Eindejaarstoetsen en andere flauwekul

Ze fietste met haar moeder voorbij.  “Mam, juf zegt dat volgende maand de toetsen beginnen, maar ze vertelt niet wat ik moet leren. Stóm!”  

Wat Mam antwoordde, waaide weg met de wind.  

“Oh ja,” dacht ik. “De eindejaarstoetsen van het basisonderwijs.”  Ik heb dat altijd zulke flauwekul gevonden. En ik zal uitleggen waarom.

Wanneer een profvoetballer zijn dag niet heeft en tijdens een finale een bal huizenhoog over schiet, wordt dat uitgebreid geanalyseerd door mannen in te strakke pakken. Maar niemand zegt: “Jij gaat een niveautje lager spelen, vriend.”  

Wanneer je op het voortgezet onderwijs je eindexamen niet haalt, krijg je een herkansing.  

Maar de toetsen op de basisschool — zoals ik ze ken — zeiden wat mij betreft he-le-maal niets over de capaciteiten van een kind. Het is een momentopname waar vervolgens de toekomst aan wordt opgehangen.  

Laat ik een voorbeeld geven.

School en ik waren geen match. School vond mij lastig, te aanwezig, te nieuwsgierig. Vooral dat laatste begreep ik nooit. Hoezo te nieuwsgierig? Daarvoor zit je toch op school? Mijn waarom-vragen kwamen dagelijks minstens tien keer voorbij. En als niemand het antwoord wist, mocht ik weer eens de gang op.  

Op de basisschool heb ik zelfs een jaar lang met mijn tafeltje op de gang gezeten. Ik was negen of tien. In de zesde klas kregen we de beroemde Cito-toets. Die zou bepalen hoe goed we konden leren en op welke school we thuishoorden.  

Ik leerde niet. Nooit. Geen zin in. Ik zag het nut niet. En op de dag van de toets had ik duidelijk mijn dag niet.  

Uitslag: huishoudschool, laagste niveau.

Wij noemden dat thuis steevast het grietenaquarium. Achteraf denk ik dat dat meer met het gebouw te maken had dan met het feit dat er vooral meisjes zaten, maar goed.

Ik weigerde in alle talen. Ik ging daar écht niet heen. Maar ouders van toen luisterden naar de leerkracht, dus ik werd gewoon ingeschreven.

Als ik nu kinderen zie worstelen met toetsen, denk ik vaak terug aan dat meisje met haar tafeltje op de gang..

Na zes weken kreeg mijn moeder een telefoontje: waar ik bleef.  

Ik was elke ochtend keurig van huis gegaan… en had vervolgens de hele dag in de binnenstad rondgehangen. Ik ging gewoon niet.  

Na veel onderhandelen — met scholen én met mij — mocht ik naar de L.E.A.O.  En ja hoor, daar begon het spelletje opnieuw. Het schoolsysteem paste mij gewoon niet.  

Ik kon er met mijn pet niet bij dat we 1) de hele tijd stil moesten zitten en 2) dat leerkrachten in paniek raakten wanneer ik vroeg waarom iets was.  

Zo vroeg ik de wiskundeleraar waarom ik ingewikkelde berekeningen moest leren en wanneer ik dat later in het echte leven nodig zou hebben.  

Zijn antwoord:  “Daar is het gat van de deur, Margot. Meld je maar bij de directeur.”  Ik was flabbergasted. Het was een oprechte vraag.  

De maatschappijleerleraar — prachtig galgje-woord — was slimmer.  “Goede vraag,” zei hij. “Ik zoek het voor je uit en kom er volgende keer op terug.”  Hij wist natuurlijk dat ik het tegen die tijd allang vergeten was. En meestal was dat ook zo. Mijn nieuwsgierigheid werkt in flitsen: hoe zit dat ook alweer? Even opzoeken, en doorrr.  

Ondertussen presteerde ik best goed, zeker gezien het feit dat ik nooit huiswerk maakte. Maar leren deed ik elke dag — alleen niet de stof die men graag zag.  

Mijn vader had drie complete encyclopedieën in de kast staan. De voorloper van internet. Ik heb ze grijsgedraaid.  

Engels kregen kinderen toen nog niet op de basisschool, maar ik las het al in de vijfde klas. Dankzij Peter Rabbit, Timmy Tumbler en de Flower Fairies. Elk onbekend woord zocht ik op. Mijn vader oefende de uitspraak met me.  

Uiteindelijk ben ik gewoon geslaagd. De cijfers hadden beter gekund als ik een beetje mijn best had gedaan, maar ik dacht: met de hakken over de sloot is óók over de sloot.  

Pas na school ben ik echt gaan leren. Duits had ik dramatisch afgesloten, maar een paar jaar later sprak ik het beter dan ooit — zodra ik die verdomde rijtjes met mit, nach, nebst, samt had losgelaten.  

De schoolsystemen zijn inmiddels veranderd. Of het beter is weet ik niet, maar anders is het zeker.  

Wat ik vooral hoop, is dat er nu beter gekeken wordt naar wat een kind nodig heeft. Kan het rustig een uur zitten? Of leert het beter door te bewegen, te vragen, te ontdekken?  

Ieder kind leert anders. Ieder mens trouwens ook. En of je nou op een LOM-school hebt gezeten of op het VWO: elke vorm van leren is waardevol als jij er iets uithaalt.  

Ik zeg altijd: “Al word je putjesschepper. Als dat je roeping is en je wordt er gelukkig van… prima toch.”  

Stiekem hoop ik dat die moeder tegen haar dochter heeft gezegd dat het leven één groot leermoment is — en dat je niet hoeft te blokken voor een momentopname. Als de leerkracht het hele jaar heeft gezien wat je kan, weet hij of zij ook op welke school je straks thuishoort.


Blijf zacht. En blijf leren op je eigen manier.