Er zit een soort onrust in mijn lijf die ik niet goed kan duiden. Ik wil van alles doen, maar er komt niets uit mijn handen. Ik zie de dingen die zouden moeten gebeuren, maar op de een of andere manier lukt het me niet om ook maar iets in beweging te zetten.
We willen de grote kast uit de kamer weg hebben, en daarvoor moeten er een heel stel boeken verdwijnen. Sommigen gaan echt weg, anderen mogen even naar de zolder. In die kast staan ook lijstjes, prutseltjes, kleine dingen die we ooit kregen. Veel daarvan “mogen” eigenlijk niet weg. Want — zo zegt mijn hoofd — iets dat met liefde gegeven is, gooi je niet zomaar weg. Dat is onbeleefd. Maar waar ik het dan wél moet laten, weet ik ook niet.
Het is me inmiddels gelukt om een hele serie boeken die we niet meer willen houden in een doos te stoppen. Die staat nu midden in de kamer. Te zwaar om te verslepen. Dat heb je met boeken: ze zijn gewoon enorm zwaar. Eén van de redenen waarom de kast weg moet. Onze huiskamer heeft een houten vloer, en die begint aardig te wippen in de buurt van die kast. Gewoon te veel gewicht op één plek.
Er zijn zoveel plannen, maar er lukt zo weinig. Hoe krijg ik mijn hoofd en mijn lijf weer in evenwicht?
Mijn lijf staat in een soort alarmstand. Geen paniek, maar een lichte, constante spanning. Daardoor voelt elke handeling alsof ik door stroop moet. En die kast is ook niet zomaar een kast. Het is een plek waar geschiedenis staat: boeken die we ooit kozen of kregen, lijstjes, prutseltjes, cadeautjes met liefde gegeven. Dat zijn micro-herinneringen.
Ik ben dus niet alleen spullen aan het verplaatsen — ik moet ook beslissen wat we bewaren van ons eigen verhaal. Dat kost bergen energie.
Fiepje zegt: “Iets dat met liefde gegeven is, mag je niet wegdoen.”
Dat is een heel zachte, maar ook heel strenge overtuiging. En die strengheid blokkeert me. Want als ik iets niet weg mág doen, maar het ook nergens kwijt kán, dan zit ik vast. En dat is precies wat er nu gebeurt.
Het lijkt erop dat mijn systeem overbelast is. Niet door de hoeveelheid werk, maar door de hoeveelheid betekenis die eraan hangt. Ik heb in ieder geval al wél iets gedaan: een doos vol boeken, midden in de kamer. Laten we het een tussenfase noemen. Ik zit in de ruimte waarin het nog niet als “opruiming” voelt, maar ook niet meer “zoals het was”. Ik vind dat best een ongemakkelijke tussenruimte.
Ik zeg hardop tegen mezelf:
“Een cadeau is geen verplichting. Het is een moment van liefde dat al voltooid is. De liefde blijft, ook als het object een andere bestemming krijgt… toch?”
Zo probeer ik mezelf ervan te overtuigen dat ik goed bezig ben. Nou ja, bezig ben. Vooralsnog heb ik alleen die boeken in een doos gekregen en een paar lijstjes en prutsels verdeeld in bewaren en wegdoen. Maar wellicht is dat precies hoe het moet: langzaam, met aandacht, en met een beetje mildheid voor mezelf.
En toch blijft die vraag knagen: wat maakt het toch zo moeilijk om gegeven items weg te doen?
Misschien omdat een cadeau nooit alleen een ding is. Het is een gebaar, een moment, een stukje van iemand anders dat even bij jou mocht horen. Als je het wegdoet, voelt het alsof je dat moment weggooit — alsof je ondankbaar bent, of iets verbreekt. Alsof je de gever zelf een beetje tekortdoet.
Maar dat is toch eigenlijk een misverstand dat diep in het hart zit. Een cadeau is immers geen contract. Het is geen morele verplichting die levenslang meegaat. Het is een uitwisseling van aandacht, van warmte, van “ik dacht aan jou”. Dat moment is al voltooid. Het blijft bestaan, zelfs als het object een andere bestemming krijgt.
Waarschijnlijk moet ik dat nog een paar keer hardop zeggen voordat het echt landt.
Even oefenen.
Leren.
Maar vandaag heb ik in ieder geval één doos gevuld, een paar prutsels geordend, en een stukje van mijn eigen overtuiging voorzichtig verschoven. En dat is — hoe klein ook — beweging.
HA! Ben ik toch bezig.
Blijf zacht.

Geen opmerkingen:
Een reactie posten
Laat hier een berichtje achter: