11.00 uur. Manlief ligt nog in bed na een nacht die volgens hem “korter was dan mijn geduld als ik honger heb”. Ik besluit naar het tuincentrum te gaan. Ik geef hem een kus, zeg dat ik even weg ben — want ja, zo’n afscheid hoort erbij, zelfs als je maar twintig minuten weg bent.
Vijf minuten later fiets ik net buiten de stad als ik in de verte een ambulance hoor. Prima. Kan gebeuren. Maar dan zie ik hem. Met sirenes. Met tempo. En natuurlijk — natúúrlijk — scheurt hij richting onze straat.
En daar gaat mijn brein.
“Doe normaal, Margot,” zeg ik streng tegen mezelf. “Je bent nog geen vijf minuten weg. Niemand heeft überhaupt tijd gehad om in paniek 112 te bellen. Er is níets aan de hand.”
Mijn lichaam denkt daar anders over. Mijn maag trekt samen, mijn armen worden zwaar, mijn borstbeen protesteert en de tranen staan klaar alsof ze auditie doen voor een dramafilm.
Potverdikkie.
Rationeel weet ik dat dit nergens op slaat. Emotioneel ben ik inmiddels drie hoofdstukken verder in een thriller die nooit geschreven is. Ik adem diep in, diep uit, en langzaam zakt het weer. “Gewoon doorgaan. Er is niets aan de hand.” En toch ben ik boos op mezelf. Ik wéét waar dit vandaan komt. Ik wéét dat het tijd nodig heeft. Maar jemig… hoe lang nog?
Bij het tuincentrum is alles gelukkig weer normaal. Planten, bloemen, lentegevoel — mijn natuurlijke antidepressiva. Ik koop mest voor het gazon, een bakje met bolletjes en, vooruit, een cadeautje voor mezelf. Ik mocht eigenlijk niets meer kopen, want ik was begin van de maand al losgegaan. Maar ja… sommige dingen roepen gewoon: Neem mij mee, ik ben troost in keramiekvorm.
Na een half uurtje fiets ik terug. In de verte hoor ik weer een ambulance. “Niet luisteren,” zeg ik tegen mezelf. Ik focus op de vogels in de weilanden. Een groep ganzen, een paar zilverreigers — instant mindfulness. Het werkt. De sirene verdwijnt naar de achtergrond alsof iemand de volumeknop heeft gevonden.
In ons stadje zie ik een oudere dame op een bankje zitten. Doodstil. Als een standbeeld. Maar dan zie ik dat haar voeten zo’n vijf centimeter boven de grond bungelen. Ze is gewoon te klein om de grond te raken. Om de een of andere reden vind ik het zó komisch dat ik in de lach schiet. En hop — weg is de angst, weg is het verdriet. Soms is het leven gewoon een sketch.
Thuis krijgt manlief, inmiddels uit bed, een dikke knuffel. De katten een royale aai. En mijn humeur? Helemaal terug. Opperbest zelfs.
Blijf zacht, ook bij ongegronde angst

Geen opmerkingen:
Een reactie posten
Laat hier een berichtje achter: