Toen ik vanmorgen wakker werd, was manlief al uit bed. Dat gebeurt niet vaak; meestal ben ik degene die als eerste de trap af sjokt. Maar vandaag was het anders. Het huis voelde al een beetje wakker, alsof het zonder mij begonnen was aan de dag. Ik had uitgeslapen tot kwart over negen en voelde me eigenlijk best goed — een zeldzame luxe die ik koester alsof het een cadeautje is dat ik voorzichtig moet uitpakken.
Na mijn spieroefeningen ging ik naar beneden, nog een beetje loom, maar tevreden. Een uurtje later deed ik een klein boodschapje, zo’n dingetje waarvan je denkt: "dat kan wel even". Maar de hitte hing als een zware deken over de binnenstad. Er is feest, er staan kramen, muziekbandjes, mensen — heel veel mensen. En heel veel zon. De stad leek al op volle toeren te draaien terwijl ik nog maar net wakker was. Mijn energie verdampte sneller dan ik kon bijhouden.
Gewapend met een pot multivitaminen, neusspray en zakdoekjes ging ik weer huiswaarts, alsof ik een expeditie had overleefd. Onze geplande korte fietstocht stellen we uit tot vanavond, wanneer de zon zo'n beetje besluit dat het genoeg is geweest en de lucht weer een beetje adem geeft.
Nu zitten we in de tuin. Manlief leest een boek, ik schrijf mijn verhaal. Er staat een zacht muziekje op — zo zacht dat de buren het waarschijnlijk niet eens horen. De tuin is een oase van rust en tegelijkertijd een kleine luchthaven voor alles wat vliegt. Het zoemt en fladdert alsof de natuur haar eigen festival heeft georganiseerd: vlinders in alle kleuren, zweefvliegen die als minihelikopters stil in de lucht hangen, hommels die brommend langs me heen denderen, bijen die drukker zijn dan ik ooit zal zijn op een zondag. Zelfs een libel die af en toe als een blauwe flits voorbijschiet.
Fred ligt op zijn vaste plekje tussen de struiken, onvindbaar maar tevreden. Hannah heeft het buiten te warm en ligt binnen op een koele plek, vlakbij haar eigen privé-airco. De tuinen om ons heen zijn stil; de meeste mensen zoeken de schaduw binnenshuis. Niet gek, want achter ons huis staat de zon van zonsopkomst tot half zes te bakken. Wij hebben gelukkig een afdakje en een zonnescherm, maar sommige buren moeten het doen met een parasol. De thermometer stond om tien uur al op 26 graden. Het soort hitte waarbij zelfs de lucht lijkt te zuchten.
En toch… ik geniet. Van de rust, van het nietsdoen, van het kijken. Van het feit dat de wereld even niet aan me trekt. Al roept mijn hoofd — Fiepje — dat ik iets moet doen. Een wasje, de vaat, het onkruid dat overal opduikt. Kleine dingen, maar juist die kleine dingen zijn verraderlijk. Want als ik één ding doe, denk ik meteen: "ohhhh, dan kan ik dat ook nog wel even doen." En voor ik het weet ben ik weer bezig, terwijl mijn lijf al bij het eerste klusje protesteerde.
Mijn hoofd en mijn lijf zijn vandaag niet in evenwicht. En eigenlijk is dat oké. Niemand zegt dat ik iets moet, behalve mijn brein. Ik mag blijven zitten. Ik mag toestaan dat er niet wordt opgeruimd. Manlief is meer dan bereid om dingen te doen — we hadden het tenslotte over eerlijker verdelen. Misschien is dit zo’n dag waarop ik dat ook echt mag oefenen: loslaten, toestaan, mild zijn.
Een vlinder vliegt voorbij en ik ben meteen afgeleid. Hij dwarrelt alsof hij geen enkel plan heeft, geen lijstje, geen Fiepje die hem commandeert. Hij doet gewoon wat hij doet. Misschien is dat precies wat ik vandaag nodig heb: een beetje dwarrelen, zonder doel, zonder moeten. Gewoon aanwezig zijn in mijn eigen tuin, in mijn eigen lijf, in mijn eigen zondag.
Soms is een vlinder die voorbijwaait al genoeg om me eraan te herinneren dat rust ook een keuze is.
Blijf zacht en vooral heel rustig

Geen opmerkingen:
Een reactie posten
Laat hier een berichtje achter: