Je zou denken dat een auto die zichzelf kan parkeren ook een remlicht kan bedenken dat je ziet.
We rijden op de snelweg richting Arnhem. Het is donker en grauw. Het heeft net heel hard geregend en nu druppelt het nog wat na. De auto’s voor ons zorgen voor opspattend water waardoor het zicht allesbehalve optimaal is. Dan scheurt er plots een Tesla voorbij die duidelijk niet had gerekend op het feit dat er nog meer verkeer vóór hem reed. Hij moet dus flink in de remmen. En meteen valt het ons op: je ziet die achterlichten gewoon bijna niet. Te klein, te smal, te vreemd licht.
We schieten tegelijk in de lach, want:
Tesla: miljoenen voor schermen zo groot als broodplanken, zelfrijdende beloftes die nog steeds vooral beloofd zijn… maar dan achterlichten die eruitzien alsof iemand in de fabriek riep: “Jongens, we zijn door het budget heen, pak even twee rode LED‑stripjes van AliExpress.”
En dan komt het hè.
Het is niet alleen Tesla. Overal om ons heen zien we auto’s met van die futuristische lichtsignaturen. De een nog kunstzinniger dan de ander. En de meesten zijn gewoon slecht te zien. Daardoor vroegen wij ons meteen af: worden die dingen niet getest?
En wat blijkt?
Ze worden wel degelijk getest — uitgebreid zelfs — maar zichtbaarheid in het echte verkeer blijkt iets heel anders dan zichtbaarheid in een laboratorium.
Om te beginnen de LED‑verlichting.
LED‑lampen hebben weinig strooilicht. Technisch gezien prachtig (efficiënt, gericht), maar het betekent dat je ze vanuit sommige hoeken minder ziet dan de oude halogeenlampen die meer “gloed” afgaven. Bovendien kunnen ze je in bepaalde omstandigheden juist verblinden.
Wettelijk gezien mogen fabrikanten smalle lichtstroken, ingewikkelde patronen en donkere achtergronden gebruiken zolang het licht binnen bepaalde waarden valt — maar “wettelijk voldoende” is niet hetzelfde als “in alle situaties goed zichtbaar”.
Remlichten mogen zo klein zijn als men wil. Ze zijn feller, dat dan weer wel, maar je ziet ze dus pas goed als je er recht achter zit.
We hebben het zelf nooit meegemaakt, maar ik kan me zo voorstellen dat daar al menig aanrijding door is ontstaan.
Er is hoop.
De Europese lichtregels stammen nog uit de tijd dat een achterlicht gewoon een rood blokje was dat warm werd als je het aanraakte. Inmiddels rijden we rond met LED‑streepjes die meer op eyeliner lijken dan op verlichting, maar de wet doet alsof het nog 1998 is. Daarom wordt er nu gesleuteld aan strengere zichtbaarheidseisen: lampen moeten straks ook vanuit schuine hoeken goed te zien zijn, het lichtoppervlak mag niet meer zo belachelijk klein zijn, en auto’s die alleen met dagrijverlichting rondtoeren zonder achterlichten worden eindelijk aangepakt. Zelfs de designfratsen — ultradunne lijntjes, animaties, donkere achtergronden — krijgen nieuwe grenzen. Kortom: de regels proberen de sprong te maken van halogeen naar high‑tech, maar ze komen vooralsnog hijgend achter de industrie aan.
Een voordeel hebben die moderne lichtjes wel: ze zorgen ervoor dat wij ruim voldoende afstand houden.
Misschien is dat uiteindelijk de grootste ironie: al die futuristische verlichting die bedoeld is om ons veiliger te laten rijden, zorgt er vooral voor dat wij met samengeknepen ogen en een extra meter of twintig afstand achter iedereen aan sukkelen. En eerlijk? Het werkt. Niet dankzij de techniek, maar ondanks die twee rode LED‑stripjes die ons vooral leren om het zekere voor het onzekere te nemen. Daar is ook wel weer iets voor te zeggen. Soms is vooruitgang gewoon een kwestie van iets beter kijken — al houden wij het voorlopig liever bij het ouderwetse.
Blijf zacht, en kijk goed uit.

Geen opmerkingen:
Een reactie posten
Laat hier een berichtje achter: