Fred ons hartekind en Hannah ons prinsesje

Aan de rand van het zilveren lint

Inmiddels weten velen van jullie wel dat ik geboren en getogen ben in Zutphen. Hanzestad, Torenstad aan de IJssel. 

De IJssel.  

Er is iets aan die rivier dat mij altijd heeft getrokken. Misschien omdat hij niet zo’n oude, majestueuze rivier is, maar een jonge, eigenwijze. Een rivier die pas in de vroege middeleeuwen besloot: hier wil ik stromen.  

Geen oeroude reus zoals de Rijn of de Maas, maar een laatkomer. Rond het jaar 950 had hij ongeveer de omvang die hij nu heeft — een rivier die zich nog zichtbaar heeft gevormd binnen onze eigen geschiedenis. Een rivier die je bijna kunt betrappen op het feit dat hij nog steeds een beetje zoekt.

Nu woon ik in Doesburg, ook een Hanzestad aan diezelfde IJssel. Alleen zijn de uiterwaarden hier minder toegankelijk. Minder struinen, minder verdwalen, minder van dat zachte wegdromen in het landschap. Soms mis ik dat. Niet op een dramatische manier, maar op zo’n stille manier waarop je ineens merkt dat een ritueel dat ooit vanzelfsprekend was, nu niet meer in je dag past.

Tjonge, wat heb ik daar een hoop stappen gezet, in die Zutphense uiterwaarden. De IJssel heeft heel wat van mijn verdriet en verhalen aangehoord. Mijn tranen meevoerend naar het noorden, via het Ketelmeer zo het IJsselmeer in. Alsof de rivier zei: kom maar, ik draag het wel even voor je.  

En ik geloof dat rivieren dat kunnen — niet letterlijk natuurlijk, maar in de manier waarop water altijd blijft bewegen. Je kunt er iets in kwijt zonder dat het blijft hangen. Water is een soort zachte vergeter.

Het is een ontstuimige rivier. Eentje die rustig kan kabbelen maar ook woest kan stromen. Een zilveren lint dat zich door uiterwaarden, natuurgebieden en open landschappen slingert — inmiddels unieke Natura-2000 gebieden.  

En toch, hoe wild hij soms ook is, de IJssel heeft altijd iets eerlijks. Hij doet niet alsof. Hij is nooit half. Hij is óf kalm, óf woest, óf ergens daartussenin. Maar altijd zichzelf.

Toen ik nog in Zutphen woonde, had ik een hond: Aros. Ik liep dagelijks met hem in de uiterwaarden. Uren konden we daar rond scharrelen. Of juist niet. Als meneer besloot te gaan zwemmen, had ik al mijn aandacht bij hem. Ik vond het namelijk nogal eng, wetende dat de rivier behoorlijk hard kan stromen. En bovendien ben ik geen zwemkampioen. Een eventuele reddingsactie zou waarschijnlijk eindigen in ons beider verdrinking.  

Maar goed… dat is gelukkig niet gebeurd. Aros is uiteindelijk dertien geworden. En ik ben er ook nog.

Soms denk ik dat Aros meer vertrouwen had in de IJssel dan ik. Hij sprong erin alsof het een soort vloeibare speeltuin was. Alsof hij wist dat de rivier hem zou dragen. Ik stond dan op de oever, half bezorgd, half geamuseerd, en keek hoe hij zich liet meevoeren door iets dat groter was dan wij beiden.  

Misschien was dat zijn manier om te zeggen: je hoeft niet altijd alles vast te houden, Margot.  

Honden kunnen zulke dingen zeggen zonder woorden.

Nu, jaren later, woon ik dus weer aan diezelfde rivier, maar in een andere stad, met een ander ritme, een ander leven. De IJssel stroomt hier anders. Minder breed, minder toegankelijk, maar nog steeds met diezelfde eigenzinnigheid. Soms loop ik naar de kade en kijk ik hoe het water langs de stad trekt. Het is geen plek om te verdwalen zoals in Zutphen, maar wel een plek om even stil te staan.  

En dat is misschien wat ik nu nodig heb: minder verdwalen, meer stilstaan.

De IJssel. Nimmer aflatend stromende rivier. Die zijn eigen pad volgt. Stromend met miljarden druppels tot een zilveren lint verweven. Gevaarlijk mooi. Onstuimig aantrekkelijk.  

En misschien is dat precies waarom hij me altijd blijft roepen: omdat hij, net als het leven, nooit helemaal te voorspellen is — maar altijd blijft stromen.  

En omdat hij me herinnert aan wie ik was, wie ik ben, en wie ik nog mag worden.  

Een rivier als tijdlaag. Een rivier als ritueel. Een rivier als stille metgezel.



Blijf zacht stromen


Aros 



Geen opmerkingen:

Een reactie posten

Laat hier een berichtje achter: